door
Pier Bergsma |
New York plaatste in 1918 de eerste stoplichten. In Nederland werd het vrouwenkiesrecht van kracht. Keizer Wilhelm II vluchtte naar Nederland en in een trein te Compiegne werd de wapenstand van de eerste wereldoorlog getekend. Maar het was ook het jaar waarin Nescio zijn Titaantjes publiceerde. Tegelijk met Dichtertje en De Uitvreter kwam het nu uit in boekvorm. Het was eerder als verhaal verschenen in het tijdschrift Groot Nederland. Nescio heette eigenlijk Jan Hendrik Frederik Grönloh (1882 – 1961) en werkte net als schrijver Willem Elsschot in het zakenleven. ,,Ik heb altijd stilgehouden dat ik schreef, want ik heb mijn leven lang op een kantoor gezeten en als ze in zulke kringen merken, dat je zulke neigingen hebt, denken ze alleen maar dat je niet deugt voor je werk”, vertelde hij later.
‘Jongens waren we - maar aardige jongens.’ Dit is de beroemde openingszin van Titaantjes, één van de mooiste verhalen uit de Nederlandse literatuur. Koekebakker, één van de Titaantjes, blikt terug in de tijd en schetst hoe een groep jongens niet aan hun jeugdidealen kan vasthouden. Aan dit verhaal van Nescio uit 1918 werd het motto van de 75e Boekenweek ontleend: ‘Titaantjes - Opgroeien in de letteren’. En daarmee staat jong zijn en opgroeien centraal in de Boekenweek van 2010.
De Nederlandse en internationale literatuur is rijk aan romans over de periode die leidt naar volwassenheid. Schrijvers creëerden vele jonge hoofdpersonen die legendarisch geworden zijn, zoals Multatuli met Woutertje Pieterse, Theo Thijssen met Kees de Jongen en Gerard Reve met Frits van Egters. In Titaantjes waren we schrijven 75 auteurs ter gelegenheid van de 75e Boekenweek een brief aan hun jonge ik. Zoals Adriaan van Dis: ‘Veel van wat jij nu uitspookt, blijft tot aan je dood in je kop zoemen, wist je dat? Elke kras komt terug: nederlagen, bedrog, diefstal, lafheid. En de plaatsen waar je niet mocht komen, bezoek je later het meest.‘
Toen ik dit laatste las op de site van de Boekenweek, moest ik denken aan het prachtige boek van Gerrit Breeuwsma Het vreemde kind. De kindertijd als sleutel tot onszelf. Het verscheen vorig jaar april. Breeuwsma werkt als ontwikkelingspsycholoog in Groningen. Hij schrijft: ‘Herinneringen die stammen uit de kindertijd zijn als scherven. Vindplaats en diepte geven een indicatie van hun ouderdom, het onderwerp van de betekenis, zoals een motiefje op een scherf een beeld geeft van de tekening op een schaal of kom. Maar hoe overtuigend de vondsten soms ook zijn, altijd blijft de twijfel, zijn er grenzen aan de nauwkeurigheid van de datering, blijft er het gat tussen scherf en schaal, en is het zelfs mogelijk dat de scherf uit het verleden een andere herkomst heeft dan de vinder vermoedt, of wordt zelfs getwijfeld aan de integriteit van de vinder. Heeft hij de scherf er misschien zelf neergelegd?’
|