door
Pier Bergsma
|
Sociologe Rineke van Daalen schrok van het beeld dat in de media geschetst wordt van het vmbo. Haar nieuwste boek Het vmbo als stigma geeft tegenwicht. Ik herinner me dat een van de Friese scholen voor beroepsonderwijs een paar jaar geleden adverteerde met ‘de koninklijke weg’. Die school bedoelde dat leerlingen via het vmbo en het mbo konden doorstromen naar het hbo. Je kunt ‘laag’ beginnen en ‘hoog’ eindigen.
Net alsof het hoger beroepsonderwijs het ideaal van elke leerling zou moeten zijn. Onbedoeld schetste die advertentie een negatief beeld van het lager en middelbaar beroepsonderwijs. Als je mee wilt tellen, dan moet je blijkbaar hoog opgeleid zijn. Onze overheid laat niet na om mensen voor te houden dat de toekomst van Nederland ligt in de kenniseconomie.
Met het verlies van duizenden banen bij Organon in Oss kunnen daar vraagtekens bij gezet worden. Ook kennis is blijkbaar geen garantie om werk te kunnen behouden.
Er zijn nog andere bezwaren tegen de grote nadruk op een hoge opleiding. Voor veel beroepen is helemaal geen langdurige studie nodig. Iemand met een universitaire opleiding kan na nog een passende praktijkopleiding bakker worden, maar voor zijn werk is het niet noodzakelijk dat hij universiteit deed, en ik zou verbaasd zijn als de slager mij bij het verkopen van een geroosterde kip verslag zou doen van zijn pas gelezen boek over de filosofische achtergronden van de rechten van dieren. Voor het roosteren en verkopen van mijn kip maakt het niet uit.
Gelukkig zijn er genoeg mensen die voor een praktisch een nuttig beroep kiezen zonder zich te bekommeren om de vraag of het wel ‘hoog’ genoeg is. Onze samenleving zou totaal ontwricht raken met alleen economen, juristen, ict’ers en andere gestudeerde types.
Maar het grootste bezwaar tegen de nadruk op hoge opleidingen is de suggestie dat mensen met een eenvoudiger beroep, zeg maar een beroep dat je met je handen uitvoert, blijkbaar van minder belang voor de samenleving zijn. Zestig procent van de jongeren tussen de 12 en 16 jaar gaat naar het vmbo. Al vanaf de invoering wordt het schooltype afgeschilderd als schrikbeeld, als onderwijs voor verliezers in de kenniseconomie. Vandaar dat sociologe Rineke van Daalen het woord stigma gebruikt in de titel van haar boek. En het de ondertitel meegaf: Lessen, leerlingen en gestrande idealen. Het boek gaat over de ontstaansgeschiedenis van het vmbo en geeft een algemene en brede beschouwing.
Daarnaast doet de schrijfster verslag van haar eigen ervaringen op scholen die ze bezocht. Er doen zich zeker problemen voor in het lager beroepsonderwijs, maar met de meeste leerlingen gaat het goed. De spanning tussen denken en doen, tussen theoretisch en praktisch onderwijs is aanwezig en moeilijk op te lossen. Helaas is een belangrijke doelstelling van het vmbo mislukt: het tegengaan van de statusdaling van het lager beroepsonderwijs. In de schoolse rangorde staat dit schooltype laag op de ladder. Van Daalen toont aan dat het schrikbeeld dat door de media is opgeroepen onterecht is. Op het gevaar van die beeldvorming kom ik de volgende keer terug.
Blijkbaar is een beroep dat je met je handen uitvoert van minder belang voor de samenleving
|