Auteursarchief: webredactie

Culturele verschillen in Jemen: waarom zijn we anders?

Matthijs Brouwer

Na onze prettige samenwerking hoorde ik niets meer van hem. Pas deze week realiseerde ik me wat er aan de hand was.

Ja, in ons werk komen we in aanraking met veel verschillende culturen. En dat dit gepaard gaat met andere communicatievormen, daar liep ik nu echt tegenaan.

Het speelt zich af in Jemen, waar momenteel de grootste humanitaire crisis wereldwijd plaatsvindt. De noden zijn amper te bevatten; 23 miljoen van de 28 miljoen Jemenieten hebben behoefte aan psychische of humanitaire hulp. Tien miljoen mensen weten niet waar hun volgende maaltijd vandaan moet komen en zestien miljoen ontberen toegang tot behoorlijke gezondheidszorg.

Om een verschil te maken, willen veel hulporganisaties daar aan de slag. Zo ook wij. Vanwege de benodigde registratie zoeken we een lokale contactpersoon – een zogeheten fixer – met goede contacten bij de overheid, zodat we kunnen bouwen op bestaande relaties.

Via via vonden we iemand, hij werkte voor een lokale hulporganisatie en was bereid om ons te helpen. Voor z’n eigen werk moest hij al veel op het ministerie zijn, onze registratie kon hij wel combineren. We boden hem een contract aan, maar dat sloeg hij tot tweemaal toe af – hij heeft per slot van rekening al een baan en mag contractueel geen ander werk aannemen. Hij helpt ons graag, zegt hij, en dat wil hij dan ook wel doen zonder financiële compensatie. Hij gelooft in ons werk en een baan in het vooruitzicht wanneer de registratie is gelukt, is wat hem betreft genoeg.

Stempel

Gedurende de daaropvolgende maanden zijn veelvuldig formulieren ingevuld, brieven ondertekend en, erg belangrijk, gestempeld met ons logo om te worden ingeleverd bij het ministerie. De fixer deed z’n best en met resultaat: in april ontving ik een visum.

Op de luchthaven word ik opgewacht door de fixer. We tellen 30 april en we hebben nog een aantal werkdagen voordat de ramadan van start gaat. Ik druk hem op het hart dat ik echt wil dat die registratie er komt, vrezend voor de vertraging van de vastenmaand. Op1mei belt hij dat we op 2 mei welkom zijn op het ministerie. Getooid in pak met stropdas en met m’n stempel stap ik de volgende ochtend in de auto.

Het bezoek aan het ministerie blijkt een fluitje van een cent. De fixer introduceert me met trots aan diverse mensen, de ambtenaren zijn duidelijk bekend met het dossier. Ze vragen nog even waar het geld van onze projecten vandaan dient te komen. Het antwoord Europa stemt ze tot tevredenheid. Vervolgens wordt er gewacht. Ik ontvang een kop lokale koffie. Het kleine kantoor heeft geen airco. De deur naar de veranda en de ramen staan wagenwijd open, maar het blijft heel warm. Tegenover mij zitten een aantal vrouwen achter een computer, ieder bedekt onder een nikab, de zwarte gezichtsbedekking met een sleuf voor de ogen. Verschillende ogen kijken me vriendelijk aan.

De opwinding in het kantoor stijgt wanneer een militaire entourage getooid met camouflagepakken en kalasjnikovs het kantoor binnenkomt. Dr. Busahaib, de vice-minister van het Ministerie van Projecten en Internationale Samenwerking is onderweg! Het blijkt een kwestie van minuten. Bijna voordat ik er erg in heb, zit ik in zijn grote kantoor en nemen we na een kort praatje plaats achter een grote tafel. We tekenen de documenten, gevolgd door een fotoshoot. De registratie is een feit, we kunnen beginnen om het programma op te zetten.

Netwerk

Om onze registratie te vieren leggen we ’s avonds wat verse vis, kreeft en garnalen op de barbecue. De volgende dag vraag ik de fixer of hij ook nog had gevierd. En ja, hij dat had hij: samen met de mensen van het ministerie had hij qat gekauwd, een drug van verse groene bladeren. Ik realiseer me beter hoe goed zijn netwerk daar is.

Maar daarna heb ik niet heel veel meer vernomen van onze fixer. Hij was wel telefonisch beschikbaar om mijn chauffeur de weg te wijzen naar de juiste mensen binnen het ministerie, maar hemzelf zag ik niet meer. Nu ja, hij werkte per slot van rekening nog voor een ander organisatie, en ik begreep dat de voedseldistributies die zij deden z’n aandacht nodig hadden. Zeker met het naderende einde van de ramadan en het aanstaande Suikerfeest.

Dankbaar voor alle geboekte vooruitgang vroeg ik mijn team om hem een contract aan te bieden. Als hij enige weken niets van zich heeft laten horen, stuur ik hem een WhatsApp. Beleefd bericht hij me terug en stuurt het team een email dat hij het aanbod afslaat. Ik ben verbaasd, dus vraag hem of er specifieke redenen zijn. Wellicht was het aanbod niet goed genoeg? Hij is wederom beleefd, benadrukt dat hij onze relatie waardeert maar dat hij niet meer enthousiast is om bij ons te komen werken.

Open kaart

Dat dat bleef me toch verbazen. Tot ik deze week een collega van een andere hulporganisatie sprak. Ze kende hem al langer en hij had open kaart met haar gespeeld. ,,Matthijs, voor de Jemenieten is geld heel belangrijk”, begon ze.

Ik voelde ‘m aankomen. Hij was teleurgesteld dat we hem niet hadden betaald voor zijn inzet rondom de registratie – terwijl wij er op hadden aangedrongen en hij had gezegd dat hij geen compensatie hoefde. Misschien hadden we niet lang genoeg aangedrongen, omdat het in deze cultuur niet eerzaam is om te snel op een dergelijk aanbod in te gaan. Vanwege de grote waarde die men hier hecht aan relaties, had hij dat niet tegen mij kunnen zeggen – dan zou hij de relatie met mij kunnen schaden, of me kunnen beschamen.

Tja, culturele verschillen – we denken soms dat we elkaar goed begrijpen, maar spreken een totaal andere taal. Ik vind het wel jammer in deze – hij was een leuke kerel met een geweldig netwerk! Maar goed, ik ben dankbaar voor de rol die hij heeft kunnen vervullen.

Matthijs Brouwer is landendirecteur van Jemen voor Medair. Hij woont in Aden (Jemen).

Schoon, mooi en rein

Tamarah Benima

De woning was een tijdlang de huisvesting van twee studenten. Allebei uit zeer verschillende culturen afkomstig. Beide culturen staan bekend als ‘schoon’. Dat wil zeggen: gepoetste ramen en gootstenen, geschrobde gangen en straten. „We hebben het schoon achtergelaten”, verzekerde een van de studenten mij. De jongeman heeft kennelijk een heel andere besef over ‘schoon’ dan ik. Bovendien was het een bende in het huis. Niet op het eerste gezicht, maar wel als je de kasten opendeed. Het is allemaal niet zo erg, ware het niet dat ik me zorgen maak over de verdeling van huishoudelijke taken als zij later een partner hebben.

Zelfs als ze de handen uit de mouwen willen steken met het huis op orde houden en schoon, zijn deze veelbelovende en intelligente jongemannen er gewoon niet toe in staat. Niemand heeft het ze geleerd. Hun vaders en moeders niet, en ze hebben het ook niet geleerd tijdens militaire dienst (zoals vroeger), want ze zijn niet in dienst geweest. Zou het een idee zijn om bij alle financiële krapte die scholen treft, de middelbare scholieren het praktische onderwijs te geven (meisjes én jongens) dat meisjes vroeger op de huishoudschool kregen? Of is dat tegen de mensenrechten van scholieren?

Opgeruimd

Ik heb geen obsessie met schoon. Ik heb geen smetvrees (en ook nooit gehad). Maar het is mijn diepe overtuiging dat een schoon en opgeruimd huis, kantoor, werkplaats of fabriek meehelpt om gedachten schoon en opgeruimd te houden. Dat mijn overtuiging eerder een illusie is, is duidelijk: de kazernes en barakken van legers van autoritaire regimes waren (en zijn) extreem schoon, juist autoritaire en vaak wrede ouders en leraren waren (en zijn) geobsedeerd met reinheid en zuiverheid, en mensen met smetvrees hebben wel degelijk verkeerde ideeën – over zichzelf en over anderen.

En toch geloof ik in opgeruimdheid en reinheid. Ook in het wetenschappelijke denken. Menig wetenschapper – vooral in de bètavakken – benoemen ‘schoonheid’ als een van kenmerken van goede theorieën. Schoonheid in de twee betekenissen van het woord: die theorieën zijn mooi, zoals een schilderij of een landschap of een mens mooi kan zijn, en schoon in de zin van ‘vrij van rommel’, ‘vrij van onnodige uitwijdingen’, ‘vrij van veel te ingewikkelde bewijsvoering’.

David Gelernter, een kunstenaar, schrijver én hoogleraar computerwetenschappen vond het darwinisme ‘mooi’. Hij vond de theorie van een grote schoonheid, zo vertelde hij in een groepsgesprek met David Berlinski (filosoof en wiskundige) en Stephen Meyer (geofysicus en filosoof). Het gesprek werd geleid door Peter Robinson van het Hoover Instituut.

Darwin

Juist vanwege die schoonheid kon Gelernter aanvankelijk niet geloven dat Darwins evolutietheorie niet waar is. Maar hij liet zich overtuigen door Meyers boek Darwin’s Doubt. Het bewijs dat de evolutietheorie niet kan kloppen komt van de kant van de geologie, de mathematica en de biologie. Ik ga de argumenten hier niet opvoeren, want ik ben doodsbenauwd dat ik ze verkeerd weergeef; kijk naar de interviews op YouTube, lees hun boeken.

Alle drie – Meyer, Berlinski en Gelernter – hebben een felle tegenstand ondervonden in de wetenschappelijke wereld, want daar heeft de evolutietheorie de plaats ingenomen van het geloof in God. (Net als trouwens de theorie over de Big Bang). Zodra je aan de evolutietheorie twijfelt ben je een ketter en word je behandeld zoals een ketter van weleer: verdreven uit de gemeenschap en als ‘pseudowetenschappelijk’ gediskwalificeerd. David Berlinksi heeft naast zijn strijd tegen het darwinisme ook de strijd aangebonden met de fundamentalistische atheïsten, zoals Christopher Hitchens, Sam Harris, Daniël Dennett en Richard Dawkins. De titel van zijn boek daarover The devil’s delusion: atheïsts and its scientific pretensions, zegt het allemaal.

Het darwinisme kan het ontstaan van zeer complexe wezens niet verklaren en de Big Bang-theorie geeft geen antwoord op de vraag waar de Big Bang opeens vandaan komt. Het antwoord – ‘uit het niets’ – is helemaal geen verklaring. Berlinski vindt dat Genesis 1 een accurater beschrijving geeft van wat er gebeurde aan het begin van het leven op aarde. Tegen de wijde verspreiding van wetenschappelijke niet-theorieën aan universiteiten, strijdt David Gelernter. Een bomaanslag in 1993, specifiek tegen hem gericht, heeft hem de mond niet gesnoerd. Gelernter vindt dat hedendaagse studenten niets zinnigs wordt geleerd over geschiedenis, politiek, kunst, logica en wat dies meer zij. Ik kan eraan toevoegen: opruimen en schoonmaken wordt ze ook niet geleerd. Maar daar is de universiteit niet voor. Of toch wel?!

Karaktervastheid, daar gaat het moraalfilosoof Petrarca om

Tjerk de Reus

Francesco Petrarca geldt als een van de eerste humanisten uit de renaissance, maar hij was ook een christelijke moraalfilosoof. Dat blijkt uit een vergeten boek van deze Italiaan: De twee gezichten van Vrouwe Fortuna.

Wie iets weet van de Italiaanse renaissance, zal bij Francesco Petrarca (1304-1374) al snel denken aan zijn vele liefdesgedichten voor Laura, verzameld in zijn boek Canzoniere ofwel zijn beroemde Liedboek.

Tour de France-liefhebbers denken misschien eerder aan Petrarca’s bekende verslag van de bestijging van de Mont Ventoux, in 1336. Maar Petrarca had ook een heel andere kant, en daarmee maak je kennis in het omvangrijke boek De twee gezichten van Vrouwe Fortuna, recent in het Nederlands verschenen dankzij de inspanningen van Chris Tazelaar (1941), classicus en oud-conrector van het Christelijk Gymnasium Sorghvliet in Den Haag.

Emoties boven ratio

Volgens Tazelaar gaat het Petrarca om het geluk van een deugdzaam leven: ,,Wat je in dit boek aantreft, is christelijke moraalfilosofie met als doel om de mens te leren om Gods wil te aanvaarden. Karaktervol leven, daar gaat het hem om. Gericht op de deugden als bedachtzaamheid, manhaftigheid, rechtvaardigheid, gematigdheid.”

De achtergrond van dit geschrift van Petrarca ligt in zijn biografie. Hij had zich op een bepaald moment achter een politieke avonturier geschaard, Cola di Rienzo, die beweerde de teloorgang van Rome te kunnen keren. Rienzo pleegde een staatsgreep, die allerlei narigheid opleverde. De zelfbenoemde redder van Rome moest de aftocht blazen. En Petrarca werd aangekeken op zijn loyaliteit voor deze mislukte couppleger. Tazelaar: ,,Hij kreeg spijt en besefte onverstandig te zijn geweest. Hij realiseerde zich: ik heb mijn emoties laten prevaleren boven mijn ratio, en daarmee heb ik mezelf in een lelijk parket gebracht. Dit inzicht bracht hem tot een brede bezinning over voorspoed en tegenspoed. Hoe kun je als mens daarop reageren? Wat is wijsheid? De twee gezichten van Vrouwe Fortuna is het resultaat van dit bezinningsproces.”

Wie de inhoudsopgave van het boek opslaat, wordt door een duizeling bevangen. Er zijn maar liefst 122 hoofdstukken onder het kopje ‘Remedies bij voorspoed’ en 132 hoofdstukken onder de noemer ‘Remedies bij tegenspoed’. In de eerste afdeling tref je thema’s aan als ‘rijkdom’, ‘visvijvers’, ‘mooie kinderen’ en ‘gereserveerd kapitaal’.

Voorspoed en tegenspoed

In de tweede afdeling zijn de onderwerpen somberder: van ‘geminacht worden’ en ‘een jaar van droogte’ tot ‘een plotselinge dood’ en ‘sterven in angst om ergens onbegraven te liggen’. Bij al die onderwerpen is Petrarca tamelijk kort van stof en to the point.

De tweedeling van voorspoed en tegenspoed is ook de achtergrond van de boektitel, De twee gezichten van Vrouwe Fortuna. Tazelaar: ,,Het gaat hier om de twee kanten van het lot ofwel de twee ‘gezichten’. En die zijn elk ook nog eens tweevoudig: enerzijds geeft Fortuna de mens voor- of tegenspoed, zonder aanzien des persoons, anderzijds toont Fortuna mét aanzien des persoons interesse in de reactie van de mens. Op dit laatste legt Petrarca de nadruk: het is cruciaal hóé je op je situatie reageert, hoe je omgaat met wat jou overkomen is. Als christen gelooft Petrarca natuurlijk niet in een godheid Fortuna, hij gebruikt die naam alleen maar omdat die de lezer zal aanspreken. Hij is ervan overtuigd dat niet Fortuna maar God de mens op de proef stelt. God toetst hoe de mens omgaat met overmatige voor- of tegenspoed. Die vormen een uitdaging voor de mens om zijn ‘virtus’, zijn karaktervastheid, te bewijzen. In de ethiek die Petrarca hier uitdraagt, is matigheid het beste advies als voorspoed en vreugde je deel zijn. Als je te maken krijgt met tegenspoed en verdriet, zou je lijdzaamheid moeten tonen: standvastigheid en volharding.”

Oudheid

De talloze situaties en menselijke ervaringen die Petrarca beschrijft, geven een levendig en kleurrijk karakter aan het boek, vindt Tazelaar. ,,Hij slaagt er prima in om de aandacht van zijn lezers vast te houden. Hij geeft voorbeelden uit zijn eigen tijd, maar ook uit de oudheid. Daarbij gaat het hem steeds om menselijk gedrag bij voorof tegenspoed. Zijn wijze les luidt dat gebrek aan gematigdheid of lijdzaamheid een mens geen goed doen. Je zou zeggen, dat klinkt een beetje sober en somber. Toch is wat hij schrijft geen loodzware kost. Petrarca maakt vele luchtige opmerkingen en vertelt aardige anekdotes. Zo geeft hij adviezen aan iemand die verstrikt is geraakt in een uitzichtloze verliefdheid. Je zou van omgeving moeten veranderen, raad hij aan. En alles zien te vermijden wat aan het gezicht van de geliefde herinnert. Daarbij zou je eens moeten overwegen hoe beschamend, hoe triest, hoe ellendig, hoe vluchtig, hoe onbetekenend een liefde kan zijn. Een liefdesaffaire brengt schande, gedoe, verdriet en spijt met zich mee. Deze adviezen klinken allemaal heel praktisch, en zeker niet ‘ouderwets’. Ik kan me voorstellen dat een psycholoog met vergelijkbare adviezen komt.”

Het vertaalwerk van Tazelaar moet vele uren hebben gevergd, en misschien nog wel meer motivatie en enthousiasme. Maar de liefde voor het werk van Petrarca had Tazelaar al veel langer. ,,In 1986 heb ik een vertaling gemaakt van Petrarca’s brief over zijn bestijging van de Mont Ventoux. Dat was het begin van een nog steeds voortdurende fascinatie voor het werk van deze schrijver, dichter en denker. Inmiddels heb ik diverse geschriften van hem in het Nederlands vertaald. Toen ik het plan opvatte om ook zijn boek De remediis utriusque fortune (het nu vertaalde boek) te vertalen, kwam meteen de vraag op waarom dit werk, dat eeuwenlang in vele talen is uitgegeven en gelezen, al zo lang vergeten was. Het was in 1606 in een Nederlandse vertaling verschenen en verscheen daarna nooit meer in een herdruk of nieuwe vertaling. Was de inhoud dan zo tijdgebonden? Ik denk van niet. Het is heel lang populair gebleven. In vele huizen stond alleen dit boek naast de Bijbel op de plank, werd ooit beeldend gezegd. Ik denk dat de belangstelling voor De twee gezichten van Vrouwe Fortuna is afgenomen door veranderingen in de cultuur. Dan denk ik vooral aan de tijd vanaf de Verlichting, toen het traditionele, op het verleden gebaseerde denken plaats begon te maken voor een op de toekomst gericht vooruitgangsgeloof.”

Kapitaal erfgoed

Het werk van Petrarca valt zonder twijfel onder de noemer ‘kapitaal erfgoed’. En niet alleen omdat hijzelf teksten schreef die tot de grote traditie van het Europese geestesleven zijn gaan behoren. Petrarca laafde zich met graagte aan wat voor hem en zijn tijdgenoten als ‘kapitaal erfgoed’ gold. In het tijdvak waarin hij leefde, ging het hierbij in toenemende mate om de klassieke oudheid: die werd toentertijd herontdekt.

Tazelaar legt uit: ,,Petrarca heeft zich zijn hele leven verdiept in de traditie van kerk, geloof en cultuur. Hij bestudeerde klassieke en christelijke auteurs en had grote belangstelling voor de geschiedenis en de cultuur van de oudheid. De klassieke schrijvers uit die cultuurperiode hebben ideeën naar voren gebracht die waardevol zijn, vond Petrarca. Ze verdienen zeker niet minder aandacht dan het overheersende scholastieke en kerkelijke denken van zijn tijd.”

Om deze reden wordt Petrarca wel de eerste humanist genoemd, omdat hij christendom en klassieke oudheid wilde samenbrengen. Maar hierbij plaatst Tazelaar een kanttekening: ,,Petrarca wijst op het belang van de studia humaniora, de bestudering van menselijke zaken, naast de studia divina, de bestudering van goddelijke zaken. Dat is kenmerkend voor de tijd van de renaissance. Maar Petrarca is daarmee niet de ‘eerste humanist’. Het is wel zijn verdienste dat hij, als een van de meest gerespecteerde mannen van zijn tijd, de ideeën van de oudheid voluit serieus nam. Hij heeft die klassieke erfenis doorgegeven en op deze manier aan de eeuwen ná hem inspiratie gegeven in hun drang naar vernieuwing. Om die reden mag je Petrarca’s geschriften zeker als kapitaal erfgoed beschouwen. Daar hoort zijn boek De twee gezichten van Vrouwe Fortuna bij, dat de gedachten en dagelijkse praktijk van talloze mensen eeuwenlang heeft beïnvloed.”

In de serie Kapitaal erfgoed interviewt Tjerk de Reus vertalers van belangrijke christelijke auteurs uit het verleden Petrarca.
De twee gezichten van Vrouwe Fortuna. Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Chris Tazelaar. Uitgeverij Damon, 59,90 euro

In mijn hart getroffen

Even stilstaan
Gabriël Anthonio

De man ziet er vermoeid uit. Zijn lange grijze haren hangen dun over zijn gezicht en schouders. Hij is mager, dunne benen, puntige knieën en zijn jukbeenderen steken uit.

Hij is een van de deelnemers aan een rondetafelgesprek. Een gesprek met cliënten uit de verslavingszorg, die ik tijdens een kennismaking met de afdeling ontmoet. „Ik ben Ivan, en Ivan is verslaafd aan alcohol. Al meer dan 25 jaar. Het begon in de oorlog. In voormalig Joegoslavië. Ik werkte daar voor een technisch bouwbedrijf. Ik ben afgestudeerd aan de Universiteit Delft. Ik heb geleerd hoe je productielocaties zoals een fabriek kunt ontwerpen en bouwen.” Hij valt stil. „Ik ben dus niet dom, niet dom, meneer. Dat denken ze vaak bij een verslaafde. Daarom zeg ik het maar vast, ik ben echt niet dom.”

‚‚In de oorlog, het was verschrikkelijk. We waren allemaal vrienden: moslims, Servische mensen en katholieken, iedereen. Er waren soms kleine spanningen, zoals bij een gemengd huwelijk, maar ineens was daar die oorlog. Op een avond horen we schieten. Het kwam steeds dichterbij. Mijn vrouw en ik moesten vluchten. We renden over straat richting waar onze auto stond. Een kogel ketste af, en, heel gek, ik hoorde hem aankomen. Die kogel ging dwars door het hoofd van mijn zoontje van vijf jaar. Ik voelde de inslag, zijn lichaam verkrampte en werd toen slap. Zijn hele hoofd was kapot, ons mooie kindje was dood. Ik was in shock. Ik kon niet praten en ben doorgerend, naar de garage. In de auto gaf ik mijn zoon aan mijn vrouw en vroeg of ze hem wilde vasthouden. Ik wilde in mijn verwarring naar het ziekenhuis rijden. Mijn vrouw begon te huilen, ze zag nu ook dat hij dood was. We konden zijn gezicht niet meer herkennen, zo erg was het.”

„Achterin de auto had ik nog een fles sterke drank liggen. Die had ik gekregen. Daar hebben we allebei een slok van genomen en zijn toen gaan rijden. We hebben doorgereden tot aan de grens, daar hebben we ons kind in het bos begraven.” Er valt een stilte. „En vanaf die dag kon ik niet meer stoppen met drinken. Ik was alles kwijt. Mijn vrouw en ik konden zo niet meer verder. We zijn uit elkaar gegaan. Ik heb nog een paar jaar muziek gespeeld. In meerdere bands, met echt grote sterren.”

Door het hart

‚‚In dat leven kon ik lekker blijven drinken, niemand die er wat van zei. Maar mijn conditie ging achteruit, voor de saxofoon heb je niet alleen techniek maar ook kracht nodig. Ik maakte steeds meer fouten en toen lag ik eruit. Ik heb nog drie jaar in België, Duitsland en Nederland op straat gezworven. Moet u nagaan, mijn leven door een kogel verwoest. En nu ben ik hier in behandeling, bij de verslavingszorg. Het gaat goed, de eerste drie maanden waren zwaar. De drank blijft trekken. Maar ik begin er langzaam bovenop te komen.”

„En toch, die kogel die mijn zoontje raakte, raakte niet alleen hem, maar ging door míjn hart. En dat hart bloedt en drank was de eerste troost. Begrijpt u dat meneer?” Ik knik voorzichtig: „Ik denk dat ik het begrijp, maar het is ook heel groot wat u vertelt. Ik denk dat ik vooral voel wat u vertelt. Ik word er ook verdrietig van. Die kogel raakt ons allemaal, hier vandaag.”

Op de terugweg moest ik denken aan hoe vaak we over oorlogen horen en lezen, maar zelden komt het echt dichtbij. Ik ben verdrietig en een beetje misselijk van het verhaal, een kogel die zo veel kwaad aanricht. Zou de schutter dat weten?

Gabriël Anthonio is bestuurder bij Verslavingszorg Noord Nederland en bijzonder hoogleraar aan de RUG.

Gezegende stilte hebben we harder nodig dan ooit

Anton de Wit

Stilte is de eigenlijke herkenningstune van het klooster, aldus Anton de Wit. Echter, ook in het klooster is het niet helemaal stil. Hoe kerken kunnen leren van juist die stilte in een lawaaiige wereld.

Let maar eens op: als er in een film of serie een klooster als decor dient, wordt dat feit meestal onderstreept doordat er ergens op de achtergrond monnikengezang klinkt. Gewoon wat flarden gregoriaans, ijl en onheilspellend. Enigszins gemakzuchtig is het wel: wat ,,Dominummmm… Deummm…” in de verte, en klaar, iedere kijker snapt dat de hoofdpersoon in een klooster is aanbeland.

Echte stilte

Maar eigenlijk is het gek, dat juist het monnikengezang de herkenningstune van het klooster is geworden. Ik heb meermaals het genoegen gehad enkele dagen in een echt klooster te verblijven, nergens kom ik namelijk zó tot rust. En ik heb daar iets heel anders gehoord. Namelijk niks. Stilte is de eigenlijke herkenningstune van het klooster.

Of nou ja, stilte… Echte stilte bestaat niet, ook niet in het klooster. Bij het open raam hoor je een vogel kwetteren, op de gang stiefelt iemand voorbij met een trolley met rinkelende koffiekopjes. In de refter tikt het bestek driftig op de borden.

De broeders zwijgen weliswaar tijdens het eten, maar één broeder leest intussen traag en monotoon voor uit een zo saai mogelijk boek. Ja, in de kapel, waar de broeders meermaals per dag samenkomen voor hun getijdengebed, klinkt dan soms die beurtzang – een stuk minder sinister overigens dan in de meeste Hollywoodfilms.

Onderbreking

Eenvoudige zettingen van psalmen, tegenwoordig vaker in het Nederlands dan in het Latijn. Je zingt zo mee, ook zonder groot muzikaal talent. Maar zelfs in die beurtzangen valt vooral de stilte op; de onderbreking die steevast klinkt tussen twee zinnen, iets langer dan je zou verwachten. De eerste keer dat je het als gast in het klooster aandurft mee te zingen, ga je geheid de mist in; je zet overijverig de tweede zin in, nét een fractie voor de broeders dat doen.

Ook tussen de psalmen door: lange stiltes. Je hoort je eigen ademhaling en vraagt je af of de anderen die ook kunnen horen. Gepiep en gekraak van een houten bank; iemand gaat verzitten. Een zucht, een kuch. Geborrel van hongerige ingewanden – zijn het de jouwe of die van je buurman?

De eerste keer dat ik die gewijde stilte van het klooster meemaakte, vond ik het vreselijk. Ik liep bijna tegen de muren van mijn kloostercel omhoog van onrust en verveling.

Steeds moest ik de neiging onderdrukken om mijn telefoon uit mijn tas te halen, om doelloze verstrooiing te zoeken op sociale media… Maar ik had me toch zó voorgenomen om dat niet te doen, ik wilde de herrie van Facebook en Twitter nu juist ontvluchten in de stilte van het klooster.

Kleine geluidjes

Gek. Welbeschouwd is het exact andersom. In het klooster hoor je al die kleine geluidjes die ik hiervoor beschreef. De sociale media op mijn telefoon zijn juist volmaakt stil, ze tonen zwijgende tekentjes op een schermpje, en als ik het geluid van mijn telefoon uitzet is dat ding ook echt stil. Ja, ik lees op Facebook rommel uit de onderbuik, maar ik hoor er geen buiken rommelen. Ja, ik lees op Twitter zinloos gekwetter, maar ik hoor er geen vogels fluiten.

En toch ervaren we die sociale media als lawaaiig, en het klooster als stil. Kerken moeten zich durven laten horen, hoor je weleens, om nog mee te tellen in de kakofonie van stemmen en geluiden in onze samenleving. Onzin. Kerken moeten stil durven zijn. Stil als dat klooster. De stille God van de daken zwijgen. Dat soort gezegende stilte hebben we harder nodig dan ooit.

Anton de Wit (1979) is hoofdredacteur van Katholiek Nieuwsblad.
Dit is deel 7 in een serie waarin verschillende mensen vertellen over hoe ze vormgeven aan een tijd van inkeer en stilte.

Naar binnen en naar buiten kijken

Annegreet van der Wijk ervaart dat het soms moeilijk is om stil te worden, om de rust te vinden. Vaak wordt ze dan toch overvallen door momenten van vrijheid die haar omhoog trekken.

Zijn momenten van rust en inkeer niet schaars? In mijn leven, en in heel veel levens? Omdat we druk zijn? Omdat het niet meteen iets oplevert? Omdat we niet meer weten hoe we tot rust kunnen komen? Omdat heel veel rituelen en routines daarvoor uit het dagelijks leven zijn verdwenen? Of omdat we misschien zelfs bang zijn voor dat wat de stilte omhoog stuwt?

Terwijl ieder mens op een bepaald moment in zijn leven op een punt komt waar je op jezelf wordt teruggeworpen. Waar inkeer niet een keuze is, maar waar je eerder opengescheurd wordt. Als het leven een onverwachte wending krijgt. Waar vragen opkomen. Wie ben ik? Wat wil ik? Hoe moet ik verder? Wie houdt er van me? Waar hoor ik bij?

Verbondenheid

Eigenlijk is het jammer dat we dan pas ruimte maken voor de vraag naar de wezenlijke dingen in ons leven. Tegelijk is het ook wel begrijpelijk en rustig dat we niet bij elke afslag in ons leven geconfronteerd worden met existentiële vragen.Maar toch, een bepaalde mate van verbondenheid met de grond van ons bestaan, los van hoogte en dieptepunten, zou misschien wel een andere wereld kunnen opleveren.

Een bewuste manier van leven, ik denk dat veel mensen daar nu naar verlangen. Ik denk dat de kunst van inkeer, gebed, meditatie en mindfulness er op gericht is om de dingen te laten zijn zoals ze zijn. Pas wanneer je de dingen ten volle kunt laten zijn zoals ze zijn, de mooie en de moeilijke dingen, dan komt er een bepaalde scheppingsenergie los. Als je niet meer hoeft te verzetten, als je je niet meer hoeft te verdedigen, te controleren of te bemoeien. Dan kan er iets anders gaan stromen. Misschien komt er zelfs meer ruimte voor creativiteit en inspiratie.

Dynamiek

Tegelijk zijn rust en inkeer niet alleen verbonden met stilte en verstilling. Ze hebben niet alleen te maken met een blik naar binnen. Het gaat om een dynamiek van binnen naar buiten en van buiten naar binnen. Hoe dat precies werkt weet ik niet – en hoef ik ook niet te weten. Als ik dat probeer te ontrafelen sla ik het geheim uit mijn leven.

Maar vaak, op momenten dat het leven me benauwt en het me bijna niet lukt om naar binnen te keren, stil te worden, af te stemmen op God, lijkt het wel alsof God zich op mij afstemt. Als aan het eind van een huisbezoek in gebed de rollen zich omdraaien en de vrouw met ernstige psychiatrische problemen opeens voor mij begint te bidden.

Als een van onze kinderen opeens midden op straat stil staat en zegt: ik moet je even knuffelen. Momenten van heelheid, van puurheid, van vrijheid die mij op donkere momenten omhoog trekken, doen opstaan. Die me overvallen. Die mij bezielen. Momenten die mij raken die mij herinneren hoe God mij vast houdt en op weg zet.

Ds. Annegreet van der Wijk is voorganger van de doopsgezinde gemeente Bussum-Naarden.

Nonnen met babies

Tamarah Benima

Er is een diepgaand verschil tussen een tribale samenleving en een natiestaat. In een tribale samenleving zijn mensen solidair met en loyaal aan bloedverwanten (hoe ver ook verwijderd). In een natie-staat zijn inwoners burgers met rechten en plichten die door de staat worden gegarandeerd. Zij zijn solidair met en loyaal aan de massa der onbekenden. Voor die onbekende medeburgers betaalt men belasting, zodat die onderwijs, gezondheidszorg, rechtspraak, infrastructuur en bescherming tegen velerlei gevaren genieten. In een natiestaat zoals de onze is wel een minimale inschatting nodig wie die onbekende burgers om je heen zijn. De staat kan immers niet altijd en overal voor bescherming zorgen, in het dagelijks leven moet je ook op de eigen intuïtie afgaan. Die inschatting over de intenties van onbekenden maak je op basis van gezichten en lichaamsbewegingen. Daarom is een boerka (het gaas voor de ogen is onderdeel van een alles bedekkend kledingstuk) zo eng. Althans, dat is mijn ervaring. (De nikab – ogen zichtbaar, de rest van het lichaam verborgen – geeft in ieder geval nog de indicatie van de identiteit van de vrouw).

Die noodzakelijke minimale herkenbaarheid die voor een klein beetje veiligheid zorgt in een maatschappij vol onbekenden, is één reden om de boerka te verbieden. Tegen dat verbod worden verschillende argumenten in stelling gebracht, onder andere de autonomie van het individu. De autonomie van de vrouw komt tot uitdrukking in de keuze die een moslima maakt voor het dragen van de boerka, de nikab of de chador (lichaam ingepakt, gezicht vrij). Dat (neo-)liberaal rechts zich achter de autonome keuze van moslima’s zou stellen, zou voor de hand liggen. Immers, het liberalisme heeft het begrip ‘vrijheid’ geleverd als een van de drie pijlers van de Franse revolutie, en het vervolgens als leidend principe gehanteerd. Maar rechts kiest niet voor contextloze vrijheid, maar onderkent dat gezichtsbedekkende kleding de vrouw vrijheid ontneemt, en is dus tegen. Dat juist sommige linksen opkomen voor de keuze van moslima’s om boerka’s te dragen, omdat zij die keuze autonoom zouden maken, is uiterst merkwaardig. Want waar het liberalisme streed voor de vrijheid van overheersing door autoritaire machten, stond de autonomie die links nastreefde altijd in het teken van de emancipatie van achtergestelde groepen teneinde een betere samenleving te bouwen, een betere samenleving voor iedereen. Dus niet, ten behoeve van de opbouw van een tribale samenleving.

Voor het tribale aspect van de boerka heeft Hendrik Jan Biemond, het PvdA-raadslid die tijdens Canal Pride in een boerka liep, totaal geen oog. Ook de oorspronkelijk liberale invulling van autonomie van het individu – politieke vrijheid – is voor Biemond en zijn geestverwanten in rook opgegaan. Wat is overgebleven is een ongekwalificeerde ‘vrijheid’ voor een ‘autonoom individu’, ongeacht de keuze die dat individu maakt. Of de keuze de maatschappij als geheel ten goede komt, doet er niet meer toe, het individu moet alles mogen, ook volkomen onherkenbaar door het leven gaan. Maar stel dat mensen die dol zijn op sadomasochisme ervoor kiezen om in hun leren pakjes en met tepelklemmen en zwepen over straat te gaan, zouden de Biemonds van Nederland dat dan ook verdedigen? Zo vreemd is deze vergelijking niet. Immers, ook de boerka, nikab, chador is kleding die gedragen wordt vanuit een specifieke seksuele benadering van de vrouw (zij mag alleen sexy zijn voor haar echtgenoot, en al helemaal niet in de openbare ruimte), net als SM. Dat het oorspronkelijk religieuze element bij de bestrijders van het boerkaverbod er zo karig van afkomt, in vergelijking met de strijd voor autonomie, moet ook te maken hebben met de secularisatie van politici als Biemond.

Zij zien niet wat ik zie: vrouwen die in vroeger tijden non zouden zijn geworden. (Een aantal van de felste verdedigers van de boerka en nikab zijn tot de islam bekeerde vrouwen). Vrouwen dus die zich toen zeer nuttig zouden hebben gemaakt voor de maatschappij. De prijs die zij daarvoor betaalden was het opgeven van hun seksualiteit. Ze werden de bruid van Jezus in een seksloos huwelijk, en konden zich identificeren met de moeder van een baby, die zij niet zelf hadden gebaard. Maar de moderne meiden willen de seksualiteit niet opgeven, al kiezen ze daar – als autonome vrouwen – wel degelijk voor.

De oplossing? Als extreem geklede nonnen over straat, mét baby, veilig levend in de ultra-orthodoxe religieuze, tribale clan. Wat de burgers in de rest van het land daarvan vinden, is hun zorg niet.

Geweldsteksten als geloofsverhaal

Madelon Vroonland

We leven in een wereld waarin een mensenleven soms niets waard lijkt. In de Bijbelteksten over de strijd van Israël tegen andere volkeren lijkt het soms niets beter. De vijand wordt verrast, verslagen, vernietigd. Met Gods hulp, aldus Jozua.

De geweldsteksten zoals die bijvoorbeeld in Jozua 10: 1-33 voorkomen lijken nogal haaks te staan op de beleving van het geloof in onze tijd. God de Barmhartige zorgt als een herder voor zijn schapen… Zo’n tekst over een slag, in dit geval bij Gibeon, past haast niet meer in onze belevingswereld. En toch staat het er.

Moeten we het dan als iets ‘typisch Oudtestamentisch’ aan de kant schuiven? Zeker niet! Eerst iets over het boek Jozua. Het draait om de belofte van God aan Abraham, Isaak en Jakob dat hun nageslacht Kanaän in bezit zal nemen en er altijd zal blijven wonen. Die belofte gaat nu werkelijkheid worden. Maar, dan moet het volk wel luisteren naar God. In het boek zien we de worsteling met die gehoorzaamheid, maar ook de ‘samenwerking’ tussen God en het – op dat moment – gehoorzame volk.

Bloedvergieterij

Het verhaal daarover is vervolgens geen feitelijk verslag, maar een geloofsverhaal. Het verhaal dat de schrijver zijn nageslacht wil meegeven. Kijk, God stond ons bij. Luister naar Hem, dan zal Hij jullie ook helpen! Die samenwerking, die centraal staat in Jozua 10, gaat gepaard met grof geweld. De vijand lijkt zonder blikken of blozen gedood te worden. Ook de vijf koningen, door Jozua zelf. Bij zonsondergang werden hun overschotten in de grot gelegd en de stenen die voor de grot werden gerold liggen er tot op de dag van vandaag: als geheugensteun voor het nageslacht.

Wat een bloedvergieterij… en dan zeggen ze ook nog dat God het zo wil! En die verwarring onder de vijand? Die hagelstenen? Dat zal wel toeval geweest zijn. God, die zo partij kiest in een oorlog? Die zo ingrijpt? Waarom doet Hij dat nu dan niet? Het zijn typisch vragen vanuit ónze tijd. Het volk toen moest vechten om te overleven. Al die volken daar in het Oude Nabije Oosten, iedere groep, iedere stam, moest strijden voor het stuk land waarop ze leefden.
Maar wat kunnen we nu dan nog met deze teksten? Ik denk het volgende. Jozua schrijft geen geschiedenisboek, maar een geloofsverhaal over hoe God Zijn belofte in vervulling laat gaan. Een verhaal ook over Zijn trouw. Over het verbond met Zijn volk. De samenwerking. Het verhoren van de gebeden van het volk. Met daarbij de voorwaarde dat het volk zich waarmaakt als een goede verbondspartner: trouw en gehoorzaam. Het is het verhaal voor de komende generaties. Mensen, vertrouw op God! Hij was er voor ons. Hij is onze steun en toeverlaat geweest.

Hij houdt zich aan Zijn verbond met ons mensen. Wees ook trouw aan het verbond. Je zult ervaren hoe Hij dan met je meetrekt, het leven door. Mochten jullie ooit twijfelen: ga dan eens naar die grot waarover ik jullie verteld heb. Zie je de stenen daar liggen? Die liggen er niet zomaar. Dat is geen toeval. Nee, ze liggen er als herinnering van ons voor jullie. Prent je dit goed in: God is trouw, als jullie zelf ook trouw blijven!

Nakomelingen

Zo wordt een gruwelijk verhaal ineens een geloofsbelijdenis. Of het geschiedkundig klopt? Maakt dat werkelijk uit? Kloppen onze verhalen over wat we meemaken precies met de werkelijkheid? Zijn die verhalen niet ook altijd gekleurd door onze beleving daarvan?
Het verhaal van Jozua wil ons aan het denken zetten over ons eigen geloofsverhaal. Wat is in ons geloofsleven bepalend geweest? Waar hebben we God dichtbij ons geweten? Hoe hebben we Zijn trouw en steun ervaren? Wat hebben we er zelf voor gedaan? Waar zaten ook onze moeilijkheden en twijfelmomenten in het leven? Hoe kunnen wij ‘ons’ geloofsverhaal nalaten, aan onze nakomelingen?

Ik maak weleens mee dat als een gemeentelid is overleden er bij het uitvaartgesprek wat papieren op tafel komen. Kinderen hebben het diezelfde middag gevonden, in het adresboekje of in de Trouwbijbel. Duidelijk een plaats waarvan de overledene dacht dat ze daar zouden gaan zoeken. Soms komt daar verwondering bij kijken: wist jij dat pa, dat ma, dit had opgeschreven? Hij of zij sprak er nooit over. Wat bijzonder om dit te vinden!

Stel nu eens dat daar ook een brief bij zou zitten over uw geloofsleven. Om er iets van door te geven aan het nageslacht. Ja, kunt u zeggen. Mooi idee, maar denk je nu echt dat mijn kinderen dat zullen lezen? Ze gooien het vast zo weg. Dat kan… hoeveel mensen zijn er wel niet die het verhaal van Jozua zo aan de kant leggen? Omdat ze niets met de Bijbel hebben, of omdat ze het zo’n gewelddadig verhaal vinden, dat ze het zo afschrijven, alsof het niets is? Maar toch heeft hij het onder woorden gebracht en lezen wij het nu. Toeval? Misschien. Of het moest zo zijn…

Madelon Vroonland is predikant van Protestantse Wijkgemeente Leeuwarden-Huizum-Oost.

Eens zal God vragen: hoe heb je het gevonden? Heb je ervan genoten?

Tjerk de Reus

Theoloog Van Ruler hield zijn eerste lezing over kerkrecht in 1929, toen hij nog maar eenentwintig was. Nu is er een omvangrijk boek verschenen met zijn gedachtegoed over kerkorde, kerkrecht en ambt.

Albert Arnold van Ruler (1908-1970), hervormd theoloog, hoogleraar en auteur van vele boeken, was geen kleine jongen op het theologische speelveld. Met de grootheden K.H. Miskotte en O. Noordmans wordt Van Ruler gerekend tot de ‘grote drie’ van de Nederlandse theologie in de twintigste eeuw. Van deze Van Ruler verscheen dit jaar een groot groen boek, gebonden, negenhonderd pagina’s dik. Het is een deel uit het Verzameld werk van Van Ruler, specifiek over kerkorde, kerkrecht en ambt.

Venster

Je zou zeggen, die thematiek klinkt niet al te spannend – juridisch zelfs. Toch valt er veel moois te beleven in dit boek, omdat Van Ruler bij elk kerkelijk thema wel een theologisch relevante notie naar voren wist te brengen. Hij nam intensief deel aan discussies in kerkelijke kring, voor en na de oorlog.

Via dit boek opent zich een venster op een voorbije wereld, die helemaal zo ‘voorbij’ niet is: een protestantse wereld met hoogten en diepten, met een open grens naar de Rooms-Katholieke Kerk. Piet van den Heuvel (1941) is samen met Jan Stelwagen (1942) verantwoordelijk voor Kerkorde, kerkrecht, ambt, zoals dit nieuwe deel van Van Rulers Verzameld werk heet. Beiden zijn vertrouwd met Van Ruler sinds hun studententijd in Utrecht, waar ze theologie studeerden. Stelwagen vanaf 1960, Van den Heuvel vanaf 1959. Sinds 2005 zijn zij betrokken bij de uitgave van het Verzameld werk.

Welke herinneringen aan de persoonlijkheid Van Ruler zijn hen bijgebleven? Van den Heuvel: ,,In het vierde studiejaar moest je voor het kerkelijk examen de colleges dogmatiek en kerkrecht bij professor Van Ruler volgen. Maar je kreeg het advies om de colleges dogmatiek al eerder bij te wonen, liefst vanaf het tweede jaar al. Om alvast vertrouwd te raken met de hoge vlucht van zijn gedachten. Dat heb ik gedaan en daardoor heb ik vijf jaar lang op vrijdagmorgen in de volle collegezaal van Trans 10 dogmatiekonderwijs bij Van Ruler genoten.”

Dertien aspecten

De studenten keken ‘enorm’ tegen de hoogleraar op, herinnert Van den Heuvel zich: ,,Hij stond open voor vragen en ging daar ook uitvoerig en grondig op in. Ik herinner me dat een student hem eens een vraag stelde, waarop hij antwoordde dat we daarbij dertien aspecten moesten overwegen. Dertien! Vervolgens heeft hij gedurende een aantal weken die aspecten een voor een behandeld. Wij waren natuurlijk benieuwd of hij bij dertien zou uitkomen. Groot was onze bewondering toen dat inderdaad het geval was.”

Ook voor Stelwagen waren de colleges van Van Ruler meeslepend en indringend. ,,Dat meeslepende zat niet zozeer in de leerstof. Op de andere rijksuniversiteiten werd de theologie van Karl Barth of van andere moderne theologen behandeld. Dat was ‘in de mode’ destijds. Maar Van Ruler bleef koppig de klassieke gereformeerde leer, zoals die door Heinrich Heppe in 1861 was samengevat, onderwijzen. Hij vond dat je pas iets nieuws kon zeggen als je je eerst de klassieke theologie grondig eigen had gemaakt. Maar de manier waarop hij die oude stof behandelde, was heel creatief. Het was vaak alsof hij door zijn eigen gedachtegang werd meegesleept en zo tot allerlei flitsende ideeën en nieuwe inzichten kwam, die ter plekke geboren leken te worden.”

Nieuw en bekend

De delen uit het Verzameld werk bevatten steeds ook veel onbekend werk van Van Ruler. Bijvoorbeeld teksten van lezingen die hij ooit gehouden heeft, maar die daarna in de bureaulade verdwenen. Hoe is dit met het deel Kerkorde, kerkrecht, ambt? Van den Heuvel: ,,Sommige publicaties die wij in dit deel hebben opgenomen, hadden al in bredere kring bekendheid gekregen. Bijvoorbeeld De belijdende kerk in de nieuwe kerkorde (1948) en Bijzonder en algemeen ambt (1952). Een groot aantal van de hier verzamelde teksten was als artikel eerder in tijdschriften verschenen, maar heel lastig toegankelijk. Al met al is het grootste deel van dit Verzameld werk voor de huidige lezers onbekend.”

In het tijdvak waaruit de opstellen, lezingen en artikelen stammen, speelden zich felle discussies af over de organisatie en de missie van de kerk. Voor de oorlog waren bijvoorbeeld de verenigingen Kerkherstel en Kerkopbouw actief, na de oorlog concentreerde de discussie zich rond de nieuwe kerkorde van 1951.

Stelwagen: ,,Van Rulers boek Bijzonder en algemeen ambt was destijds heel actueel. In de Nederlandse Hervormde Kerk werd in de aanloop naar de nieuwe kerkorde van 1951 heftig gediscussieerd over het ambt. In liturgische en oecumenische kringen was er de hang naar een ‘hoge’ ambtsopvatting, liefst met de wijding door een ‘echte’ bisschop. Maar er was ook een ‘laagkerkelijke stroming’ in hervormde kring, die juist heel praktisch en functioneel over het ambt dacht. Deze groep wilde het ambt helemaal vanuit de plaatselijke gemeente benaderen. In die discussie kwam Van Rulers boek als geroepen: hij wees een middenweg, die beide groepen recht probeerde te doen.”

Kiemen

Toch is Van Ruler ook teleurgesteld geraakt, omdat veel van zijn ideeën onvoldoende draagvlak kregen. Maar mogelijk liggen daar weer kiemen die vandaag van betekenis kunnen zijn. Stelwagen zou er niet vreemd van opkijken: ,,Ook vandaag laait de discussie rondom het ambt weer op. Meestal gaat het dan om de vraag wie er mag preken en wie er de sacramenten mag bedienen. Afgelopen voorjaar ging het over de pioniersplekken van de Protestantse Kerk in Nederland. Mag zo’n pioniersplek een zelfstandige gemeente worden? Mag men er zelf kerkdiensten houden en Avondmaal vieren? Van Ruler zou in zijn vuistje lachen en zeggen: ik heb het jullie toch gezegd? Bovendien is binnen de grote oecumene het ambt nog steeds een groot struikelblok. We zullen er dus steeds opnieuw mee geconfronteerd worden. Dit deel van het verzamelde werk leert ons over ambt en kerkstructuur na te denken. En dat lijkt me voor de toekomst belangrijk.”

Ook als je al bijna je hele leven in de geschriften van Van Ruler studeert, kun je opnieuw geïnspireerd worden door wat je tegenkomt. Van den Heuvel werd bijvoorbeeld verrast door een artikel van Van Ruler uit zijn Friese tijd. Hij was toen predikant in Kubaard. In een lezing gaat hij in op de altijd netelige verhouding van Schrift en belijdenis.

Van den Heuvel: ,,Voor de orthodoxie was de belijdenis een document waarvan geen letter mocht worden afgedaan. Maar voor de vrijzinnigheid was de Schrift soms niet meer dan een inspirerend boek, waaruit je kon overnemen of weglaten wat van je gading was. Van Ruler stelde dat de belijdenis iets zegt over de verhouding van prediking en Schrift. Volgens hem kan de belijdenis ‘geen voorwerp of bron van prediking’ zijn. Hij noteert: ‘De prediking is veel meer het uitzeilen op de brede en wijde wateren van de schriftwaarheid; waarop het alle kanten uit kan; en waarop het ook alle kanten uit moet. En de belijdenis doet daarbij dan dienst als de bakens in de zee; hier een ton en daar een ton, om opmerkzaam te maken: pas op, als ge nog veel verder gaat, dan wordt het gevaarlijk, dan strandt ge op de een of andere klip van de een of andere ketterij en zijt ge uit de vaart geworpen.'”

Speelruimte

Die bakens waren dus wel van belang, vond Van Ruler, maar hij zei erbij dat er rond zulke bakens heel wat speelruimte is: ‘Men kan er ook gerust eens tussendoor en achterlangs varen, als men maar voldoende op z’n hoede is.’ Van den Heuvel: ,,Leertucht is nuttig en nodig, vond Van Ruler, maar mag niet ontaarden in ketterjagerij. Leertucht is, in zijn woorden, het ‘met wijs beleid in de koers houden van het schip der prediking’.”

Stelwagen: ,,Mij verraste Van Rulers positieve houding ten aanzien van de oecumene en specifiek de verhouding tot de Rooms-Katholieke Kerk. Ik wist eigenlijk niet dat dit zo belangrijk voor hem was. Hij schrijft ergens dat de oecumenische beweging ‘als onontwijkbare roeping van God voor ons staat’. En toen er in 1953 brede aandacht was voor de viering van het honderdjarig herstel van de rooms-katholieke bisschoppelijke hiërarchie in Nederland, liet Van Ruler een eigen geluid horen. Hij trad geregeld als spreker op en stelde dan openlijk dat de protestbeweging tegen het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie ‘volkomen misplaatst’ was geweest. Dit leverde hem veel sympathie op in rooms-katholieke kring.”

Iets heel anders wat Stelwagen blijvend heeft geraakt: Van Rulers positieve theologische waardering van de geschapen werkelijkheid: ,,Zijn lofzang op de geschapen werkelijkheid heeft mij blijvend aangesproken. Dat je ook genieten mag van het leven! Hij hield ons voor: ‘Eens zal God vragen: hoe heb je het gevonden? Heb je ervan genoten?'”

Kerkorde, kerkrecht, ambt. Verzameld werk deel V-B. A.A. van Ruler. Bezorgd door D. van Keulen, P. van den Heuvel, J. Stelwagen. Uitgeverij KokBoekencentrum. 59,90 euro. Zie voor meer informatie www.aavanruler.nl.

Register stelt je de vraag wie je bent

Madelon Vroonland

Geslachtsregisters in de Bijbel zijn lange lijsten van namen, die we vaak amper goed uitgesproken krijgen. Zinnen zonder werkwoorden volgen elkaar op. Ik kan me goed indenken dat het aan de eettafel iets lacherigs oproept. Wat kunnen we ermee?

De tweede zondag van mijn zomerserie over moeilijke of saaie Bijbelteksten stonden de geslachtsregisters centraal. Ook zo’n groep teksten die vaak wordt overgeslagen. Mijn opa vertelde mijn moeder toen ze kind was hierover: ,,die kun je beter overslaan. Die zijn voor mensen die er studie van maken, zoals dominees. Wij kunnen er niet zoveel mee…” Ze zijn voornamelijk te vinden in het Oude Testament, maar om de balans er deze zomer in te houden tussen Oude en Nieuwe Testament, heb ik ervoor gekozen om de registers van Matteüs 1 en Lucas 3 centraal te stellen.

Geslachtsregisters werden vroeger vaak gebruikt om aan te geven dat iemand een belangrijke functie zou kunnen uitoefenen, bijvoorbeeld als priester of als koning. Zeg maar als een soort curriculum vitae, maar dan niet gebaseerd op wat je hebt gedaan, maar op wie je bent – en ván wie je er een bent.

Veertien

Het geslachtsregister in Matteüs begint met ‘Een overzicht van de afstamming van Jezus Christus, zoon van David, zoon van Abraham’. Via drie keer veertien generaties werkt Matteüs van Abraham naar Jezus. Daaruit spreekt: ‘Mensen, zie, deze Jezus is verbonden met het voorgeslacht van de geschriften! Dit is Jezus, de Messias! Hij stamt af van David!’

Er zitten veertien geslachten tussen Abraham en Koning David, veertien tussen Koning David en de Babylonische ballingschap en nog eens veertien tussen de Babylonische ballingschap en Jezus. (Zie voor meer over de betekenis van het getal veertien en andere getallen het boek Vertellen met getallen van Casper J. Labuschagne.) Daarbij voegt Matteüs ook vijf bijzondere vrouwen – ieder met een verhaal dat niet doorsnee is. Mensen, dit is een bijzondere man, kijk maar naar waar Hij vandaan komt!

Lucas heeft dus ook een geslachtsregister. Niet zoals Matteüs aan het begin van zijn evangelie, maar direct na Jezus’ doop. Dit register loopt van Jezus terug naar Adam. Lucas heeft geen vrouwen opgenomen in het register en kiest ook voor een ander aantal: 77. Precies 77 geslachten zitten er volgens Lucas tussen Jezus en Adam: elf maal zeven, het getal van de vervulling maal het getal van de volheid.

Volheid

De zending van Jezus begint als de Heilige Geest bij de doop op Hem neerdaalt. Die zending is voor iedereen, voor alle volken. Die volheid, die totaliteit gaat met Jezus in vervulling. Zo zijn het twee geslachtsregisters met een eigen verhaal over wie Jezus is. De zoon van David, de zoon van Abraham, de Messias. Degene die komt met volheid in haar meest omvattende vorm, met zending voor alle volken.

Nu kunt u bij het lezen van deze twee geslachtsregisters denken: ergens klopt het niet. De namen verschillen, het aantal generaties ook… Zeker. Ook ‘klopt’ het geslachtsregister van Matteüs niet in vergelijking met 1 Kronieken 3.

Maar daar ging het de schrijvers ook niet om. Het ging om het verhaal wie deze Jezus is. Het stelt onszelf de vraag: wie ben ik? In een maatschappij waarin alles lijkt te gaan om wát we zijn – wat ben je, wat heb je gepresteerd, wat is je nut, hoeveel likes heb je – in zo’n samenleving kunnen we vastlopen als het ‘wat’ gaat haperen. Kijk maar naar een tv-programma als Beau en de veteranen. Een groep veteranen met PTSS leerde inzien dat wat ze deden, wat ze moesten doen, wat ze niet mochten of niet konden doen, wel deel uitmaakt van hun verhaal, maar dat dat hen niet maakt tot wie ze zijn. Het was een rol in hun leven, maar hun leven is niet beperkt tot die rol.

Confronterend en helend

Dat is een les die voor ons allen zo nu en dan confronterend, maar ook helend kan zijn. Als het ‘wat’ van ons leven hapert, in onze prestatiemaatschappij, blijft er het ‘wie’ over. Wie ben ik? Daar ging het om in de geslachtsregisters. Wie is Jezus? De zoon van David, de zoon van Abraham, de zoon van Adam, de zoon van God. De Messias, die gekomen is voor iedereen.

Geslachtsregisters saai? Of alleen voor dominees? Nee hoor, er zit een heel verhaal in, voor iedereen. Het laat zien wíe iemand is. Daardoor houden ze ons een vraag voor: Wie ben ik? Los van wat ik doe of heb gedaan? Los van wat ik bereikt heb? Wie ben ik…? In ieder geval: een kind van God.

Madelon Vroonland is predikant van Protestantse Wijkgemeente Leeuwarden-Huizum-Oost.