Auteursarchief: webredactie

Aan de andere oever

Tamarah Benima

Als er een joods huwelijk is, wordt er een contract opgesteld, de zogeheten ketoeba. Daarin staat wat de bruid mee krijgt als het huwelijk wordt ontbonden (in ieder geval wat zij zelf heeft ingebracht). Een joods huwelijk is geen sacrament. Als je wilt dat jouw huwelijk ‘heilig’ is, dan moet je het zelf heilig maken.

Een joods huwelijk is een overeenkomst tussen twee partijen. Om het een zakelijke overeenkomst te noemen gaat te ver, maar de opbouw van een huishouden staat voorop; de romantiek komt later wel. Dat zie je het best bij de gearrangeerde huwelijken zoals bij ultra-orthodoxe Joden. Een huwbaar meisje en een huwbare jongeman (of vrouw en man) ontmoeten elkaar, het klikt, ze trouwen, het klikt niet, ze trouwen niet. Pas na het trouwen ontstaat de liefde.

Is er eigenlijk een ketoeba voor landen die toetreden tot de Europese Unie? Een contract vooraf over wat de voorwaarden zijn als een land weer uit de EU wil? Gezien de brexit moet de conclusie zijn: nee. EU-toetreding lijkt wel een katholiek huwelijk, waaruit geen ontsnappen mogelijk is. Huiselijk geweld, alcoholisme, totaal niet bij elkaar passen: niets is reden tot echtscheiding. Is het toeval dat met name de van huis uit katholieke Fransen de toetreding van de Anglicaans-protestantse Engelsen twaalf jaar hebben tegengehouden, en dat diezelfde Fransen nu niets willen weten van uitstel van de brexit?

Maar de andere (van huis uit) katholieke EU’ers dan? De een miljoen Polen die zich in Engeland hebben gevestigd, en de Poolse regering die niets liever wil dan dat zij terugkomen om de economie te versterken? Frankrijk stuurt aan op een harde brexit, Polen op een zachte.

Invoer- en uitvoerrechten

Behalve over rechten van EU-burgers en nog vele andere onderwerpen, gaat de brexit ook over invoer- en uitvoerrechten. Misschien blijft Engeland wel in een zogeheten douane-unie. De parallel met een kleine twee eeuwen geleden biedt zich aan. Toen wist Pruisen de hegemonie over de Duits-sprekende staten te veroveren op Oostenrijk. Dat deed het door langzaam, maar gestaag een douane-unie te bouwen tussen de afzonderlijke Duitse staten. De Zollverein kwam er in 1842. (Uiteindelijk bleek die de basis voor de vorming van het samengesmolten Duitse Keizerrijk in 1871). Douane-unies waren de basis voor politieke machtsconcentraties, in het midden van de negentiende eeuw. In 1841 wisten de Fransen te voorkomen dat België zich aansloot bij een douane-unie tussen Engeland en Oostenrijk. Als je erover leest, lijkt het alsof je over de uiteenspattende brexit-onderhandelingen leest. De centralistische tendensen van Frankrijk en Duitsland zijn nog net zo springlevend als toen, en de krachten die niets van centralistische politiek moeten hebben, bijvoorbeeld Engeland, ook. De breuklijnen liggen zó diep en gaan zo ver terug, dat het vreemd, onhandig en onverstandig is dat daar zo bitter weinig over wordt gesproken in media en politiek.

De EU is geen huwelijk waarbij de liefde wel zal opbloeien na de toetreding. Een bruid en een bruidegom hebben genoeg uren samen om aan de liefde te werken, met staten, volkeren en politici kunnen er nooit uren genoeg zijn. De brexit is een vechtscheiding geworden. Of, om een ander beeld te gebruiken in de Pesachtijd, een verwoestende Exodus uit Egypte. Het Kanaal lijkt een beetje op de Rietzee. De brexiteers willen niets liever dan een bestaan op de andere, goede, oever. Berooid of niet, niets beters dan ontsnapt te zijn aan farao Jean-Claude Juncker en diens generaals als Guy Verhofstadt en Frans Timmermans. De brexit-voorstanders zijn geen slaven, maar ze ervaren zich zo, gevangen gehouden in een ongewenst huwelijk. Dat is deels overdreven, maar mijn sympathie hebben ze.

Kerkcampus: nieuwe inspiratieplek voor christelijk Nederland

Lodewijk Born

De Samen-op-Wegkerken openden in 1999 het Landelijk Dienstencentrum in Utrecht. Nu komt de Protestantse Kerk met een nieuw idee: een Kerkcampus.

Als het aan de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) ligt, verrijst er op een nader te bepalen locatie in het midden van het land een ‘kerkcampus’. Op dat terrein zouden meerdere christelijke organisaties hun kantoor kunnen vestigen. Dat blijkt uit een visiedocument en begeleidende notitie die de generale synode van de Protestantse Kerk op 25 april in Doorn bespreekt.

Het idee hiervoor past allemaal in een proces wat al in 2015 werd ingezet. Toen kwam er een rapport uit van de commissie-Van Dijk, waarbij ook de bestaande huisvesting van de landelijke kerk tegen het licht werd gehouden. De opstellers constateerden toen dat, ondanks het feit dat in het digitale tijdperk op allerlei manieren contact kan plaatsvinden, de ‘fysieke nabijheid en gedeelde lokaliteit van groot belang blijft voor goede en creatieve samenwerking’.

Advies: de PKN zou er goed aan doen–meer dan tot nu toe gebeurde – ‘de Utrechtse locatie in te richten als een ‘kerkcampus’ waar allerlei organisaties, uiteraard liefst partnerorganisaties, kantoor kunnen houden en faciliteiten kunnen delen’. In 2017 werd gestart om dat plan verder te doordenken; het leidde tot een samenwerkingsovereenkomst tussen de Protestantse Kerk in Nederland, de Gereformeerde Zendingsbond (GZB), de Hervormd-Gereformeerde Jeugdbond (HGJB) en de vereniging voor zending in Nederland (IZB).

Ondernemerschap

Het campusconcept krijgt in de nieuwe plannen nog meer vorm. Het is gebaseerd op wat er in de jaren vijftig in de Verenigde Staten te zien was bij universiteiten. De campus werd daar niet alleen een plek om te studeren maar ook een locatie voor het ‘stimuleren van academisch ondernemerschap, het creëren van samenwerkingsverbanden tussen de industrie en de universiteit en het aanwakkeren van werkgelegenheid voor afstudeerders’, zo is te lezen in het door adviesbureau Brink opgestelde visiedocument.

Een ‘Kerkcampus’ zou gepositioneerd moeten worden ‘in een inspirerende omgeving in het centrum van het land, open en midden in de maatschappij. Een duurzame huisvesting met de uitstraling van een sobere en landelijke kerk met zichtbare verwijzingen naar het geloof.’

Er zijn al verkennende gesprekken gevoerd met zo’n vijftig ‘geïnteresseerde organisaties’ die een plek zouden kunnen krijgen op de campus. Daaronder zijn de partijbureaus van de ChristenUnie en de SGP, organisaties als het Evangelisch Werkverband, Op Goed Gerucht, de EO en instellingen als de Christelijke Hogeschool Ede en de Protestantse Theologische Universiteit. Op het terrein moet iedere organisatie een eigen kantoorruimte krijgen.

Gezamenlijk

Daarnaast zijn er plannen voor een gezamenlijk restaurant en een „verbindende” kapel. Die laatste is bedoeld als plek waar ‘campusbewoners en -bezoekers een gezamenlijk morgengebed, een viering of een dagsluiting bij kunnen wonen.’

Op een extra informatiebijeenkomst van de generale synode op8maart is een eerste presentatie geweest over de kerkcampus. Algemeen directeur Jurjen de Groot van de Protestantse Kerk heeft nu in een begeleidende notitie de achtergronden van het hele idee uitgelegd.

Hoe de leeftijdsopbouw in de Protestantse Kerk aan het veranderen is en de betrokkenheid in kwantitatieve zin afneemt. Simpeler gezegd: het slinkende ledental. ‘Het aantal 65- plussers is sterk oververtegenwoordigd en het aantal jongeren ondervertegenwoordigd. Dat betekent dat het verlies van leden door overlijden niet voldoende gecompenseerd wordt door aanwas van de jongere generatie.

De kerk in zijn algemeenheid en daardoor ook de Protestantse Kerk is in zwaar weer beland. De kerk krimpt en er ontstaan grote vragen over een duurzame toekomst.’

Gevangen

De Protestantse Kerk stelde zelf in de notitie Waar een Woord is, is een weg (2015) vast: ‘Het lijkt alsof we gevangen zijn in onze eigen kerkcultuur. We stralen voor velen uit een besturenkerk te zijn.’ Terwijl de plaatselijke kerk iets anders vraagt: meer dienstverlening en begeleiding. Het is niet alleen iets van de PKN; andere christelijke organisaties en instellingen zoeken ook naar ‘hoe het verder moet voor de toekomst’.

De kerkcampus beoogd een inspirerende broedplaats te zijn voor betrokken gemeenteleden, jongeren en ambtsdragers. ‘Door het brede aanbod van de betrokken organisaties zal de campus de plaats worden waar bijvoorbeeld jongerenorganisaties hun training voor jeugdwerkers gaan aanbieden of waar zendings- en ontwikkelingsorganisaties hun vorming en toerusting voor ZWO-commissies gaan verzorgen’, aldus De Groot.

Daarnaast zal de kerkcampus een plek kunnen zijn waar toerusting en nascholing kan plaatsvinden. ‘Op deze manier wordt de kerkcampus de plaats waar de (onverwachte) ontmoeting kan plaatsvinden tussen denominaties, classes, ambtsdragers en ‘gewone’ kerkleden en tussen jong en oud’.

Centrale plek

Indirect zullen medewerkers van de verschillende organisaties niet alleen hun directe collega’s ontmoeten, maar ook die van andere organisaties. ‘Deze dynamiek schept een cultuur waar nieuwe ideeën zullen ontstaan, bestaand werk wordt versterkt en ondersteuning aan elkaar als dienstverlenende organisaties geboden wordt’. Op de campus zou ook een ‘plaza’ ingericht moeten worden voor symposia en kennisbijeenkomsten. ‘Deze zijn toegankelijk voor leden van plaatselijke gemeenten en classes.’

Een centrale plek in het land moet de plaatselijke gemeenten ook helpen om beter zicht te hebben op wat er allemaal door verschillende organisaties – die zich op hetzelfde werkveld richten-wordt aangeboden. Nuis het zo dat ‘de plaatselijke gemeente door de bomen het bos niet meer ziet en wordt uitgeput door een te groot aanbod, wat men plaatselijk allemaal niet meer aan kan.’

Stoppen of aanpassen

Het is de bedoeling dat de generale synode in november 2020 een definitief besluit neemt over de kerkcampus. In de vergaderingen van november 2019 en april 2020 staan de plannen ook op de agenda. ‘Het is mogelijk om bij iedere fase, bij gebleken onhaalbaarheid, het besluitvormingsproces te stoppen of aan te passen’, zo wordt vooraf al gezegd.

Dat er, net als bij de realisatie en uitvoering van Nieuw Hydepark, ook nu weer gesproken wordt om een ‘bijzondere commissie van rapport kerkcampus’ in te stellen, is echter een teken dat intern al heel wat nagedacht is door moderamen en het bestuur van de dienstenorganisatie.

Voor er groen licht komt voor een dergelijk project zal eerst de synode én vooral ook de PKN-achterban in het land op een voorzichtige wijze vertrouwd moeten worden met het idee. De synode van 25 april is direct al een lakmoesproef.

Grapperhaus: van Paulus naar Saulus

Contrapunt
Sytze Faber

Het is essentieel dat burgers justitie en politie kunnen vertrouwen. Dat zijn immers de steunberen én de boegbeelden van onze democratische rechtsstaat. Zijn de verantwoordelijke minister Ferdinand Grapperhaus, de politieleiding en het Openbaar Ministerie daarvan voldoende doordrongen? Daar lijkt het niet op.

Tien jaar geleden vond de politiek dat er stevig bezuinigd moest worden op de rechtspraak. Reden dat het Openbaar Ministerie de (oneigenlijke) bevoegdheid kreeg van de strafbeschikking. Dat wil zeggen dat ze – zonder tussenkomst van de rechter – straffen kan opleggen aan verdachten van een groot aantal delicten. Per jaar worden er liefst 30.000 van die strafbeschikkingen uitgesproken. Dat scheelt inderdaad een knuistvol rechters, maar het heeft zijn prijs.

Wegens tekortschieten van het OM wordt jaarlijks gemiddeld 2000 keer ten onrechte een strafbeschikking opgelegd. Dat is nogal wat. Het betekent dat in ons land per jaar bijna 2000 burgers ten onrechte een strafblad aangesmeerd krijgen. Met voor hen alle onaangename maatschappelijke gevolgen van dien.

Tijdens een debat afgelopen woensdag bleek dat het de Tweede Kamer gelukkig (eindelijk) over de schoenen begint te lopen. Grapperhaus blijft echter maar om de hete brij heen drentelen. Deinst terug voor de heisa als al die onterecht veroordeelde burgers hun zaak begrijpelijkerwijs willen gaan heropenen. Voor een minister van Justitie een verwerpelijke afweging. Hij dient ten principale de kant te kiezen van de slachtoffers van een justitiële dwaling.

Aangifte

Dan de politie. Als je creatief boekhouden onder de knie wilt krijgen dan moet je daarheen. Dat blijkt uit een recent onderzoek van Investico, Platform voor onderzoeksjournalistiek. Bijna 1500 agenten deden eraan mee. Het is bij de politie de gewoonste zaak van de wereld dat cijfers worden gemanipuleerd. Om het mooier te laten lijken dan het in werkelijkheid is.

Misdrijven worden in de statistieken moedwillig niet opgenomen of verkeerd geregistreerd. Oplossingspercentages worden geflatteerd. Politiebonzen roeptoeteren dat de misdaad zienderogen daalt, de afgelopen vijf jaar met maar liefst 35 procent! Daarbij moet, blijkt uit het rapport van Investico, echter heel wat voor het krimpen worden gerekend.

Om aannemelijk te maken dat het in ons land met de dag veiliger wordt, wijzen politieofficieren graag op het dalende aantal aangiftes. Ammehoela.

Geen sinecure

Voor miljoenen Nederlanders is het doen van een aangifte namelijk geen sinecure. Dat moet bij voorkeur online gebeuren via de DigiD- app. Ook al is men vertrouwd met DigiD dan kan men toch verstrikt raken – ik kan erover meepraten – in koppel- en QR-codes.

Er is een alternatief: persoonlijk aangifte doen op een politiebureau. Daarvoor moet men via een landelijk telefoonnummer een afspraak maken. Dat bleek in mijn geval, geen uitzondering werd me verzekerd, zes dagen te moeten duren.

De politie bezweert burgers voortdurend vooral aangifte te doen van overtredingen en misdrijven. Zorg dan echter wel voor een klantvriendelijke, laagdrempelige procedure. Anders zijn ook dat praatjes voor de vaak.

Apekool

Ik vind het nog het schokkendst dat politieofficieren misdaadcijfers manipuleren zonder zich te generen voor hun ondergeschikten. Die weten doorgaans heel goed dat hun chefs apekool verkopen. Er lijkt een flinke steek los te zijn bij de organisatiecultuur binnen de politie.

Als hoogleraar schreef Grapperhaus graag beeldend en verontwaardigd over de ‘rafels’ aan onze rechtsstaat. Als bewindspersoon laat hij de lelijke rafels van het creatieve boekhouden bij de politie en de door het OM 20.000 aangenaaide strafbladen ongemoeid. Bij zijn oversteek naar de politiek lijkt hij van een Paulus een Saulus te zijn geworden. De omgekeerde bekeringsgang.

Reageren? fabersyma@gmail.com

Dostojevski weet nog altijd te boeien, ook in een nieuwe vertaling

Tjerk de Reus

Schuld en boete zijn belangrijke noties op de weg naar Pasen. Ze worden des te meer relevant als je erover leest bij Dostojevski, de grote Russische schrijver. Zijn boek Misdaad en straf is opnieuw vertaald.

Heel lang heeft Misdaad en straf (1866) een andere titel gehad: Schuld en boete. Ongetwijfeld is er vanuit de originele Russische tekst meer te zeggen voor de titel Misdaad en straf, reden waarom ook de gloednieuwe editie in de Russische Bibliotheek van Van Oorschot deze titel meekreeg. Maar vanuit de kerkelijke terminologie ligt er een link met de begrippen ‘schuld’ en ‘boete’, vanouds de ingrediënten van de lijdenstijd: de weken van bezinning op weg naar Goede Vrijdag en Pasen.

Tegenwoordig word je op alle mogelijke manieren gestimuleerd om deel te nemen aan dit voorbereidingstraject, van bezinning tot bezuiniging op je eet- of consumptiepatroon. Ook dat heeft oude papieren. Maar een literair auteur als Dostojevski heeft daar iets aan toe te voegen. In zijn romans, en zeker ook in Misdaad en straf, legt hij het vergrootglas op de mens en laat hij het licht schijnen in de duistere uithoeken van de ziel – zonder in moralisme te vervallen.

Daarmee is Dostojevski tegelijk ouderwets én relevant voor vandaag. Zelfkritisch je bestaan onder ogen zien, zonder je heil te zoeken in geruststellende antwoorden, ligt niet erg voor de hand in onze cultuur van persoonlijke autonomie en nadruk op eigenwaarde.

Eyeopener

Ook in kerken is dit in toenemende mate een probleem: begrippen als schuld en boete durven we alleen nog bedremmeld en met een vergoelijkend glimlachje te gebruiken. Maar het kan juist een eyeopener zijn en zelfs een opluchting om via de personages bij Dostojevski zicht op jezelf te krijgen als eindig mens, beperkt in alle opzichten.

Het christendom speelt een grote rol speelt in Dostojevski’s werk. Maar dat beperkt de aantrekkingskracht van zijn werk niet, alsof alleen gelovige lezers er iets mee zouden kunnen. Hij schrijft ook zeer invoelend over het atheïsme en bespreekt de vervallen staat van de kerk. Als Dostojevski in Misdaad en straf de misdadige mens schetst, die een straf tegemoet kan zien, raakt hij aan universele kenmerken van de mens. Door de tijd heen heeft hij hiermee vele lezers aangesproken en weten te boeien.

De vertaler van de nieuwe uitgave van Misdaad en straf, Hans Boland, schrijft in het boekje Van mensen die geen enge grenzen erkennen. Dostojevski leren lezen over zijn vertaalwerk, dat we ‘dode grote schrijvers’ lezen ‘om naar onszelf te kijken met ogen van toen we er nog niet waren en vanuit een perspectief dat onze huidige ideeën in een heel ander, verrassend kader plaatst’.

En als het gaat om de christelijke aspecten in het werk van Dostojevski, schrijft Boland: ‘Zelf gevoel ik bijvoorbeeld geen enkele behoefte aan een goddelijke instantie, en liefde voor God kan men naar mijn idee niet tot leidraad van het leven nemen zonder dat men verraad pleegt aan de mens – aan zichzelf. Maar dit inzicht heb ik mede te danken aan de desperate godzoeker Dostojevski.’ Niet iedereen zal deze conclusie met hem delen, maar het geeft wel aan hoe breed de menselijke ervaring in zijn romans geschetst wordt.

Dichterbij

Met zijn nieuwe goed leesbare vertaling brengt Boland Dostojevski nog dichterbij. Hoofdpersoon in Misdaad en straf is de student Rodion Romanovitsj Raskolnikov. Hij vermoordt een oude vrouw, Aljona Ivanovna. Hij is straatarm en beleent bij haar zijn waardevolle spullen. In ruil ontvangt hij een handvol roebels. Aljona Ivanovna is een woekeraarster, ze maakt winst uit andermans armoede – en Raskolnikov voelt zich in haar macht.

Tegen die achtergrond lijkt het niet onbegrijpelijk dat hij speelt met de gedachte haar rijkdommen haar afhandig te maken. Maar wat is ‘begrijpelijk’ in de wereld van Dostojevski’s werk? Raskolnikov kan het geld prima gebruiken, maar hij heeft geen zucht naar rijkdom. Wat dan wel? Voorafgaand aan de moord denkt hij dat het geld van de woekeraarster de mensheid gelukkiger kan maken. Nu houdt zij het in bezit en na haar dood zal het geld worden geschonken aan een klooster.

Wie wordt daar beter van? Als hij haar uit de weg ruimt, zullen veel anderen daar baat bij hebben, meent hij. Maar gedurende het verhaal ontdekt Raskolnikov stukje bij beetje dat de humane ideeën die hij koestert, niet deugen. En hij komt tot het inzicht dat hij gedreven wordt door het verlangen zich boven de wet te stellen. Diep in Raskolnikovs ziel huist een grenzeloos egoïsme, gepaard aan een sterke drang zichzelf te hullen in onaantastbaarheid. Als hij na de moord op Ivanovna ziek van ellende is, angstig en onzeker, beseft hij dat hij door de mand gevallen is.

Alternatief

Toch heeft Dostojevski de zaak niet ‘opgelost’ in zijn roman. Er is niet zomaar een ommekeer aan te wijzen bij Raskolnikov. Maar de schrijver toont wel een duidelijk alternatief: het christelijke principe van de zelfopoffering. Dat wordt tastbaar in een sterk personage naast Raskolnikov, in wie de waarden van zelfopoffering en ‘liefde tot het einde’ belichaamd zijn: Sonja, de hoer. Deze liefhebbende vrouw reist Raskolnikov achterna, als deze zijn straf zal moeten ondergaan in Siberië.

Misdaad en straf. F.M. Dostojevski. Vertaald door Hans Boland. Uitgeverij Van Oorschot. 45,00 euro
Van mensen die geen enge grenzen erkennen. Dostojevski leren lezen. Hans Boland. Uitgeverij Pegasus. 17,50 euro

De liberale wind door de Raad van State

De Haagse week
Henk van der Laan

In de inleiding van het jaarverslag van de Raad van State schrijft de vicevoorzitter altijd een kritische beschouwing. Omdat dit het eerste jaarverslag is van de nieuwe vicevoorzitter Thom de Graaf was vooraf de vraag waar hij zijn eerste pijlen op zou richten. Het werden de akkoorden.

Het is al een paar jaar een politieke trend om beleid te maken door akkoorden te sluiten. We hebben het Woonakkoord gehad, het Sociaal Akkoord, het Klimaatakkoord en wie weet binnenkort een pensioenakkoord. Het recept is simpel: om een ingrijpende beleidswijziging te maken nodigt een minister zo veel mogelijk belanghebbende partijen uit om aan overlegtafels te gaan zitten. Dit leidt tot een pakket maatregelen. En dat wordt beleid.

Typisch polderpolitiek: iedereen moet meepraten en uiteindelijk moet er iets liggen waar zoveel mogelijk partijen zich zoveel mogelijk in terug zien.

Eigen belang

De Graaf vindt echter dat wetgeving door de wetgever moet gebeuren: dat zijn de regering en het parlement samen. Maar ‘de wetgever leunt steeds vaker en intensiever op andere partijen om tot wetgeving te komen’. Op zich wel een goed streven, maar een wet mag niet ‘louter een product zijn van een of meer groepen in de samenleving’ laat staan dat de wetgever slechts de taak overhoudt om de akkoorden af te stempelen tot wet. Want het grootste bezwaar is dat al deze belanghebbende partijen niet het algemeen belang voor ogen hebben, maar hun eigen belang. Terwijl regering en parlement juist wel zijn verkozen om het algemeen belang te dienen, elk vanuit een eigen ideologische invalshoek.

Het is een verhaal dat beter past bij de vrijzinnig-liberaal De Graaf (D66) dan bij Piet Hein Donner, zijn voorganger. Donner is CDA’er, de partij bij uitstek die sterk gelooft in overleg met het maatschappelijk middenveld. Liberalen als De Graaf hebben veel minder op met de polder.

Goed voorbeeld was het ministerie van Landbouw in de Paarse jaren (1994-2002). Voorheen was Landbouw een bolwerk waar CDA-politici en boerenbelangorganisaties dicht op elkaar zaten en samen het landbouwbeleid bepaalden. De VVD-minister Jozias van Aartsen beperkte de macht van dit zogeheten ‘Groene Front’ door ook andere organisaties, zoals natuur- en milieuclubs, uit te nodigen.

Taaier dan gedacht

Het was overigens de enige liberale aanval op het maatschappelijk middenveld die in de Paarse jaren lukte. VVD en D66 wilden maar wat graag af van allerlei adviesorganen onder het mom van ‘het primaat van de politiek’. Maar dat lukte, behalve op Landbouw, nauwelijks. De overlegstructuur was taaier dan gedacht. En coalitiepartij PvdA werkte ook niet mee. Daar was Wim Kok, de premier van de Paarse kabinetten, niet rouwig om. Als oud-vakbondsleider was Wim Kok natuurlijk gepokt en gemazeld polderman.

De reactie van de liberaal Mark Rutte op De Graaf was gisteren opmerkelijk. Zo lang het sluiten van akkoorden maar functioneel is, vindt de premier het goed, als maar wel duidelijk is wie welke rol heeft. Maar hij heeft niet de indruk dat er zo veel gepolderd wordt dat dit niet meer het geval is. Sterker nog: Rutte is misschien wel de enige liberaal die de polder prijst: ,,Het is traditie om draagvlak te zoeken,” zei hij. ,,Bij die traditie voel ik me thuis.”

Weetwatjegelooft gaat video’s over geloof en Bijbel gratis aanbieden

Jan Auke Brink

De website Weetwatjegelooft.nl biedt met ingang van 1 mei de 250 videolessen van het platform gratis aan. Dat kan dankzij een legaat dat de Theologische Universiteit Kampen heeft ontvangen.

De website Weetwatjegelooft biedt een breed spectrum aan video’s en online cursussen, van ‘Missionair jongerenwerk’, over hoe jongeren bij de kerk te betrekken, tot ‘Reformatie nu’, over de ontwikkelingen in 400 jaar protestantisme.

Het platform is in 2010 ontstaan als een samenwerking tussen de Theologische Universiteiten van Apeldoorn en Kampen en hogeschool Viaa in Zwolle, destijds onder noemer AKZ+ – naar de eerste letters van de plaatsen waar de initiatiefnemers gevestigd zijn.

De drie instellingen wilden academische kennis delen. ,,Dat deden ze destijds door bijeenkomsten te organiseren”, zagt de huidige projectmanager dr. William den Boer. ,,Toen ik er in 2015 bij kwam hebben we de overstap naar digitaal gemaakt: we zijn de bijeenkomsten live gaan streamen op onze website.”

Groter publiek

Dat werkte: met de video’s werd een groter publiek bereikt. Maar tegelijkertijd voelden minder mensen de noodzaak om naar de bijeenkomsten te komen, omdat ze het ook vanuit huis konden bekijken. ,,We hebben toen besloten om te stoppen met de bijeenkomsten en de video’s in een studio op te nemen. Zo konden we professioneler werken. Er staan nu zo’n 250 video’s op de site en als je die uit de beginperiode vergelijkt met wat we nu maken, dan zie je een groot verschil.”

Voor de activiteiten van AKZ+ was vanaf het begin geen financiering beschikbaar. Incidenteel werden fondsen geworven, daarnaast konden mensen zich abonneren – eerst op de bijeenkomsten, later op de online video’s. ,,In de beginperiode begon dat met zo’n tweehonderd euro om een serie lezingen te bezoeken. Later zakten we naar 150 euro. Nu zitten we op 49 euro per jaar om onbeperkt video’s op de website te bekijken, en 29 euro voor studenten.”

Daarnaast hebben kerkelijke gemeenten de mogelijkheid om een abonnement af te sluiten, waarbij alle gemeenteleden dan een eigen account kunnen krijgen. De website telt nu zo’n duizend abonnees. ,,Het groeit wel iets, maar langzaam. Het blijft moeilijk om geld te vragen voor digitale content”, constateert Den Boer.

Legaat

Een legaat, nagelaten aan de Theologische Universiteit Kampen, biedt nu de mogelijkheid om de abonnementsstructuur af te schaffen. ,,Jan de Jong, bestuurder bij de universiteit, kwam laatst naar me toe. Hij vertelde dat er een legaat was, waarvan niet was vastgelegd hoe de universiteit het geld zou moeten gebruiken. Hij wilde het inzetten om Weetwatjegelooft gratis te maken. Daar ben ik natuurlijk heel blij mee.”

De Jong kiest voor deze besteding van het geld omdat hij het belangrijk vindt de verbinding tussen universiteit, kerken en samenleving te versterken. Met het gratis aanbieden van het materiaal wordt de naam AKZ+ afgestoten en is Weetwatjegelooft de nieuwe merknaam. TU Kampen wordt officieel de eigenaar van het materiaal. De instellingen in Apeldoorn en Zwolle blijven betrokken als partner, maar er kunnen ook nieuwe partners aansluiten. Zo wordt momenteel in opdracht van de Unie van Baptisten en de ABC-gemeenten de missionaire studiedag missie.nu 2019 georganiseerd en wordt er op verzoek gewerkt aan een videocursus van het boek Centrum- Kerk van Tim Keller.

Vanaf 1 mei zijn alle video’s op www.weetwatjegelooft.nl gratis.

Echt waar?

Even stilstaan
Gabriël Anthonio

Er zijn van die verhalen die anderen de wenkbrauwen doen optrekken. Het verhaal wordt met energie en plezier door iemand ingezet. Er wordt gelachen, maar dan komt de dodelijke reactie waardoor iedereen stilvalt. ‘Nee, echt waar? Is dat echt gebeurd?’

De verhalenverteller kan dan in de valkuil stappen door het verhaal te verdedigen. De aandacht gaat dan uit naar of het verhaal wel of niet waar is. De inspiratie, de emotie of de humor zijn verdwenen. De verhalenverteller wordt overhoord of hij of zij wel de waarheid spreekt of niet overdrijft, Een andere reactie is dat de verhalenverteller gekrenkt reageert: „Nou ik zal nog eens wat leuks vertellen, jullie geloven me toch niet.”

Ook hier zijn de inspiratie, de emotie of de humor verdwenen. Jammer. Verhalen gaan niet over waar of niet waar, maar vaak over een perspectief. Hoe iemand iets heeft waargenomen, gezien en geïnterpreteerd. Verhalen zeggen dus vaak veel over een gebeurtenis, maar ook over de verteller zelf.

Gouden munt

Het is warm in de collegezaal. Ondanks de kou buiten schijnt een sterke zonnestraal door het raam naar binnen. De studenten hebben rode wangen. Sommigen gapen, lurken aan een fles water of knabbelen op een rijstcracker. Na mijn inleiding over story telling, de kracht van verhalen en vertellen en onderzoek doen via verhalen, zal Tim een presentatie houden. De groep is verbaasd dat Tim geen presentatie, geen dia’s of filmpje heeft meegenomen. Tim loopt eerst wat heen en weer voor de groep. De spanning stijgt. Wat zal Tim te vertellen hebben over dit onderwerp? Dan haalt hij een munt tevoorschijn. Een glimmende gouden munt.

„Ik ga jullie het verhaal van deze munt vertellen.” Hij legt de munt voor zich op tafel neer. Alle ogen zijn gericht op de glimmende munt, die steeds groter lijkt te worden door de weerkaatsing van het zonlicht. „Ik ga natuurlijk niet zeggen waar ik deze munt heb gevonden, maar zal wel het verhaal vertellen. Ik hoop een goed verhaal, want daar gaat dit college over. Ik ben al een tijdje met twee vrienden met metaaldetectors voorwerpen aan het zoeken. We vinden van alles. Stukken metaal, knopen van uniformen uit de oorlog, hulzen van kogels, maar ook deze Franse gouden munt. Het is een soort verslaving. We moeten, ja moeten, elke zaterdag eropuit. Het is een soort gokken, iedere keer vind je wat anders. Meestal niets van waarde, maar soms wel. Deze munt is een paar duizend euro waard. Ze worden zelden in Noord-Nederland gevonden. Misschien uit de veertiende eeuw, maar dat zoeken we nog uit. Willen jullie weten hoe het ging? Nou, ik liep daar dus met mijn vrienden op dat maisveld. We hadden alleen wat stukjes schroot gevonden en een gesp, van een moderne riem. Niets van waarde dus. En ineens zag ik een haas wegschieten. Ik loop naar dat holletje in het veld toe om te kijken hoe dat eruitziet. Niets bijzonders, een kuiltje met wat hazenhaartjes op de bodem. Onbewust zet ik mijn detector erop. En die geeft signaal, en hoe. Voorzichtig woelen we de grond om en daar vind ik deze munt. Het is alsof deze haas de munten heeft bewaakt en mij ernaartoe heeft gelokt.”
„Wat vinden jullie van mijn verhaal?” Niemand reageert op deze vraag. Een studente steekt haar hand op. „Eh, Tim vertel eens. Is dit echt gebeurd?” „Nee joh”, roept een ander. „Al het is maar een verhaal, hazen bewaken geen munten.” Gelach. „Toch, Tim?”

„‚Nee, ik ga niet zeggen of het waar is. Het gaat erom dat jullie het verhaal beoordelen. Wat vinden jullie van het verhaal?”

Boeiend

„Nou, best wel boeiend”, probeert iemand voorzichtig. „Je ziet het op de een of andere manier voor je.”

Opnieuw graait Tim opzichtig in zijn broekzak. „En nu? Wie gelooft nu dat het verhaal waar is?” Hij legt een tweede gouden munt naast de eerste.

„Nee, Tim, nu ga je te ver”, roept een van de studenten. „Leuk verhaal, maar nu wordt het ongeloofwaardig. Een haas die op een munt ligt? Eén munt oké, maar twee is te veel.”

In beweging

Tim buigt zijn hoofd. Dan haalt hij uit een mapje een krantenartikel tevoorschijn. Een foto van de twee munten, en de locatie wordt genoemd. „Zie je wel, het is wel waar”, roept een student die lang en ademloos heeft geluisterd. Tim vraagt nog even de aandacht. „Wie wil mee, volgende week zaterdag een keer met de detector op pad?” Zeker tien studenten steken hun hand op. „Mijn doel is bereikt”, stelt Tim. „Een goed verhaal zet mensen in beweging. Het gaat er niet om of het echt is gebeurd.”

Ik knik instemmend, maar na afloop van het college vraag ik Tim of het verhaal echt klopt. Tim haalt zijn schouders op. „Dat maakt toch niet uit? Komt u de volgende keer ook mee?”

De verleiding is groot, maar ik blijf zaterdag toch maar thuis. Ik moet nog een verhaal voor de krant schrijven met als titel ‘Echt waar?’

Gabriël Anthonio is bestuurder bij Verslavingszorg Noord Nederland en bijzonder hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Onrechtvaardigheidsgevoel is de basis van radicalisering

Pieter Anko de Vries

De terugkeer van geradicaliseerde moslimstrijders en of hun kinderen is in ons land een heikel politiek punt. Waarom zijn ze zo extremistisch geworden? En kunnen ze ooit gederadicaliseerd worden?

Radicalisering zie je bij moslim-extremisten, mensen met ultra-rechtse denkbeelden en aanhangers van extreemlinkse standpunten. En er is één grote gemene deler: ze vinden allemaal dat ze onrechtvaardig worden behandeld. En daarover worden ze boos. Niet gewoon boos, zoals door de bank genomen vredelievende, democratisch denkende burgers, maar blijvend boos. Ze willen dingen rechtzetten, onrecht bestrijden, en het gebruik van geweld wordt daarbij een optie waarvoor niet wordt teruggeschrokken. Ze kunnen hun gevoelens niet beteugelen.

Hoogleraar sociale psychologie en empirische rechtswetenschap aan de Universiteit Utrecht Kees van den Bos heeft in zijn onlangs verschenen boek Waarom mensen radicaliseren onderzocht hoe radicaliserende mensen denken en hoe zij de wereld waarnemen. Hij heeft onder meer de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) geadviseerd over manieren waarop radicalisme kan worden aangepakt.

Bij de groep mensen aan de uiterste linkerkant is vooral het verondersteld maatschappelijk onrecht dat hen naar een radicale, gevaarlijke hoek laat drijven. Zij zetten zich bijvoorbeeld meedogenloos in voor de rechten van dieren of voor sociale gerechtigheid. Daarvoor is geen middel te zwaar. Zo vonden leden van de RAF in de jaren zeventig in Duitsland dat politiemensen konden worden gedood omdat die maar ‘zwijnen’ waren. Bij radicale moslims richt het gevoel van onrechtvaardigheid zich met name tegen de overheid. Zij vinden dat die niet goed genoeg voor hen opkomt. Maar ook bijvoorbeeld werkgevers zoals de bazen van supermarkten moeten het ontgelden omdat ze problemen hebben met het dragen van hoofddoekjes.

Serieus genomen

Rechts-extremisten denken met name dat zij oneerlijk behandeld worden vergeleken met nieuwkomers. Voor immigranten wordt gezorgd, die krijgen de banen en de huizen, terwijl de autochtone bevolking zich maar op eigen kracht moet zien te redden. Alle drie de groepen worden verteerd door een gevoel van serieus te willen worden genomen, iets wat in hun ogen niet gebeurt.

Het onderzoek van Van den Bos naar de oorzaken van radicalisering is helder als glas, maar als het aankomt op de bestrijding ervan zegt hij zelf dat dit een ingewikkelde zaak is. Het meeste heil ziet hij in preventie van radicalisering. Dat houdt in dat de autoriteiten vermeende en echte gevoelens van onrechtvaardigheid (ook vermeende gevoelens kunnen in de perceptie van degenen die ze hebben als ‘echt’ worden ervaren) weg proberen te nemen. Een voorbeeld dat Van den Bos (verklaard atheïst) zelf geeft: waarom is het Suikerfeest geen officiële vrije dag en tweede pinksterdag wel. Niet dat hij daar expliciet voor pleit, maar dit is een van de vragen die de samenleving zich moet stellen en waarover moet worden nagedacht, zo stelt hij.

Nog moeilijker (maar het kan wel) is mensen die al geradicaliseerd zijn van hun heilloze weg af te brengen. Er zijn hiervoor vanuit de psychologie talloze programma’s bedacht waarvan het ene succesvoller is dan het andere. Centraal moet staan dat ze hun gevoelens leren te beteugelen. En dat ze leren dat hun waarheid niet de enige waarheid is. Dat is een ingewikkelde psychologische leerweg die bij de een makkelijker verloopt dan bij de ander. Maar veel anders hebben we niet.

Waarom mensen radicaliseren. Kees van den Bos. Prometheus, 17,99 euro

Wijze les van pater Frans van der Lugt: ‘lawaai van ons denken’ afleggen

Koen Gerling

De Nederlandse jezuïet Frans van der Lugt, ‘pater Frans’, wordt op 7 april 2014 gedood in de Syrische stad Homs. Vijf jaar later verschijnt een bundel met door hem geschreven teksten. Over innerlijke kracht, geloof en leven.

De katholieke Van der Lugt ziet op 10 april 1938 het levenslicht. Hij doorloopt het Amsterdamse Sint Ignatiuscollege en treedt toe tot de jezuïetenorde. Zijn talent om te leren blijkt groot. De studies filosofie en theologie volgen. Ook promoveert Van der Lugt in de psychologie.

Sinds de jaren zestig onderhoudt hij contacten met het Midden-Oosten en maakt hij zich het Arabisch eigen. Syrië trekt hem het meest. Hij vertrekt eerst naar Damascus en vanaf 1993 woont en werkt hij in Homs. Daar wijdt hij zich aan de hulp aan kinderen met een handicap, maar in 2011 moet hij zijn inspanningen door de burgeroorlog staken. Het huis van de jezuïetenorde in het belegerde Homs wordt zijn thuis. Zij aan zij met de burgers van Homs blijft Van der Lugt waar hij zit, tot zijn gewelddadige dood. Hij wordt met pistoolschoten omgebracht.

Verzameling

Dat Wie ben jij, o liefde het ‘verzamelde werk’ van pater Frans is, moet enigszins genuanceerd worden. Het gaat om een verzameling van een drietal boeken: Van falen naar slagen (1991), Liefde en luisteren (1992) en Wie ben jij, o liefde (1996). Los van deze werken kent Van der Lugt een uitgebreider oeuvre, denk aan zijn proefschrift uit 1976.

De titel Wie ben jij, o liefde is dus gebaseerd op de genoemde publicatie uit 1996. Zonder verwarrende theologentaal komen diverse onderwerpen aan bod als ‘succes’, ‘gebeden’ en ‘ouder-kindrelaties’. Alles wordt in een christelijk, Bijbels perspectief geplaatst. Door de korte hoofdstukken en verschillende ‘psychologische casussen’ krijgt het geheel een zeer hanteerbaar, praktisch karakter.

Destijds zijn de drie teksten geschreven in het Arabisch. De Nederlandse vertaling is van Cilia ter Horst. Zij draagt goede herinneringen aan pater Frans en hun contact in Syrië. ‘Frans sprak de taal van zijn naaste’, schrijft Ter Horst in haar inleiding. Ongetwijfeld zal dit Van der Lugts grote kwaliteit zijn geweest. Als je Wie ben jij, o liefde leest, valt nog meer op: zijn vertrouwen op innerlijke kracht, maar ook het belang van geloven voor het leven hier en nu.

Geloof en psychoanalyse

Het christelijk geloof combineert Van der Lugt met zijn gedegen kennis van de psychoanalyse en doet dit op een begrijpelijke, aansprekende manier. Een casus in het boek gaat over Jamiel. Deze jongen heeft slechte ervaringen met de liefde. Zijn verloofde Rajaa heeft hem verlaten en is een relatie aangegaan met een andere jongen. Hij voelt zich verraden. Gaandeweg leert hij echter om zijn tekortkomingen onder ogen te zien en er niet voor weg te lopen.

Van der Lugt trekt hier een heldere conclusie: ‘Een van de grootste successen van de mens is het vinden van een bron in zichzelf die hem helpt zijn mislukkingen te accepteren en de oversteek naar nieuw leven te maken.’ Je kunt meer dan aanvankelijk voor mogelijk gehouden.

Duidelijk is pater Frans een intellectueel is, maar bepaald geen kamergeleerde. Met al zijn vermogens zet hij zich in voor medemensen, voor een andere, mooiere wereld. Zijn kundigheid, niet alleen als theoloog, maar ook als psychoanalist komt hierbij van pas. Op die manier heeft hij bij anderen kwaliteiten naar boven gehaald waar zij zichzelf nooit van bewust zijn geweest.

Anekdotes

Graag vertelt Van der Lugt anekdotes. Ooit bevond hij zich in de natuur. Het was schitterend om hem heen. Alleen besefte hij op een gegeven moment daar totaal geen oog voor te hebben. Met zijn hoofd zat hij heel ergens anders. Al die omringende schoonheid stond op een tweede plaats. Dit realiseerde hij zich en: ‘Ik stopte met denken en plannen en ik gaf mezelf over aan de stilte die mij omhulde om in mijn dieptes af te dalen.’

Het geloof is niet een theorie, maar een levende werkelijkheid die zich toont in het dagelijks bestaan. Het ‘lawaai van ons denken’ afleggen, daartoe roept Van der Lugt op. Zo leren we oprecht te luisteren en kan het komen tot authentieke ontmoetingen. Met de natuur en bovenal met medemensen en God.

Voor Van der Lugt biedt Jezus daarbij inspiratie: ‘Hij laat God een bron zijn in zijn leven met de anderen.’ Christus is het ultieme voorbeeld van hoe met de wereld om te gaan: ‘Als een goede herder wil hij dat de mensen uit de schuur van de mislukking, de dood en de zonde komen om de weide van de liefde te betreden.’ Tot het einde toe heeft Van der Lugt Jezus hierin nagevolgd, vooral gezien de vasthoudende betrokkenheid op Syrië.

Nauwelijks valt het boek los te zien van de vreselijke oorlog in dit land en wat er vijf jaar geleden met pater Frans is gebeurd. Zo ontstaat er een schrijnend beeld. Alles bij elkaar levert Wie ben jij, o liefde een buitengewoon confronterende leeservaring op.

Wie ben jij, o liefde. Verzameld werk van pater Frans. Frans van der Lugt. KokBoekencentrum, 19,99 euro.

Vastentijd op school: ruim twee weken zonder smartphone

Lodewijk Born

Niet alleen in de kerk of thuis kun je de vastentijd een invulling geven. Ook op school. ROC Friese Poort pakt het dit jaar op met 40DAGENdeTIJD. Angela Hendriks (18) gaat proberen twee weken zonder smartphone te leven.

De vastentijd is een periode van bezinning, bewustwording, ontmoeten, doen en vooral ook laten, meent de school. Onder de noemer 40DAGENdeTIJD startte ROC Friese Poort op Aswoensdag, 6 maart, een campagne gericht op medewerkers en studenten. Elf studenten en zeven docenten van de mbo-opleiding sociaal werk gaan sinds deze week tweeënhalve week de uitdaging aan om hun zo geliefde smartphone niet te gebruiken. April op stil heet de actie die tot en met Witte Donderdag (18 april) loopt.

Angela Hendriks (18) uit Bolsward geeft toe dat ze wel over de streep getrokken moest worden om mee te gaan doen. ,,Ik had er een mailtje over gekregen, en had toen direct zoiets van: dat lijkt me wel leuk om aan mee te doen, maar verder besteedde ik er geen aandacht meer aan.” Een van haar docenten, Jeroen de Jong, zei dat hij het echt iets voor haar vond. Eén dag voor het verstrijken van de aanmelddatum, schreef Angela zich nog in. ,,Meedoen is best wel een dingetje voor mij. Want al mijn afspraken, ook voor mijn stage, lopen via WhatsApp en natuurlijk alle contacten met vriendinnen en dergelijke.”

Gewoonte

De smartphone en het gebruik daarvan is ,,een gewoonte” voor haar geworden in haar leven; daarmee past ze in het plaatje van tieners, maar ook van veel volwassenen die niet meer zonder de mobiele telefoon lijken te kunnen.

,,WhatsApp, Facebook, Snapchat, Instagram, als ik er een berichtje op binnenkrijg, kijk ik meteen. Ik gebruik de telefoon ook voor navigatie in de auto. Dus dat ga ik wel missen. Ik verdwaal geheid zonder navigatie, dus ik heb gevraagd of ik een TomTom mag lenen – en die krijg ik straks ook nog.”

Angela heeft geen idee hoeveel uren per dag ze met haar smartphone bezig is – ,,ik ben volgens mij niet verslaafd” – maar vanaf het opstaan tot het slapengaan heeft ze de mobiele telefoon binnen handbereik. ,,Als ik ga slapen, dan leg ik ‘m op mijn bureau. Dan gaat de wifi uit en ook het mobiele netwerk schakel ik uit. De smartphone gebruik ik dan alleen als wekker.”

Ze is zelf ,,niet gelovig en ook niet zo opgevoed”, dus ze verbindt de actie ook niet met de veertigdagentijd zoals christenen die kennen. ,,Ik kan me wel voorstellen dat christenen voor zo’n periode kiezen. Dat je even iets níét doet. Voor mijzelf heeft van iets afzien te maken met een proces van bewustwording en zelfontwikkeling als persoon.”

Rookvrij

Ook andere perioden van het jaar kiest Angela daar soms voor. ,,Bijvoorbeeld na 1 januari. Ik heb wel eens geprobeerd om te stoppen met roken, maar dat is niet gelukt.” ROC Friese Poort heeft de veertigdagentijd nu ook aangegrepen als startsein om op dat terrein iets te doen.

Op 15 augustus 2019 worden alle vestigingen van ROC Friese Poort namelijk gehéél rookvrij. ROC Friese Poort is al sinds 2015 een bijna volledig rookvrije school. Alleen op één buitenplek op schoolterreinen mag nu nog gerookt worden.

Met ingang van 1 augustus 2020 zijn alle scholen landelijk verplicht hun schoolterrein rookvrij te maken. ROC Friese Poort heeft besloten om hier al een jaar eerder mee te beginnen. De onderwijsorganisatie wil een duurzame en gezonde school zijn. Dat begint onder meer met het motiveren van studenten en medewerkers om te stoppen met roken. Stoppers krijgen ondersteuning in de vorm van voorlichting, tips en een digitale community.

Via een speciale website konden studenten en medewerkers opgeven waar zij veertig dagen mee wilden stoppen. Stoppen met roken, veertig dagen stoppen met sociale media of bepaald gedrag. ROC Friese Poort heeft niet gemeten hoeveel mensen daadwerkelijk meedoen, en waar tijdens de veertigdagentijd mee is gestopt, aldus woordvoerder Ilse van der Weide. Ook niet van het stoppen met roken. ,,De insteek van 40DAGENdeTIJD is vooral een stukje bewustwording. Hebben we voldoende aandacht, voor onszelf, voor elkaar en de wereld om ons heen?”

Niet meer appen

Terug naar de groep met de smartphones. Hoe werkt dat? De veertien deelnemers aan April op stil zijn niet totaal onbereikbaar. Ze krijgen in het kader van het project een Nokia waar ze alleen mee kunnen bellen en sms’en. ,,Ik heb mijn omgeving wel even ingelicht dat ze me niet meer kunnen appen. En ook aan de collega’s op mijn stageplek Amaryllis, waar ik taalles geef, mensen help bij het vinden van vrijwilligerswerk en aan huiswerkbegeleiding en coaching doe”, zegt Angela.

Dinsdagavond ging de eigen smartphone de kluis in. Op 18 april, Witte Donderdag, krijgen de studenten ’s avonds hun mobieltje terug. ,,Of ik dan al die gemiste oproepen en berichten nog ga beantwoorden? Dat hangt er van af of het nog noodzakelijk is.” Ze denkt zelf dat het niet gemakkelijk gaat worden om 2,5 week zonder smartphone te leven. ,,Het is het gemak dat je direct even iets op kan zoeken op internet. Zelfs voor naar welk klaslokaal ik moet voor de lessen, kijk ik op mijn mobiel. Nu moet ik dat al eerder doen op mijn laptop… Ik zal best wel wat gefrustreerd raken, denk ik.”

Tegelijk vindt ze ook dat het even afzien van een smartphone haar kan helpen om ‘meer in het hier en nu te zijn’. Ze zag op internet het artikel over fotograaf Ritzo ten Cate. Die legde de bezeten blikken vast die mensen op hun gezicht hebben als ze met hun mobiel bezig zijn. ,,Toen schrok ik toch wel. Ben ik ook zo, dacht ik toen.”

De actie April op stil wordt op Witte Donderdag op school afgesloten. Studenten die meededen hebben kaarten gekregen voor de voorstelling van actrice Pip Pellens in de Harmonie (Pip Goes Offline). Iedere vestiging van ROC Friese Poort besteedt op haar eigen manier aandacht aan Pasen tijdens Witte Donderdag. ,,Zo hebben wij bijvoorbeeld een identiteitsmiddag met onder meer een lezing van schrijver Kader Abdolah.” Ook is er een speciale lesbrief en poster rondom Pasen ontwikkeld. Dit kunnen docenten gebruiken voor hun lessen. Dit jaar is het thema ‘Helden’.