Categorie archief: nieuwsbrief

Nooit klaar met zoeken in het geloof, ook dat is een vorm van genade

Lodewijk Born

Rinnie en Karel Nauta komen al twee jaar niet meer in de kerk. Ze maakten een heel proces door in hun geloofsontwikkeling. De verdieping die ze missen, vullen ze nu zelf in.

Ze waarschuwen voorafgaand aan het interview er maar even voor: ,,Onze zoektocht verliep echt niet op dezelfde wijze hoor.” Rinnie (79) en Karel (81) weten beide goed wat ze willen vertellen.

Ze vormen al meer dan veertig jaar een koppel en zijn inmiddels ook echte partners geworden als het gaat om het nadenken over levensen zingevingsvragen. ,,Het kan er dan best stevig aan toe gaan in discussies. Botsen”, zegt Karel met een glimlach.

Hij is iemand die graag beschouwend naar zaken kijkt, met anderen kan meegaan, maar soms ook een duidelijke streep trekt. ,,Toen ik niet meer achter de tekst van de Drie Formulieren van Enigheid kon staan, weigerde ik om die nog langer te ondertekenen als lid van de Kerkenraad Algemene Zaken. Gevolg was wel dat ik kon vertrekken als kerkenraadslid.”

In hun woning aan de Felixwei, in een nieuwbouwwijk in Stiens uit de jaren 80, doen ze hun verhaal. Karel: ,,Ik ben geboren in Hilversum. Mijn vader, Klaas, die van Wiuwert kwam, was boerenarbeider, maar dat beviel hem eigenlijk niet. In een advertentie had hij gelezen dat er in Hilversum een opleiding was aan de politievakschool. Daar ontmoette hij ook zijn latere vrouw.” In 1946 keerden Karels ouders terug uit het Gooi, omdat zijn vader een functie kreeg bij de politie in Leeuwarden. Karel was een van de drie kinderen. ,,Mijn twee oudere zussen, Wil en Greet, leven al niet meer. Ik ben nu als laatste over van het gezin. Dat is best wel een rare gewaarwording.”

Ondernemersgezin

Rinnie komt uit een ondernemersgezin uit Huizum. Haar vader had een lampenkappenfabriek, bekend onder de naam ‘Rembrandt’. In 1949 werd het pand in Huizum – waar de familie ooit begon – te klein en vertrokken ze naar de stad. De klad kwam in de verkoop toen glas- en plasticvarianten populair werden. ,,Toen stapte mijn vader over naar het beroep van reclameschilder. Ik heb een oudere zus en een jongere broer. Uit een latere relatie kreeg mijn vader nog twee zonen. Mijn halfbroers. Ze leven allemaal nog.”

Rinnie ging naar de Christelijke Gereformeerde Kerk (CGK) aan de Wijbrand de Geeststraat. ,,Op mijn achttiende deed ik daar belijdenis. ‘Nu hoor ik er bij’, dacht ik. Wat ik toen niet wist dat het pas het begin was van een zoektocht, waar ik nog altijd niet klaar mee ben…”

Het geloof beleefde ze, ook toen ze jong was, als iets waardevols. Haar moeder was zeer gelovig, maar ook iemand die nadrukkelijk liet merken dat je niet te lichtvaardig over God moest denken. ,,Toen ik klein was ging ik naar de zondagsschool, waar je iedere zondag een plaatje kreeg als je je versje goed geleerd had. Die plaatjes bewaarde ik in een doosje. Ik weet nog van een exemplaar met een afbeelding van wolken erop en zonnestralen daarachter en daarbij de woorden: ‘Ik ben een kind. Van God bemind. En tot geluk geschapen’. Ik vond dat zó mooi en liet het mijn moeder zien, waarop ze streng zei: ‘Stop die maar gauw weg.’ Ze vertelde hoe je ‘nooit kon weten of je wel behouden was’. Je mocht het eigenlijk niet eens dénken.” De kaart ging het doosje in en als Rinnie af en toe toch ging kijken, voelde dat, alsof ze stiekem een beetje zondig bezig was.

Prettige balans

Heeft ze een positief gevoel over de geloofsopvoeding in haar jeugd? Dat heeft ze zeker. Terwijl haar moeder zeer behoudend was, was haar vader veel vrijer in zijn geloofsopvatting. ,,Dat zorgde voor een prettige balans”. Karel groeide op in een gewoon gereformeerd – ,,synodaal dus” – gezin. Zijn herinneringen gaan terug naar de gereformeerde Pelikaankerk in Leeuwarden waar hij onder de indruk was van de gebrandschilderde ramen, de belijdeniscatechisatie bij ds. J.G. Aalders en de bijeenkomsten bij ds. L.G. Pleijsant thuis waar jongelui graag naar toe gingen. ,,Want bij hem mocht je roken.” Het was bij hen thuis allemaal redelijk helder als het ging om geloven. ,,Op het dogmatische af.”

Twee familieverhalen die bij elkaar komen in een latere levensfase van Rinnie en Karel. Ze blijken samen op de kweekschool Mariënburg – gezeten te hebben, een opleiding tot onderwijzer, waar ze elkaar ooit ontmoetten. Ze komen allebei terecht in het onderwijs en als hun beider huwelijk stukloopt, komen ze elkaar weer tegen. Rinnie wordt invaller in de klas waar Karel de vaste meester is. ,,Ik vond dat hij altijd zulke mooie dingen in de schriftjes van de kinderen schreef. ‘Wat een leuke man!’, dacht ik.” De twee worden verliefd en uiteindelijk trouwen ze in 1978. Ze schoppen daarmee al heel wat heilige huisjes omver in hun families, de schoolgemeenschap en de kerk. Scheiden in die periode was een groot struikelblok.

Ze gaan wonen in Stiens en sluiten zich direct aan bij de Gereformeerde Kerk. Dat is op dat moment een echt grote Gereformeerde Kerk met nog twee ochtenddiensten en een middagdienst, gehouden in De Hege Stins. En een aparte Hervormde Gemeente die ook nog twee keer per zondag samenkomt in de oude Sint Vituskerk. ,,Ik weet wel dat ik soms op zondagochtend hoopte dat de gereformeerde kerk zó vol zat dat ik er niet meer bij kon en huiswaarts mocht gaan…”, zegt Karel.

Ander perspectief

De beste herinneringen bewaart het echtpaar aan de preken van ds. Douwe Visser. Rinnie merkt op dat moment al dat ze het eigenlijk steeds moeilijker kan vinden in de traditionele kerk. ,,Omdat ik iemand wilde interviewen voor het kerkblad over iconen, kwam ik terecht in de Russisch- Ortodoxe Kerk in Groningen en kreeg daar contact met Elisabeth die iconen schilderde. Daar werd ik door geraakt en wilde het zelf ook. ‘Het mag als je daar aan toe bent’, zei ze.”

Dat gebeurt al binnen een jaar. ,,Ikonen schilderen betekent werken aan een ander perspectief. Niet het éénrichtingsverkeer van mij naar God toe, maar het goddelijke komt naar jou toe en zit ook in jezelf .” Een vriendschap zorgt er voor dat ze gespreksavonden houden waar ze met hun vragen heen kunnen. ,,Ik had bijvoorbeeld op een bepaald moment niks meer met de maagdelijke geboorte. Kón er niet meer in geloven”, zegt Rinnie.

Er ontstond een ,,worsteling met Jezus”. ,,Of ik afscheid van Hem nam? Nee, dat niet, maar ik ging er anders naar kijken. De betekenis van Jezus als brenger van de Christusgeest is voor mij belangrijk. Mijn mening veranderde bijvoorbeeld ook door boeken die ik las van Hans Stolp over Jezus en van Jacob Slavenburg die veel publiceerde over gnostiek en esoterie.”

Mystieke ervaring

Zelf heeft Rinne ook een mystieke ervaring. In een vergadering op de school waar ze les geeft, wil ze een collega helpen ‘door energie naar haar te zenden’. ,,Er verscheen een aura als een oranje gloed om haar hoofd. Ik was sprakeloos en kon even geen woorden vinden. Daarna zei ik :’Wat straalde jij’. ze antwoordde: Zo voel ik me ook.”

Rinnie gaat met die ervaring, die haar leven helemaal op de kop zet, naar de predikant. Ze zoekt er een geloofsverklaring voor. ,, ‘Ik heb een vriend, die is predikant’, zegt de pastor. ,,’Die kan duivels uitdrijven’. Het is een antwoord waarmee ze zich ‘in de kou gezet’ voelt. ,,Ik zag het gebeuren zelf als een geschenk. Later trof ik gelukkig iemand die er wel goed met mij over kon praten.”

Dat er meer is tussen hemel en aarde is wat Rinnie en Karel allebei geloven. Oók vanuit het christelijke perspectief. Ze vinden het alleen heel erg jammer dat er in de kerk weinig oor lijkt te zijn voor de andere routes waarop zingevingsvragen aan de orde kunnen worden gesteld. ,,We missen in de kerk de verdieping. Komen er niet voor een kerkdienst waarin we helemaal niets nieuws meer horen. Of dat je wordt uitgenodigd als oudere – want daar horen we nu bij – voor een gemeente- activiteit om samen een spelletje te doen ‘omdat het zo gezellig is’. Natuurlijk zal dat voor sommige mensen belangrijk zijn, maar dat is voor ons niet waar we voor naar de kerk gaan.”

Gespreksgroep

Uit een Gemeente Groei Groep van de kerk ontstond tien jaar geleden een gespreksgroep bij hen thuis. Daar bespreken ze elke veertien dagen een onderwerp met zo’n tien mensen. De ene keer gaat het over een uitzending van De verwondering waarin Annemiek Schrijver zenboeddhist André van der Braak interviewt, een andere moment over een boek van Hein Stufkens, de Tsjechische theoloog Thomas Halík of de theologie van Karl Barth. ,,Je denkt dan: waarom hoor ik daar niets over in de kerk?. Zo’n boek als Nacht van de biechtvader van Halik is voor alle generaties interessant, omdat hij je nieuwe perspectieven laat zien”, zegt Karel.

De gespreksgroep bestaat uit mensen van allerlei snit. Kerkgaand, randkerkelijk, maar ook niet gelovig. Rinnie leidt de gespreksmiddagen, waar een ieder vrij zijn mening kan vertellen. Bijvoorbeeld ook wat je persoonlijk met een christelijk feest als Pasen hebt. Het kernwoord is ruimte. Wetende dat je over álles vragen mag stellen. ,,We zijn het lang niet altijd met elkaar eens, maar leren al luisterend naar de ander, onze mening soms herzien of soms duidelijker profileren. Het zijn deze middagen die voor mij een meer zinvolle betekenis hebben gekregen dan de zondagse kerkdienst”, zegt ze.

Kier

Karel gaat nog een stapje verder. ,,Voor mij zijn ze een vorm van een dienst waardoor ik ook niet meer de behoefte heb om naar de kerk te gaan.” Ouderen willen, zo denkt Rinnie, met belangrijke vragen in het reine komen. ,,Hoe is mijn relatie met mijn dierbaren en welke zaken zijn nog niet af? Het zijn vragen die te maken hebben met innerlijke groei.” Als er in kerken meer ruimte zou zijn, om met de opgebouwde levenswijsheid, dat innerlijk kapitaal, dat in ouderen schuilt, iets te doen, zou dat er voor zorgen dat de Nauta’s zich misschien wél thuis zouden voelen in de kerk anno 2019.

,,Of de deur bij mij dicht is? Nee, hij staat nog wel op een kier, maar het verlangen is er nu gewoon niet om er naar terug te keren”, aldus Karel. Ze zouden zich wel willen aansluiten bij initiatieven als de Earnewâldster Rûnte waar op een ander niveau levens- en geloofsvragen aan de orde komen. Rinnie haalt een spreuk aan van Meester Eckhart (1260-1328): ‘De Christus wordt voortdurend in onze ziel geboren’.

De geboorte van Christus is niet een eenmalig gebeuren. Er is sprake van een onophoudelijk ontwaken, zegt André van der Braak. Je bent nooit uitgeleerd en tegelijk weet ik nu dat ik anders denk over wat mijn moeder ooit zei. Ik bén een kind van God. Ik word gevoed vanuit het universum. Ik krijg alles wat ik nodig heb in dit leven. Ik hoef het niet allemaal zelf te doen”.

Hoekstra’s rede was niet helemaal typisch CDA

De Haagse week
Henk van der Laan

Dat de Berlijnse Humboldt-universiteit Wopke Hoekstra vraagt voor hun belangrijke Europarede en dat het CDA de tekst enthousiast promoot, laat zien dat hij zowel intern als extern als man voor de toekomst wordt gezien. Nu speelt die andere kroonprins van het CDA, Hugo de Jonge, als minister van Volksgezondheid in de EU een veel kleinere rol dan een minister van Financiën, dus het is niet gek dat een Duitse universiteit hem niet vraagt. Hoekstra heeft door zijn aanvaringen met zijn Franse collega in korte tijd in ieder geval zijn visitekaartje afgegeven.

Zijn rede ging natuurlijk over Europa. De speech was pro-EU, want alleen met een sterke Unie kunnen de Europese landen mondiale kwesties oplossen. Maar dan natuurlijk wel een Europa met een Nederlands-Duitse mentaliteit. En als alle landen daar niet aan mee willen werken, dan moeten er sancties zijn. Dit paste helemaal in het straatje van het kabinet en het CDA.

Maar goed, een vooraanstaand politicus die in het openbaar pleit voor een sterke Europese Unie, dat is winst. Al moet je wel beseffen dat als de Europese Unie sterker moet worden, de invloed van de nationale regeringen uiteraard minder wordt. Want dat sterker worden vraagt bijvoorbeeld om meer meerderheidsbeslissingen en minder veto’s – wat het CDA in het Europese verkiezingsprogramma ook voorstelt als het gaat om buitenlands beleid.

Nu was Hoekstra als senator er niet vies van om tegen de partijlijn in te gaan. Zo was hij anders dan zijn fractiegenoten wel voor het erkennen van ouderschap van beide lesbische ouders en voor de wet die het onmogelijk maakte voor ambtenaren om het sluiten van een huwelijk tussen mannen- of vrouwenstellen te weigeren.

Landbouwsubsidies

En ook in zijn Humboldt-rede zei hij iets wat recht ingaat tegen wat het CDA altijd vindt. Dit keer niet over een ethische kwestie, maar over de Europese landbouwsubsidies. In het Europese verkiezingsprogramma schrijft het CDA dat Europese landbouwsubsidies nodig zijn. En zolang boeren geen eerlijke prijs krijgen voor hun producten, moet de EU dat via subsidies aanvullen, aldus de christendemocraten.

Maar wat zei Hoekstra deze week? ,,Een 21e-eeuws, weerbaar Europa betekent op de eerste plaats een fundamentele herschikking van onze prioriteiten. In de Europese Unie geven we honderden miljarden uit aan landbouw en aan cohesie-projecten, en in de vorige eeuw was daar veel voor te zeggen. Maar we leven inmiddels in het jaar 2019, en dat lijkt me een uitstekend moment om aan de 21e eeuw te beginnen. Want als we de problemen willen adresseren die ik net noemde, moeten we niet alleen fundamenteel andere prioriteiten kiezen, maar daar ook de middelen voor vrijmaken, en dus op andere posten bezuinigen.”

Wat Hoekstra dus zei, is dat de EU kan bezuinigen op de landbouwsubsidies om de andere ambities waar te kunnen maken. 40 procent van de EU-begroting gaat naar landbouwsubsidies, dus voor Europese agrariërs is de EU ongelofelijk belangrijk. En het CDA is een partij met een grote boerenachterban die altijd pal staat voor het agrarisch belang. En dan zegt dé kroonprins voor het CDA-leiderschap dat het Europees subsidiëren van landbouw iets van de vorige eeuw is. Dat worden nog leuke partijcongressen.

De ‘held met dubbele natuur’

Tjerk de Reus

Het lied in de kerk blijft zich altijd vernieuwen, maar dat is geen reden om oudere liederen af te schaffen. De erfenis van de vader van het kerklied, Ambrosius, onderstreept dit.

Op de quizvraag wie Ambrosius van Milaan was, zal niet iedereen meteen het antwoord klaar hebben. Toch is deze bisschop uit de vierde eeuw – hij leefde van 339 tot 397 – ons meer nabij dan we zouden denken. Hij was dan wel een Romein, maar groeide op in Trier, in de buurt van Luxemburg. Na een carrière als bestuursambtenaar werd hij in 374 bisschop van Milaan. Hij gaf geloofsonderwijs aan de bekende Augustinus, de man die als de belangrijkste kerkvader van het Westerse christendom geldt.

Ambrosius, die overigens ook tot de officiële kerkvaders van het Westen behoort, beschikte echter over een kwaliteit die hem onderscheidde van Augustinus. Hij was schrijver van kerkliederen en staat aan de basis van de kerkliedtraditie van het Westerse christendom. Dat is niet gering. Je hoeft maar een boekje op te slaan over de geschiedenis het kerklied, of er wordt gewezen op de grote betekenis van Ambrosius. Maar deze faam staat in contrast met wat er van zijn eigen liederen bewaard is gebleven: slechts veertien teksten! Deze zijn nu uitgegeven in het boek Zingen met het hart, samen met dertien liederen van latere dichters. Alle liederen zijn vertaald en toegelicht door Patrick Lateur.

Levendigheid

Bladerend in dit boek kom je onder de indruk van de levendigheid van de geloofstraditie. Wat Ambrosius ooit op papier zette, is op zichzelf al creatief en inspirerend. Maar je ziet ook hoe de lijn wordt voortgezet in latere liederen die aan de traditie werden toegevoegd. Hier vallen namen als die van Sedulius, Prudentius en Venantius Fortunatus, dichters uit de vijfde, zesde en zevende eeuw.

Al die dichters zijn geïnspireerd door kerkvader Ambrosius, tenminste, dat nemen we dan aan. Met zekerheid is zoiets natuurlijk niet vast te stellen. Dat blijkt ook wel uit de bekende Ambrosiaanse lofzang, het zogenoemde Te Deum, dat waarschijnlijk niet van de hand van Ambrosius is. Volgens de legende werd dit indrukwekkende lied gezongen toen Ambrosius Augustinus doopte, in het jaar 387. De versie van het Te Deum die in protestantse kerken gezongen wordt, is van de hand van Ahasverus van den Berg: ‘Wij loven u o God, belijden U als Heer’.

Een boeiend fenomeen dus, die Ambrosiaanse liedcultuur. Maar wat kom je tegen, als je deze reeks teksten leest? Bijvoorbeeld persoonlijke versregels, zoals ‘Kijk ons nu aan, wij wankelen, / herstel ons, Jezus, met uw blik. / Kijkt U ons aan, de val vervalt, / met tranen wordt de schuld gedelgd.’

Kerkelijk-theologisch

Naast dit persoonlijke aspect is er ook de kerkelijk-theologische thematiek, die vrij sterk aanwezig is. Zo zijn er tal van verwijzingen te vinden naar de grote discussie in de kerk van die dagen. Dat ging over de ‘wezensgelijkheid’ van Jezus met God de Vader. In het jaar 325 was daarover al een kerkelijk besluit gevallen, op schrift gesteld in de geloofsbelijdenis van Nicea. Tegenstanders van die belijdenis waren de Arianen, die Jezus als een ‘gewoon’ geschapen wezen beschouwden, dus niet als iemand die aan God gelijk was. Ambrosius stond ferm in de lijn van Nicea. In Splendor paternae gloriae wordt Christus als volgt aangeroepen: ‘Afstraling van uw Vaders glans, / U openbaart uit licht het licht, / U, licht uit licht en bron van licht, / U, dag der dagen die verlicht’. Hier horen we de slagzinnen van Nicea doorklinken, waar Christus omschreven wordt als ‘God uit God, Licht uit Licht’.

Dat Christus aan God gelijk was en tegelijk mens, vormde de reden om te spreken over de twee-naturenleer. Ook daarop mag Ambrosius graag op zinspelen, als het grote wonder waar het geloof aan ontspringt, bijvoorbeeld in een lied waar de maagdelijke geboorte ter sprake komt. Het gaat dan over de ‘maagdelijke buik’ die ‘opzwelt’: daarin ‘huist’ God. Best heel plastisch geschetst, dit beeld van de zwangere Maria. Ambrosius wijst vervolgens op de twee-naturen van Christus, als het gaat om de geboorte: ‘Nu kome uit dit bruidsvertrek / – de vorstenzaal der zedigheid – / de held met dubbele natuur / om opgewekt zijn weg te gaan.’

Het is een interessante wereld om in te vertoeven, deze liedteksten van lang geleden. Een beetje jammer is wel dat de vertaling van Lateur niet heel vloeiend is. De versregels zijn soms een beetje stroef. En over de vertaalkeuzes valt hier en daar ook wel een kritische vraag te stellen. Waarom kiest Lateur bijvoorbeeld voor de rare uitdrukking ‘De Prinsen van de Kerkenkrans’, als er in het Latijn iets tamelijk gewoons staat: ecclesiarum principes, dat zoiets als ‘de belangrijkste vertegenwoordigers van de kerk’ betekent? Zo valt wel vaker op dat de vertaler met iets te veel vrijheid vertaalde. Handig wel weer dat achterin het boek een toelichting staat per lied.

Zingen met ons hart. Hymnen. Ambrosius. Uitgeverij Damon. 14,90 euro

Toeval bestaat niet, of wel?

Even stilstaan
Gabriël Anthonio

In de wetenschap zijn er diverse stromingen hoe er naar toeval wordt gekeken. Zo zijn er rekenmeesters die aan kansberekening doen. Anderen proberen op basis van bijvoorbeeld een risicoanalyse een voorspelling te doen of iets kan plaatsvinden. Weer anderen bestuderen de natuur of zelfs de kosmos om een beeld te krijgen of iets per ongeluk of toch met een zekere regelmaat plaatsvindt.

In de filosofie is er een stroming die zich determinisme noemt. Dat wil zeggen dat alles wat er gebeurt een doel heeft en voorbestemd is. In de theologie en religiewetenschappen wordt gekeken hoe mensen kijken naar de manier waarop God zich manifesteert en al dan niet ingrijpt in ons aardse bestaan. Er is bijna geen onderwerp dat zo veel uiteenlopende standpunten en visies kent als de discussie over of toeval bestaat of niet.

Het regent als we met een groepje van vijf mensen over de parkeerplaats naar het congrescentrum lopen. Een congres over het thema ‘herstel’, in het midden van het land. Medewerkers uit de GGZ en verslavingszorg en ervaringsdeskundigen vormen de groep deelnemers. Ook de sprekers komen uit de wereld van de GGZ en ervaringsdeskundigen. Het programma ziet er veelbelovend uit. Sprekers van naam, psychiaters, cliënten uit de GGZ, een kunstenaar met autisme en zelfs cabaret en muziek van een groep cliënten uit de GGZ.

Terwijl we van de parkeerplaats richting de ingang lopen, stellen we ons aan elkaar voor. Waar we werken, wat onze achtergrond is en wat we verwachten van deze dag.

Ervaringsdeskundige

Een van de mensen uit het groepje, Madelon, vertelt dat ze een ervaringsdeskundige is. Er waren problemen in haar jeugd, haar moeder en vader heeft ze niet gekend. Al vroeg is ze in een pleeggezin geplaatst en daar misbruikt door een pleegbroer die tien jaar ouder was. Ze is verslaafd geweest, maar nu goed op weg naar herstel. Ze is behandeld voor trauma’s en depressies.

Ze gaat op het congres haar verhaal doen. Wat ze verwacht is dat er wordt geluisterd en er erkenning is voor haar problematiek: het niet kunnen hechten en mensen niet vertrouwen. Ze heeft een weg gevonden om hier mee om te gaan. Ze werkt veel met dieren op een kinderboerderij, dat helpt haar enorm. „Maar, wat ik natuurlijk ooit hoop is mijn moeder of misschien mijn vader te ontmoeten. Ik weet dat mijn moeder Beukema heet, maar zoeken heeft geen zin. Er zijn te veel mensen die zo heten.”

Op zoek

Plotseling schrikken we als er een blauwe auto richting ons groep- je rijdt. We stappen allemaal opzij. Sommigen slaken een gilletje. Een tas slaat tegen de voorkant van de auto. Dat geeft een harde klap, maar er is geen schade te zien. Gelukkig, het loopt goed af. „Nou zeg”, roept een van ons tegen de auto. ‚„Kun je niet uitkijken?”

Er stapt een geschrokken mevrouw uit: „Alles goed met jullie, ik hoorde een klap. Sorry, ik keek niet uit. Ik ben te veel aan het zoeken naar een parkeerplaats. Het is ook een emotionele dag voor mij. Ik ben op zoek naar mijn zus, ze weet het waarschijnlijk niet. Ik heet Beukema. We zijn beiden gescheiden van onze ouders. Misschien is ze hier vandaag. Kent u haar misschien?”

We vallen allemaal stil. „Dit kan geen toeval zijn”, stamelt iemand uit de groep. Al snel omhelzen de twee zussen elkaar. De indringende toespraak van Madelon en daarna de opkomst van haar zus op het podium zal ik nooit vergeten. Vader blijkt overleden te zijn, moeder leeft nog maar is ernstig ziek. Madelon heeft dus nu de kans haar moeder te ontmoeten, volgens haar ‘nieuwe’ zus vanaf het podium. Opnieuw een omhelzing, tranen en vreugde.

Geen tegenspraak

Madelon wijst even omhoog. „Ik heb altijd gevoeld dat er iemand ergens voor mij zorgt, daarboven ergens… En vandaag heb ik zijn hand gezien. Dit is geen toeval.” De zaal begint te klappen, er is geen tegenspraak tegen dit idee.

Niemand hield het droog, ik ook niet. Een congres over herstel, je ziet het voor je ogen gebeuren. Dit kan geen toeval zijn. En al is het dat voor sommigen wel, voor beide zussen in ieder geval niet.

Gabriël Anthonio is bestuurder bij Verslavingszorg Noord Nederland en bijzonder hoogleraar aan de RUG.

Kunst biedt zingeving; de overheid moet daarin een rol spelen

Pieter Anko de Vries

Als het over de rol van cultuur en kunst gaat in de samenleving hoor je weinig van het CDA. Dat is jammer, want vanuit een christendemocratische visie valt hier heel wat over te zeggen en aan te doen.

Gemeenten in heel het land zijn de afgelopen weken in opstand gekomen tegen de gebrekkige financiering van de jeugdzorg. Die kost veel meer dan het budget dat van rijkswege wordt gegeven. Sommige gemeenten (bijvoorbeeld in het Gooi) gingen met keuzeformulieren de straat op om de burgers te vragen waarop moet worden bezuinigd om een goede jeugdzorg overeind te houden: het zwembad of de plaatselijke bibliotheek dicht. Afgelopen week werd bekend dat het kabinet toch met honderden miljoenen euro’s extra over de brug komt voor de jeugdzorg, zodat burgers niet voor zo’n onmogelijke vraag – kiezen tussen ontspanning en cultuur – worden gesteld.

Als het gaat over nadenken over cultuur en kunst heeft de christendemocratie zich in haar bestaansgeschiedenis niet bijzonder geprofileerd. Sterker nog, in recente jaren stemde het CDA stilzwijgend in met bezuinigingen op dit terrein, en werd haar een gebrek aan visie verweten. In het lentenummer van Christen Democratische Verkenningen, het tijdsschrift van het Wetenschappelijk Instituut van het CDA, legt de partij zich daarvan rekenschap af.

Kunst en cultuur zijn zaken waarover de christendemocratie heel wat zou kunnen zeggen, zo luidt de conclusie. Maar makkelijk is dat niet. Want als je probeert de maatschappelijke waarde van kunst aan te tonen, loop je als snel in de valkuil dat je daar geen harde bewijzen voor hebt. Is kunstbeleid met andere woorden geen weggegooid gemeenschapsgeld?

Zingeving

Auteur Rien Fraanje legt in zijn bijdrage vooral de nadruk op de zingeving die kunst kan geven. Kunst kan in veel opzichten hetzelfde bieden als religie. ‘Zij voedt ons verlangen om geraakt te worden door iets wat groter is dan wijzelf en bevredigt onze behoefte aan heelheid en schoonheid’, schrijft hij.

Het probleem is echter dat de politiek er de afgelopen decennia alles aan heeft gedaan om de vraag naar zingeving los te laten. Religie moest achter de voordeur en kunst moet volgens het economisch denken iets opleveren. Kunstenaars zijn in dit gedachtegoed culturele ondernemers die maar moeten bewijzen dat er vraag bestaat naar hun ‘producten’. ‘Nut’ en ‘opbrengst’ zijn de kernwoorden van dit cultuurdenken.

Toen liberalen en populisten keihard de aanval inzetten op de culturele infrastructuur van Nederland hebben christendemocraten veel te weinig tegenstand geboden, schrijft Fraanje. Kunst is bij uitstek een christendemocratisch thema. En er zijn veel mogelijkheden voor gemeenten, provincies en de landelijke overheid om culturele uitingen te steunen, zoals ruime aandacht voor literatuur- en kunstonderwijs, het ondersteunen van muziekscholen en theaters, het overeind houden van biblibliotheken en het subsidie geven aan korpsen, koren en amateurkunstenaars. ‘Kunst geeft zin, is vormend en ‘waardenvol’. Het past christendemocraten als zij vooroplopen om dat te beschermen én te activeren.’

Uit de kunst. Christen Democratische Verkenningen. Lente 2019. Boom Tijdschriften

Bonifatiuskerk zingt beschroomd mee met Herman Finkers

Jan Auke Brink

In de Leeuwarder Sint-Bonifatiuskerk was Herman Finkers zondag te gast met zijn ‘Missa in mysterium’, een geheel in het Latijn gezongen mis, waarin de kerkgangers worden uitgenodigd mee te zingen.

In zijn huis in Almelo heeft cabaretier Herman Finkers een eigen kapelletje, waar hij verslaafd is geraakt aan de gregoriaanse muziek van de vroege middeleeuwen. ,,Toen bij mij het kwartje viel en ik begreep hoe je het moest lezen en zingen, kwam ik mijn kapel niet meer uit: ik bleef maar zingen”, vertelde Finkers in 2016 bij Podium Witteman op televisie. ,,Mijn vrouw heeft op een gegeven ogenblik een eierwekker gezet als ik de kapel weer inging. Ze zei: je mag twee uur zingen, daarna moet je stoppen.”

Die liefde voor de muziek wilde Finkers delen met een breder publiek. Hij ontwikkelde de ‘Missa in mysterium’, een mis gericht op het mysterie waarin uitsluitend in het Latijn wordt gezongen. Niet alleen door de pastoor of door een koor, maar door iedereen: ,,Gregoriaanse muziek is mooi om te luisteren, maar vooral om te zingen.”

Mysterie

Het experiment kreeg als titel Missa in mysterium: ‘Het is een samenkomen om met elkaar een kunstzinnig, verstild eerbetoon te brengen aan het Mysterie van de Liefde; ook wel aangeduid als het Christus-mysterie’, zegt Finkers.

Zijn ‘gregoriaans experiment’ is in oktober 2016 voor het eerst opgevoerd in de Sint Plechelmusbasiliek in Oldenzaal. Daar bleek het een groot succes: de kerk zat vol, de reacties waren positief. Een tweede uitvoering was in 2017 in Den Haag.

We krijgen bij binnenkomst een misboekje waarin staat aangegeven wie wanneer wat zingt: de priester, een solist, alle mannen, alle vrouwen of iedereen tezamen. We worden in ons zingen ondersteund door vrouwenschola Wishful Singing en een mannenschola en acolieten van de Sint- Vitusparochie.

Finkers wil nadrukkelijk de aandacht niet op zichzelf vestigen, maar op de mis, op de gezangen, op het ritueel. De schoonheid moet zijn werk doen; er is wel een preek, maar die wordt niet uitgesproken – wie wil kan hemlezen in het boekje. ‘Dat het ritueel en de teksten bepaald niet inhoudsloos zijn spreekt voor zich, maar een nadere evangelisatie wordt aan de schoonheid van het ritueel overgelaten’, legt hij uit.

Lector

Finkers heeft de rol van lector en leest waar nodig de Nederlandse vertalingen van Latijnse teksten die de benedictijnse pater Marc Loriaux als celebrant in het Latijn zingt. Alleen in het begin, voordat de eigenlijke viering zijn aanvang heeft, staat Finkers even op de voorgrond: ,,Voordat we echt starten wil ik even met u oefenen”, zegt hij. Zacht gegrinnik stijgt op uit de kerkbanken. Op verzoek van Finkers zet de solist het Kyrie in, de aanwezigen zingen voorzichtig mee, de mannen en de vrouwen ieder hun eigen deel. Finkers: ,,Om de schroom te overwinnen doen we het nog een keer.”

Daarna start de eigenlijke mis met de openingsritus en de intredezang. De kerkgangers staan, priester en zangers schrijden binnen. De priester heet iedereen welkom en zingt de schuldbelijdenis, het Kyrie en het Gloria. Allemaal vlot achter elkaar, allemaal in het Latijn.

Niet iedereen kan het tempo bijbenen: er wordt naarstig in de misboekjes gebladerd om terug te vinden waar we precies zijn aanbeland. Ook blijkt de schroom niet helemaal uit de kerkbanken verdwenen: er wordt in het begin slechts her en der voorzichtig meegezongen of meegemompeld. De overige regie-aanwijzingen zoals ‘men slaat een kruis’ en ‘men buigt licht het hoofd’ worden vaak gemist; hetmomentis al voorbij voordat we er erg in hebben.

Herstel

Na het gebed, als we voor het eerst weer plaatsnemen op de banken, is er een moment van herstel: voor iedereen wordt weer duidelijk waar we in het misboekje zijn aanbeland. Vanaf dat moment krijgt het gezamenlijke zingen de overhand – hoewel met enig horten en stoten; het zingen in het Latijn vraagt een andere concentratie dan een ‘gewone’ kerkgang.

Als de mis na anderhalf uur is afgelopen, is iedereen een bijzondere en kunstzinnige ervaring rijker. Het mysterie is dankzij Finkers’ experiment weer iets verder gegroeid.

Ongestoord genieten

Tamarah Benima

Terwijl ik elk jaar de Uittocht uit Egypte, de Exodus, vier, laat ik Bevrijdingsdag meestal aan mij voorbij gaan. Vreemd eigenlijk, want dat Nederland bevrijd werd, en nog steeds bevrijd is, is wel degelijk een grote bron van vreugde.

Misschien zegt de viering van Bevrijdingsdag me minder omdat Herdenking en Bevrijding zo nadrukkelijk uit elkaar zijn gehaald. Herdenken op 4 mei is vanzelfsprekend. Maar ongecompliceerd de bevrijding vieren zit er gewoon niet in met mijn familiegeschiedenis. Bij de Pesachviering – jaarlijks gedurende acht dagen gevierd – wordt het ingewikkelde karakter van de strijd om vrijheid nadrukkelijk naar voren gehaald. De Tien Plagen komen aan de orde. Problematisch! Het verdrinken van het leger van de Farao komt aan de orde. Al even problematisch. De Eeuwige wordt aangeroepen om de vervolgers uit alle tijden ter verantwoording te roepen. Ook geen kattenpis.

De eerste twee avonden van het Pesachfeest vindt een zogeheten seider-maaltijd plaats. Het is een echte maaltijd. Die wordt voorafgegaan – zittend aan tafel – door een paar uur verhalen, liederen, gebeden, zegenspreuken en de nuttiging van wat groente, matzes, mierikswortel. Dit voedsel staat symbool voor de lente, de haast waarmee de Uittocht plaatsvond en de bitterheid van de slavernij.

Existentiële vragen

Omdat er in Tanach – het Oude Testament – staat dat je je de Exodus moet herinneren alsof je er zelf bij was, stel ik degenen die aan mijn seidertafels zitten ook altijd existentiële vragen. Wat was het moment van bevrijding voor jou in het afgelopen jaar (tellend tot de vorige Pesach)? Wanneer was je in ballingschap? Ben je nog steeds in ballingschap of is die voorbij? Welk offer heb je dit jaar gebracht (vóór de tiende plaag moest er een lam worden geofferd)? Wanneer moest je nederig zijn, dat wil zeggen de juiste plaats innemen? Deze vraag heeft te maken met het voorschrift om geen gegist voedsel te eten tijdens Pesach; ‘gist’ staat in de moderne interpretaties symbool voor het opgeblazen ego. Waarvan zou je je nog willen bevrijden? Waarover zou je tegenover de Eeuwige willen klagen? In de Tanachtekst staat dat de Eeuwige aan het bevrijden begon nadat hij het volk had horen klagen over zijn ellende. Vandaar.

Als je met een groep bij elkaar zit – bij mij kennen de meesten elkaar meestal niet – en met elkaar de verhalen deelt, wordt het zonder uitzondering een bijzondere avond. Want wanneer doe je dat: spreken in een samengeraapt gezelschap over de stappen die je hebt gezet om je van je angsten te bevrijden, over de verlangens die je hebt losgelaten of verwerkelijkt, over de inzichten die je hebt verworven zodat je knellende oordelen achter je kon laten, over de opgeruimdheid en lichtheid die je voelde toen je eindelijk kon zeggen: nu is het genoeg? Dat zijn allemaal individuele invullingen. Mooi en waardevol.

Maar hoe staat het met onze collectieve vrijheid? Daar maak ik me grote zorgen over. We hebben allemaal geleerd dat de vervolging door de nazi’s in heel kleine stappen plaatsvond. Met steeds een kleine stap – een maatregel hier, een maatregel daar – werden gehandicapten, geesteszieken, Joden, zigeuners, politieke tegenstanders gemarginaliseerd en uiteindelijk gedood. De sluipende onderdrukking was voelbaar (maar niet voor iedereen), zichtbaar (maar ook niet voor iedereen) – totdat het te laat was om er iets tegen te doen.

Ondermijnd

Mijn grootste zorg over onze vrijheid is dat de rechtsstaat wordt ondermijnd doordat de wetten niet meer worden gehandhaafd. Het blokkeren van kruispunten: niet beboet. Het slopen van een trein door tientallen voetbalsupporters: slecht één persoon aangehouden. Het dumpen van drugsafval: onmogelijk aan te pakken. Het ongestraft laten van artsen en psychiaters bij duidelijke nalatigheid. Of van ambtenaren die gestolen hebben. Arme mensen die hun recht niet kunnen halen omdat zij geen toegang tot advocaten meer hebben.

Er zijn duizenden situaties waarvan je denkt: dat kan toch niet ongestraft gebeuren? Maar het gebeurt wel. Er zijn grote bedreigingen van buiten: het expansionisme van China, de instabiliteit van de Verenigde Staten, de armoede van Rusland, de bevolkingsexplosie in Afrika. Maar de rechtsondermijning in ons land is een gevaar voor de vrijheid waar we met onze neus bovenop staan. En die sluipend plaatsvindt.

Zorgen dus. Maar ik neem me voor: op Bevrijdingsdag ga ik ongestoord genieten. Van onze vrijheid

‘Kerk in de buurt’ helpt kerken in contact te komen met dorp of wijk

Jan Auke Brink

Hoe kun je als kerkelijke gemeente iets betekenen voor je omgeving? Inspiratie-initiatief ‘Kerk in de buurt’ helpt daarbij, met concrete voorbeelden zoals een ontmoetingstuin waar kerkelijke en niet-kerkelijke buurtgenoten samen in werken.

De ontmoetingstuin is aangelegd door de Ontmoetingskerk in Nijmegen. Die kerk is zeven dagen per week geopend met een gevarieerd aanbod aan ontmoeting, viering en activiteiten. ‘Hoe mooi zou het zijn als het stuk gemeentegrond dat pal aan de kerk grenst daar ook een rol in zou kunnen spelen?’, dacht pastor Jeanne Rens. Een jaar later werd de tuin geopend.

Buurtgenoten ontmoeten elkaar sindsdien in de tuin naast het kerkgebouw. De stad, maatschappelijke organisaties en de kerk houden er bijeenkomsten, het is een voorbeeld dat andere kerken kan inspireren. ,,Kerken zijn lang naar binnengekeerd geweest, met Kerk in de buurt willen we laten zien hoe je ook kerk in en mét de buurt kunt zijn”, vertelt Peter Wierenga, namens het Diaconaal en het Missionair steunpunt betrokken bij de oprichting van het platform.

Samenwerkingsproject

Kerk in de buurt is een samenwerkingsproject van de Protestantse Kerk in Nederland en de drie Gereformeerde kerken verbonden in het Diaconaal steunpunt: de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt, Nederlands Gereformeerde Kerken en Christelijke Gereformeerde Kerken.

De landelijke bureaus merkten dat lokale kerken vaak zoeken naar praktische handvatten en goede voorbeelden om iets te betekenen voor de mensen die in de buurt van de kerk leven. Vanuit die vraag bundelden de samenwerkende kerkgenootschappen vijf voorbeeldprojecten: ,,We hebben bestaande projecten die makkelijk uitvoerbaar zijn in beeld gebracht. Het idee is dat je als kerk in een dorp of wijk er eenvoudig mee aan de slag moet kunnen: zonder grote investeringen of een jarenlange planning.”

Bouwstenen

Naast de ontmoetingstuin gaat het onder meer om een soepmaaltijd waar mensen elkaar ontmoeten en een mobiel kerkje dat op ieder gewenste locatie is neer te zetten. Alle vijf de voorbeelden zijn uitgebreid beschreven, waarbij bouwstenen worden aangereikt om het initiatief in de eigen gemeente vorm te geven.

,,Met handen en voeten en woorden en daden willen we werken aan het koninkrijk van God. De geselecteerde projecten geven voorbeelden van hoe eenvoudig dat kan zijn”, zegt Wierenga over het initiatief.

,,We willen er voor zorgen dat kerken en kerkmensen weer ideeën krijgen over hoe ze de verbinding met buurtgenoten kunnen aangaan. Vaak weten we niet meer hoe we het gesprek buiten de kerkmuren kunnen beginnen. Je kunt deze initiatieven dus ook zien als oefenplekken voor kerken.”

Later dit jaar willen de organisatoren netwerkontmoetingen organiseren voor kerken die met de voorbeelden aan de slag willen. De voorbeeldprojecten zijn te downloaden via www.kerkindebuurt.nl.

Baudet en Jezidi’s

Contrapunt
Sytze Faber

Het was een topweek voor Thierry Baudet. Hans Wiegel, die op zijn initiatief in Zuid-Holland tot informateur werd benoemd, meldde dat Forum voor Democratie hoogstwaarschijnlijk (met CDA en VVD) deel gaat uitmaken van het provinciaal bestuur. Een doorbraak! Daarnaast slaagde Baudet erin Henk Otten, bijgenaamd Henk de Tank, politiek te ontmannen.

Veertien dagen geleden waste Otten in een interview in NRC Baudet onverwacht de oren. Hij zei dat Thierry te veel met zichzelf is ingenomen, geen teamspeler is. Ook laakte hij zijn doorgeschoten (wit) nationalistische koers, waardoor Forum belandt op de ultra-rechtse flank waar hij, Otten, niets mee van doen wil hebben.

Haags journaille likkebaardde. Baudet was de regie kwijt!! Het zag, evenals Otten zelf, over het hoofd dat politieke leiders met een bovengemiddelde eigenliefde per definitie geen kritiek en concurrentie dulden. In februari vorig jaar maakte Baudet ongemeen korte metten met twee prominente FvD’ers die pleitten voor wat meer sprankjes partijdemocratie. In een handomdraai werden ze als partijlid geroyeerd. En dan zou Otten de Forum-leider ongestraft publiekelijk kunnen afzeiken? Kom nou. In een mum van tijd was het gedaan met koopman Otten.

Ontdaan

Ondanks dat hij voor Baudet op de knieën ging, werd Otten klinisch en vakkundig in vier dagen ontdaan van zijn vier partijfuncties. De kandidatenlijst voor de Eerste Kamer was de deur al uit naar de Kiesraad. Daar kon hij niet meer afgehaald worden. Maar het fractievoorzitterschap, dat hem bij voorbaat door Baudet in geuren en kleuren was toegezegd, kan hij op zijn buik schrijven. Henk de Tank veranderde in een ommezien van een zwaan in een lelijk eendje, waarvan het ruggengraatje bovendien erg broos oogt. Zijn uitspraken in NRC slikte hij in. Staat de man wel ergens voor?

Na zijn sterk aandachttrekkende overwinningstoespraak op de avond van de Statenverkiezingen schreef ik de opvattingen van Baudet verwerpelijk te vinden. Qua vormgeving en techniek vond ik de speech echter een bovenslag. Het wordt er natuurlijk niet beter van als het een met het ander samen gaat. Maar daarmee hebben we het nog niet gehad.

De afwikkeling van de affaire Otten laat zien dat Baudet ook de fijne knepen van cynische machiavellistische machtspolitiek in de vingers heeft. En nog belangrijker: hij gelooft tot in zijn tenen dat hij uitverkoren is de blanke beschaving te vrijwaren van meer vreemde smetten. Te wapen tegen vermeende samenzweringen van buitenaf (de EU) en tegen interne rot: de vermeende ondermijning van onze samenleving door vreemdelingen, wetenschappers, leerkrachten, journalisten. Verdraagzaamheid wordt geframed als iets voor weke watjes.

4 mei

Retorische en machiavellistische talenten, ideologische gedrevenheid: een puik recept voor electoraal succes. Buma en Rutte kunnen er niet tegen op. Kiezen daarom voor het Oostenrijkse recept: opschuiven in rechts-nationalistische richting.

Afgelopen week werd bekend dat bij de IND de humaniteit het opnieuw heeft afgelegd tegen de technocratie. Jezidi’s, een religieus en etnisch minderheidje, worden al eeuwenlang wereldwijd opgejaagd, gediscrimineerd, vermoord, verkracht. Zij hadden verreweg het meest te lijden van IS, vooral de vrouwen. De oorspronkelijke jezidische provincie Sinjar ligt totaal in puin. Toch stuurt de IND Jezidi’s terug naar hun erbarmelijke, afgesloten tentenkampen in Iraaks Koerdistan. Ze zitten daar vaak al vijf jaar en hebben volgens de IND ‘dus’ een veilige thuishaven. Je moet er maar op komen.

Van de regeringspartijen kwam alleen CU’er Voordewind in het geweer. De Duitse regering haalt momenteel op eigen initiatief getraumatiseerde Jezidische vrouwen uit de kampen om ze te helpen. Zo kan het ook op 4 mei.

Reageren? fabersyma@gmail.com

Zizioulas zoekt rijke visie op mens-zijn

Tjerk de Reus

‘We voelen ons steeds meer bedreigd door de aanwezigheid van de ander’, schrijft Ioannis Zizioulas. Om een uitweg te vinden uit het individualisme, neemt Zizioulas zijn lezers mee naar het dogma van de goddelijke drie-eenheid.

Het is niet zomaar een boek, Gemeenschap en andersheid, geschreven door de Grieks-orthodoxe theoloog Ioannis Zizioulas (1931). Afgelopen week verscheen het in een Nederlandse vertaling, op 17 mei wordt er een symposium aan gewijd (zie kader) met tal van sprekers. Gemeenschap en andersheid is een type boek dat je ‘fundamenteel’ moet noemen: Zizioulas, vertegenwoordiger van de oosterse orthodoxie, gaat met een zeldzaam soort grondigheid in op de vraag wie de mens eigenlijk is: een wezen dat zich onderscheidt van medemensen én in gemeenschap met anderen leeft.

Zizioulas vestigt de aandacht op dit thema omdat we vastlopen in ons individualisme. Dit is niet alleen een reactie op de hedendaagse cultuur, die al heel lang als individualistisch geldt. Zizioulas reikt ver terug in onze Europese geschiedenis om zijn heil te zoeken in de vroege eeuwen van het christendom. Daar zijn de bronnen te vinden waaruit hij wil denken: de kerkvaders, en dan met name de Griekse kerkvaders, zoals de bekende Cappadociërs en iemand als Maximus Confessor.

In de ‘inleiding’ van zijn omvangrijke boek geeft Zizioulas meteen een duidelijk beeld van zijn overtuiging en denktrant. De westerse cultuur kent een sterke focus op het ik en op het individu, zodat ‘de ander’ een probleem is geworden, legt hij uit. ‘Bescherming tegen de ander is in onze cultuur een fundamentele noodzaak. We voelen ons steeds meer bedreigd door de aanwezigheid van de ander.’ En: ‘De wortels zelf van ons bestaan zijn aangetast door een ziekte die we bij onze geboorte al meekrijgen: de angst voor de ander.’

Actueel kader

Met zijn cultuurkritische waarnemingen plaatst Zizioulas zijn boek in een actueel kader. Dat speelt ook zeker een rol in het boek en geeft er urgentie aan, maar de actualiteit staat niet op de voorgrond. Het gaat hem om het vinden van een uitweg, om een rijkere visie op mens-zijn.

Die zoekt hij nadrukkelijk in de vroege eeuwen van het christendom en dan met name in de leer over de drie-eenheid. Ook de tweenaturenleer, geformuleerd tijdens het concilie van Chalcedon (451), speelt een grote rol: God en mens komen in Christus samen: enerzijds ‘onvermengd’, maar ook ‘ongescheiden’.

Over zijn theologische positie schenkt Zizioulas in de inleiding klare wijn: ‘Noch voor de Kerk, noch voor de mens bestaat er een ander model voor de juiste relatie tussen gemeenschap en andersheid dan de Drie-ene God. Als de Kerk trouw wil zijn aan haar ware zelf moet zij proberen een afspiegeling te zijn van de gemeenschap en andersheid die bestaat in de Drieene God.’ De kern van zijn overtuiging luidt dan dat het ‘andersheid’ niet begrepen kan worden zonder ‘relatie’. De namen van de goddelijke drie-eenheid – Vader, Zoon, Geest – zijn namen die een relatie uitdrukken. Zoals het is voor God, zo is het ook voor de mens: ‘Niemand kan anders zijn tenzij hij in een relatie staat. Gemeenschap bedreigt andersheid niet; gemeenschap brengt andersheid voort.’

Geduld

De hierboven geciteerde zinnen laten meteen al zien dat Gemeenschap en andersheid geen boek is dat je eventjes uitleest. Het belang van dit boek is geweldig groot, dat stellen ook bisschop Gerard de Korte en de anglicaanse theoloog Rowan Williams in hun voorwoorden bij dit boek. Maar het boek kan alleen iets betekenen in de handen van geduldige, geconcentreerde lezers.

Wie in die categorie valt, krijgt veel terug voor zijn of haar inspanningen. Bijvoorbeeld het inzicht dat de vroege kerkvaders niet zomaar Grieks dachten, dus in lijn met de destijds geldende Griekse filosofie. Nee, zegt Zizioulas: eerder is er sprake van het ‘omverwerpen, bekeren en dopen van de Griekse geest’, zelfs van een ‘radicale kerstening van het hellenisme’. Waar zit dat in, die omkering? Kort gezegd, in de gedachte dat er ‘verschil’ is tussen God en de wereld.

Dat lijkt een vrij normale uitspraak, maar in de destijds geldende Griekse filosofie was het ‘zijn’ eeuwig en onveranderlijk. Als er al een godheid was, zoals bij Plato, dan was die godheid op een noodzakelijke wijze verbonden met de wereld. Uiteindelijk was alles eenheid, bij de Grieken.

Anders-zijn

De christelijke theologen uit met name de vierde eeuw waren hier ‘net zo ongerust’ over, schrijft Zizioulas, ‘als over de diverse ketterse ideeën van hun tijd.’ In hun theologie legden zijn alle nadruk op het anders-zijn van God, mens en wereld.

Daarmee kwam de vrijheid in beeld: God schept de mens niet omdat hij niet anders kán, maar als een vrije daad van liefde. Zizioulas: God ‘schept omdat Hij iets in het bestaan wil roepen dat anders is dan Hijzelf, ‘iets’, waarmee Hij in dialoog kan staan en waarmee Hij gemeenschap kan hebben.’

In het Griekse denken lag veel nadruk op de geestelijke werkelijkheid. De kerkvaders legden juist de nadruk op het concrete, werkelijke bestaan van de mens en de schepping. Zizioulas gebruikt hier steeds de filosofisch term ‘ontologisch’, om aan te geven dat het om een werkelijk bestaan gaat, niet om iets wat alleen als gedachte geldt. In het Griekse denken kon de schamelheid van de mens niet al te veel interesse opwekken: het ging juist om het goede en schone in hun een volmaakte, geestelijke vorm.

Hoe anders is dan de christelijke boodschap, realiseerden de kerkvaders zich. Zizioulas: ‘Een lelijk mens, of erger nog, een zondaar liefhebben’ is in de Griekse filosofie ‘ondenkbaar’. Want een zondaar is ‘iemand die de harmonie van de morele wereld’ verstoort. De god van Plato ‘is niet vrij, in tegenstelling tot de God van de christenen die zondaars en de ‘lelijken’ misschien wel meer liefheeft dan degenen die ‘mooi en goed’ zijn.’

Ascese

In deze sfeer schrijft Zizioulas ook over ascese of boetedoening, een belangrijk aspect van het vroegkerkelijke geloofsklimaat. We moeten daarbij niet denken aan een vorm van zelfkwelling die je losmaakt van de concrete wereld van gebrekkige mensen, schrijft Zizioulas. ‘In de ascetische ervaring (…) houdt men nu juist van wie aan lager wal geraakt en lelijk is.’ Het gaat er om dat het christelijke leven is geconcentreerd op de zondaar: ‘niet uit neerbuigendheid of medelijden, maar vanuit een vrije existentiële betrokkenheid bij de gevallen menselijke staat.’

Zizioulas behandelt veel in zijn boek. In het achttal soms zeer uitvoerige hoofdstukken schrijft hij indringend over betekenis van Christus’ opstanding en over de overwonnen werkelijkheid van de dood. Je proeft door alles heen een theologische oriëntatie die we in de westerse theologie niet zo kennen. Dat maakt dit boek extra welkom, als een vernieuwende, fundamentele bijdrage aan het blijvende gesprek over mens, God en wereld.

Gemeenschap en andersheid. Theologie van de persoon. Ioannis Zizioulas. Vertaald door Hildegard Koetsveld. Uitgeverij Skandalon/ Halewijn. 36,50 euro