Auteursarchief: webredactie

Wapens tegen ringeloren

Tamarah Benima

Misschien is het u ook overkomen. U leest een artikel over een onderwerp waar u veel van weet en concludeert: ‘Het zit er net naast.’ Op essentiële punten heeft de journalist de materie niet begrepen. Als ik zelf word geïnterviewd, kost het me vaak uren om de fouten (feiten, interpretatie, citaten) in de tekst te corrigeren. Ik neem het de schrijvers niet kwalijk. Om een onderwerp of mens goed te snappen, moet je studeren, lezen, luisteren. En daarna, juist formuleren. Die tijd wordt vaak niet genomen.

Doordat het bij mij als geïnterviewde zo vaak mis gaat, en bij de onderwerpen waarop ik expert ben, ga ik ervan uit dat hetzelfde euvel zich voordoet bij andere onderwerpen en geïnterviewden. Berichtgeving over nieuwe medicijnen? Journalisten gaan meestal af op persberichten, ze lezen niet de testresultaten van de onderzoeken naar dat nieuwe medicijn. Berichtgeving over landen in Afrika of Azië? Hoe kan een correspondent die over een heel werelddeel moet schrijven meer dan oppervlakkige informatie geven? Zeker in dictaturen als Zimbabwe, Cambodja of Saudi-Arabië?

Nep

Daarom is de hele ophef over nepnieuws zo nep. De Russen beïnvloeden onze berichtgeving. Echt waar? De Amerikanen beïnvloeden onze berichtgeving. Zou het? Op internet stikt het van de misleidende informatie. Je meent het? Er wordt met een verontwaardiging gereageerd alsof het in de wereld brengen van onzin, achterklap, leugens een nieuw verschijnsel is. Terwijl het zo oud is als de mens, zeker sinds hij begon te schrijven, zo’n vijfduizend jaar geleden.

Niet voor niets is een van de Tien Geboden: ‘Je zult geen valse getuigenis afleggen’, meestal (foutief) vertaald als ‘Je zult niet liegen’. De roep om censuur, en nog erger, de censuur die er al is op sociale media als Facebook, betekent een kneveling die de democratie ernstig gaat ondermijnen. Leer mensen liever te onderkennen wanneer informatie niet kán kloppen. Leer ze argumenteren en logica en statistiek, en geef ze vooral veel kennis. Want daarmee gewapend hoeven ze zich niet te laten foppen en ringeloren.

Liturgie omvat de ‘dubbele beweging’ van God naar de mens en omgekeerd

Dick Vos

Kan alles zomaar in de kerkdienst? Wat kenmerkt protestantse liturgie? Over die vragen boog de generale synode van de Protestantse Kerk zich op 17 november als opmaat voor een kerkbreed gesprek over vieren.

De manier waarop kerkdiensten opgebouwd en ingevuld zijn, verschilt enorm. De verschillen kunnen ook binnen één kerkgenootschap dusdanig groot zijn dat je je elders soms kunt afvragen waar je terechtgekomen bent, ondanks het bekende logo op de deur. Hebben al die variaties toch een gemeenschappelijk theologisch fundament? En zo ja: wat is dat dan en hoe gaan we daarmee om in deze tijd?

De synodeleden van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) bogen zich op donderdag 17 november op Nieuw Hydepark in Doorn over dit soort vragen. Niet om besluiten te nemen of knopen door te hakken, maar om een bezinnend gesprek over liturgie in de hele kerk voor te bereiden.

Speelveld

Het onderwerp is relevant, want ook binnen de afzonderlijke gemeenten kan het lastig zijn om te bepalen wat nog wel kan en wat niet. Hoe groot is het speelveld van de liturgie? Wat zijn de grenzen en wanneer gaan we daarover? Waarop baseer je wat je wel of niet wilt in de dienst? Naarmate de samenleving diverser wordt, wordt de kerk veelkleuriger, constateert Barnard, en groeit de variatie in vormen van eredienst en in lied- en muziekrepertoire.

Als voorzet voor de bespreking in de synode schreef prof. dr. Marcel Barnard, hoogleraar Praktische theologie/liturgiewetenschap aan de Protestantse Theologische Universiteit (PThU) een handreiking: Tot Gods Eer. Samen met een impressie van de bespreking in de synode en een aantal gespreksvragen zal de handreiking in het nieuwe jaar aangeboden worden aan de gemeenten.

De reformatoren kozen principieel voor vrijheid ten aanzien van liturgische vormen, schrijft Barnard. En dat schept ruimte. Omdat het Woord vrij is, moet ook het kader waarin dat functioneert niet gefixeerd worden. De kerken van de reformatie kennen daardoor van oudsher een grote liturgische diversiteit. Tegelijkertijd erkenden ze de ‘veldtekens van het evangelie’ waaraan de christelijke eredienst wordt herkend: geroepen zijn en ontmoeten, loven en aanbidden, horen en proclameren, bidden en delen. Een zekere spanning tussen vrijheid en vormvastheid hoort bij de protestantse eredienst.

Verschillende tradities

Er zijn de nodige verschillen tussen kerkdiensten in de klassiek-gereformeerde traditie, de lutherse en de neocalvinistische, en vieringen van gemeenten die in de traditie van de Liturgische Beweging staan. In Praise and worship, liturgie zoals die in meer evangelicale, pentecostale en vrije gemeenten wordt gevierd, gaat het weer heel anders. Net als in gemeenten die uitdrukkelijk missionair willen zijn, in migrantenkerken, kinderdiensten, Taizédiensten, evensongs of roze vieringen en in diensten in zorginstellingen of bij justitie of defensie. Van de belangrijkste van deze tradities zet de handreiking kort de achtergronden en de kenmerken op een rijtje. Er wordt bij vermeld dat er in de praktijk vaak sprake is van mengvormen of van een welbewuste ‘bricolage’, oftewel ‘knip- en plakwerk’. ‘Bricolageliturgie komt tegemoet aan de diversiteit van gemeenten, ieder herkent iets van zijn of haar traditie’, schrijft Barnard.

Het hart van de handreiking wordt gevormd door zeven kenmerken van protestantse liturgie, die per stuk onderbouwd worden. Uiteraard wordt verwezen naar Bijbelteksten, maar ook naar het Dienstboek en naar kerkliederen.

‘De eredienst is een dienst van God aan mensen, die de dienst van mensen aan God oproept, draagt en omvat’, is het eerste kenmerk. Gods ja gaat vooraf aan het menselijke amen. De kerkdienst omvat daarom de ‘dubbele beweging’ van God naar de mens en omgekeerd van de mens naar God. Om die reden speelt de verkondiging ook een belangrijke rol in de protestantse kerkdienst: er komt een woord naar de gemeente toe, er wordt haar iets aangezegd dat niet in haar eigen hart kan opkomen.

Dat de protestantse eredienst een dienst aan het Woord van God is, ‘betekent dat zij de levende ontmoeting tussen God en de gemeente is’. Het Woord van God is in de eerste plaats namelijk het vleesgeworden Woord: Christus zelf, de levende Heer. Maar het gaat niet alleen om het Woord. Net zo goed als Gods Woord ook zijn daden omvat, omvat het antwoord van de gemeente meer dan alleen maar woorden. Het menselijke antwoord bestaat ook uit handelingen: het gaat niet alleen om ‘verkondigt’, maar ook om ‘doet dit’. Liturgische handelingen – nemen, delen, breken, musiceren, zingen, bewegen, zitten, staan, knielen en spreken – zijn alle onlosmakelijk elementen van de eredienst en verdienen alle even grote zorgvuldigheid, benadrukt Barnard.

Juichend Pasen

Andere kenmerken hebben betrekking op het sacramenteel karakter van de eredienst en de werking van de Heilige Geest. Juist door de Geest – beweeglijk als de wind – kan liturgie niet anders dan dynamisch zijn; de Geest ‘verhindert dat het geloof stolt in vaste vormen’.

Protestantse liturgie kijkt terug in herinnering aan de daden van God in Christus, beschouwt de huidige tijd in het licht van de Christus, en ziet vooruit naar het rijk van God. Liturgie laat ook een zorgvuldige balans zien tussen verworteling in de liturgische tradities van de reformatie en verbondenheid met de oecumene. Dat een verwijzing naar oecumene direct de nodige vragen oproept, wordt onderkend. ‘De omgeving en de traditie van de gemeente zullen hier vooral bepalend zijn’, stelt de handreiking.

Het laatste kenmerk, ‘liturgie is weerklank van Gods eer of heerlijkheid’, onderscheidt vier concrete criteria. Liturgie schept een ruimte waarin de ontmoeting tussen de drie-ene God en de gemeente kan plaatsvinden. Muziek, taalhandelingen en inrichting van de eredienst moeten gemeenschap stichten en samenbinden. In liturgische taal en muziek moet enerzijds de eer en heerlijkheid van God doorklinken – ‘iedere zondag is het weer juichend Pasen’ – maar anderzijds is er aandacht voor pijn, onrust, verdriet en verbittering omdat de verlossing nog uitstaat en de gemeente leeft in het ‘nog niet’. Tenslotte behoort de protestantse liturgie mensen in beweging te zetten om de nood van deze wereld te helpen lenigen, aldus de handreiking.

De handreiking Tot Gods Eer is te vinden bij de stukken voor de synodevergadering op 17 en 18 november op www.protestantsekerk.nl.

De overheid als vreemd hemellichaam

Contrapunt
Sytze Faber

Staat de westerse democratie op omvallen? Door – zoals dat vroeger heette – verval van krachten?

Vijfennegentig jaar geleden marcheerde Mussolini met zijn zwarthemden naar Rome om een fascistische dictatuur op poten te zetten. Dit lustrum is gevierd! Op 4 november marcheerden tweeduizend zelfverzekerde militante neo-fascisten door Rome. Slogans: ‘Alles voor het vaderland’, ‘Stop de immigratie’, ‘Gooi alle indringers het land uit’. Italië moet, zo riepen de leiders, heroverd worden op de dievenbende die nu aan de macht is.

In de Verenigde Staten vonden tussen 2001 en 2016 85 terroristische aanslagen met dodelijke afloop plaats. Daarvan werden 23 door jihadisten en 62 door extreemrechtse Amerikanen gepleegd. Een veroordeling van die 62 komt president Trump maar moeilijk over de lippen.

In 1941 verbrandden Polen in Jedwabne hun Joodse stadsgenoten levend. Vorige week zaterdag marcheerden 60.000 Poolse ‘patriotten’ door Warschau. Leuzen: ‘Voor Jedwabne bieden wij geen excuses aan’, ‘Europa zal wit zijn of onbewoond’. Motto van de demonstratie: ‘Wij willen God’.

Extreemrechts

Zondag was er een anti-islam-actie van extreemrechts in Enschede. De bouwgrond voor een moskee werd ‘ingewijd’ met varkensbloed. Ook hier een bewuste link met het christendom: groot kruis, klokgelui.

Extreemrechts heeft religieuze trekken. De liefde voor de natie en het ‘echte’ volk (gemeenschap van ware gelovigen), messiaans aandoende adoratie voor leiders, afkeer van de gevestigde (‘heidense’) orde en elites. Bij ons weet Thierry Baudet – die in de Tweede Kamer Wilders naar de rechtse kroon steekt – niet of God bestaat, maar we moeten volgens hem wel doen alsof. Voor de orde en het overzicht. Nationalisme met een religieuze saus om het secularisatiegat te dichten. Polen heeft geen saus nodig, daar gaan extreem nationalisme en conservatief katholicisme nog hand in hand. Zou ik de paus óók wel eens over willen horen.

Dubbeltjes

Extreemrechts paart virulent nationalisme aan socialisme, aan betrokkenheid bij dubbeltjes die geen kwartjes worden. Het kreeg de wind in de zeilen door het fanatieke geloof in de zegeningen van markt, het in het wilde weg privatiseren van basale overheidstaken en de afbraak van de verzorgingsstaat. Was getekend: Wim Kok, Jan Peter Balkenende, Mark Rutte. Kansrijken redden zich wel met digitalisering en globalisering, de dubbeltjes werd houvast afgepakt. Partijbelangen van partijen met nog nauwelijks wortels in de samenleving en verblekende idealen – Rutte vindt visie een vies woord – leidden bij de overheid tot incompetentie en harteloosheid. Een handjevol voorbeelden van de laatste dagen.

Onbesuisdheid van een minister, onvoldoende kennis van zaken en politieke oogkleppen maakten van de vorming van de Nationale Politie een treurmars.

Bij het mestbeleid zetten de belangen van de varkenshouderij decennialang de toon. Milieu en omwonenden konden barsten. In Noord-Limburg en Oost-Brabant, zo toonde niet de politiek maar onderzoeksjournalistiek van NRC Handelsblad aan, staat het zelfs stijf van de fraude.
Europese Commissie en de Europese Centrale Bank maakten, zo rapporteerde de Europese Rekenkamer, een zootje van de reddingsoperatie van Griekenland. Er ging minstens 45 miljard euro door de schoorsteen. De politiek keek toe.

Belastingparadijs

Bij de gaswinning in Groningen prevaleerde politieke hebzucht boven het welzijn van de inwoners. Niet dankzij de politiek, maar door een rechterlijke uitspraak komt daar nu hopelijk een eind aan.

Nederland is voor superrijken een belastingparadijs, buitenlandse aandeelhouders krijgen door afschaffing van de dividendbelasting een douceurtje van 1,4 miljard, zieke flexwerkers en levenslang gehandicapten gaan er daarentegen minstens 5 procent in netto inkomen op achteruit.

Voor velen is de overheid anno 2017 een vreemd hemellichaam geworden. De sociale ethiek moet terug in de politiek. Anders is er met het verval van krachten geen houden aan.

Reageren? fabersyma@gmail.com

Het gaat in Marcus niet om Jezus’ wonderen

Tjerk de Reus

In zijn boek God ontmoeten in Marcus beschrijft de Britse oud-aartsbisschop Rowan Williams hoe anders God omgaat met macht en nederigheid dan mensen gewend zijn. En hoe verwarrend dat is.

Verfrissend kun je het gerust noemen, om aan de hand van Rowan Williams op expeditie te gaan door de Bijbel. Dat is natuurlijk ook te danken aan het feit dat deze voormalige aartsbisschop van de Anglicaanse kerk uit een andere kerkelijke sfeer komt. Voor Nederlandse lezers slaat hij sowieso een verrassende toon aan. Maar het is ook echt zijn opzet om zijn lezers de Bijbel te laten ervaren alsof ze die voor het eerst lezen. Dat blijkt ook in het recent verschenen God ontmoeten in Marcus, een boek dat qua opzet vergelijkbaar is met het eerder dit jaar verschenen God ontmoeten in Paulus. In Marcus is de verbijstering over het optreden van Jezus Christus tastbaar, vindt Williams.

Ongepolijst verslag

Het evangelie volgens Marcus is het oudste en meest beknopte evangelie, dat vaak wordt beschouwd als een nogal ruw, ongepolijst verslag van Jezus’ leven, sterven en opstanding. Marcus zou min of meer uit de toon vallen bij de andere, meer doordachte en gestileerde evangeliën. Maar daarmee is Williams het niet eens. Juist de sprakeloosheid die je bij Marcus voelt, intrigeert hem.

Williams denkt dan vooral aan het einde van Marcus’ evangelie volgens de oudste handschriften. Die eindigen met de verwarring en de vrees van de vrouwen bij het lege graf. Pas in latere handschriften is daar een stuk aan toegevoegd, de tweede helft van hoofdstuk 16. Oorspronkelijk zou die duiding er dus niet zijn geweest. Het evangelie heeft dan dus een open einde: het laat zien hoe de volgelingen van Jezus met de mond vol tanden staan en ook niet weten wat ze ervan moeten vinden. Geen gekke slotsom, vindt Williams, want wie Jezus is en wat in Hem aan de orde is, doorkruist fundamenteel ons denken en onze verwachtingen.

Het boek van Williams bestaat uit vijf gedeelten. Allereerst zijn er drie hoofdstukken waarin de persoon van Marcus aan de orde komt, daarna het ‘Messiasgeheim’ en ten slotte de betekenis van Jezus’ sterven en opstanding. Daarop volgt per hoofdstuk een reeks gespreksvragen, waarna het boekje afsluit met een leesrooster. Het is dus een behapbaar en overzichtelijk geheel, toegankelijk voor een breed publiek. Het boek biedt zeker geen complete uitleg van Marcus.

Messiasgeheim

Het is heel beperkt wat Williams hier doet: hij kiest eigen accenten en bespreekt slechts een paar invalshoeken. Centraal voor hem is de spanningsvolle verhouding tussen het overweldigend nieuwe dat in Jezus naar voren komt aan de ene kant, en de oproep om te zwijgen en het ‘Messiasgeheim’ aan de andere kant. Jezus zegt geregeld dat men geen ruchtbaarheid moet geven aan zijn wonderen. Bovendien zegt hij nauwelijks iets wat erop duidt dat hij zichzelf als de Messias beschouwt. Tal van Bijbelwetenschappers concluderen daaruit dat ‘de historische Jezus’ helemaal geen goddelijke pretenties had. Jezus als de door God gestuurde Messias, dat zou een interpretatie van later tijd zijn.

Daar denkt Williams anders over. Het zwijgen heeft een diepere zin, betoogt hij. ‘Wat Jezus te zeggen heeft, is zo gemakkelijk verkeerd te interpreteren dat er niet over gesproken kan worden.’ Verkeerd interpreteren wil zeggen: de mensen zien hem maar al te graag als een charismatische wonderdoener, en niet meer dan dat. Maar zo wil Jezus niet begrepen worden, concludeert Williams uit Jezus’ oproep om te zwijgen over de wonderen. Hij noteert: ‘wat Jezus zelf weigert te doen is zijn bevoegdheid baseren op ‘tekenen en wonderen’.’

Ontmoeting

Gaat het dan om iets heel anders? Inderdaad, zegt Williams: het gaat om vertrouwen en mededogen, om de relatie van mensen tot hem en omgekeerd. ‘En uit die ontmoeting tussen vertrouwen en mededogen komt het wonder voort’. In Jezus verschijnt God op een manier die mensen niet verwachten en ook niet zo goed kunnen plaatsen. Centraal hierbij zijn nederigheid en het afzien van macht. Dit krijgt echter niet zonder slag of stoot voet aan de grond in mensenlevens. Jezus’ dood is het losgeld om mensen vrij te kopen van hun zieke ideeën over macht en aanzien, vindt Williams.

De kern van het nieuwe, waar we ons volgens Williams steeds weer op moeten oriënteren omdat het ons ontglipt, is dit: ‘De God die alles gaat veranderen, die voor eeuwig de toestand waarin mensen leven zal veranderen, is een God die aan macht-voorbij-is zoals wij die macht graag verstaan. Een God die geloof niet afdwingt of ruzies beslecht, maar die steeds weer een relatie en vertrouwen vereist.’

Hoe dit uit het Marcus-evangelie spreekt, maakt Williams op een bevlogen manier duidelijk.

God ontmoeten in Marcus. Rowan Williams. Berne Media, 14,90 euro

De academie voor het leven in Bolsward

Hildebrand Bijleveld

De leden van de pauselijke Academie voor het Leven werden eerder dit jaar door paus Franciscus naar huis gestuurd. Wie tot dit orthodoxe bolwerk van wetenschappers, artsen, theologen en advocaten wilde toetreden, moest daarvoor eerst een prolife-eed afleggen. Die eed is nu afgeschaft en er zijn nieuwe leden benoemd. De paus wil vooral gericht zijn op de pastorale vraag rond het kwetsbare levenseinde. Daarom ook stuurde hij een inlevende brief naar de Europese wetenschappers die zich samen buigen over vraagstukken rond het levenseinde. De paus heeft in die brief oog voor de menselijke keuzevrijheid een medische behandeling te weigeren, ook als dat het onvermijdelijke sterven naderbij brengt. Hij wijst er op dat technologische en economische motieven geen reden mogen zijn levensverlengende behandelingen aan te bieden. Hij noemt dat een futiel verzet tegen de dood.

Tegelijk ziet hij het als een verplichting dat de arts bij de patiënt blijft, ook als hij medisch-technisch niks hoeft te doen. In de gefragmentariseerde zorg dreigen arts en verplegers zich soms terug te trekken, zo schrijft hij. Nabijheid is geen echte verrichting en is ook meer dan een incidenteel palliatief consult en heeft waarschijnlijk geen financieringscode. Toch, schrijft de paus, hebben medici ‘een verantwoordelijkheid tot nabijheid’. Tegelijkertijd vraagt hij wetenschappers en wetgevers geen wetgeving en praktijk toe te staan die het mogelijk maken zelf het leven via ingrijpen te bekorten.

Waarde van een mens

Het is niet goed te achterhalen waar het in Nederland is misgegaan, terwijl die discussie op Europees niveau wel heel goed gevoerd kan worden. Enerzijds kan het komen door de drammerige opstelling van partijen als D66, die medische ondersteuning bij de zelfgekozen dood willen organiseren ook als daar geen medische grondslag voor is. Anderzijds wordt mensen aangepraat dat als je zelf geen volledige regie meer hebt over je leven, je niet meer meetelt en het dan nog slechts wachten op de dood is. Alsof de waarde van een mens wordt bepaald aan de hand van wat iemand presteert of kan.

Afgelopen week bleek ook op een bijeenkomst in Bolsward dat de doodswens bij voltooid leven in het overgrote deel van de gevallen een schreeuw van verdriet en eenzaamheid is; met de zelfgekozen dood als vlucht naar voren. Daar past geen recht op euthanasie of zelfdoding bij, maar wel nabijheid en echt wederkerig luisteren en spreken. Stop met de soms futiele medische strijd tot levensverlenging, maar probeer het ook niet met middelen te verkorten. Van artsen, verzorgers en ook familieleden wordt soms niets anders gevraagd dan nabij te zijn.

De bijeenkomst over het levenseinde in Bolsward heette Café Doodgewoon. Dat had misschien beter de Academie voor het Leven kunnen heten.

Geen daden, maar woorden

De Haagse week
Henk van der Laan

En daar was hij weer: Hans Wiegel. Ooit VVD-leider en vicepremier, maar sinds zijn vertrek uit de landelijke politiek in 1982 al 35 jaar de beste politieke stuurman aan de Nederlandse wal.

Deze week was hij door 50Plus uitgenodigd voor een hoorzitting over het afschaffen van de wet-Hillen, de subsidie op een afgeloste hypotheek. Wiegel heeft nog altijd een stevige maar speelse mening over de politiek en is nog altijd populair – dus 50Plus verzekerde zich van aandacht.

Wiegel is niet zozeer populair vanwege het beleid dat hij ooit voerde, maar vanwege zijn uitstraling en het feit dat niemand zo goed door had hoe belangrijk beeldvorming is. Daar had Wiegel geen spindoctor voor nodig, dat kon hij heel goed zelf. Een sprekende anekdote is dat hij als minister van Binnenlandse Zaken ’s avonds de lichten in het Torentje (toen nog de werkkamer van de minister van Binnenlandse Zaken ) eens aan liet staan en tegen zijn chauffeur zei bij wegrijden: ,,Jan, kijk eens naar het Torentje, de minister werkt.”

Ander voorbeeld. Wiegel zette de PvdA onder leiding van Joop den Uyl altijd neer als potverteerders. Maar het was zijn kabinet – het kabinet Van Agt-Wiegel (1977-1981) dat de overheidstekorten pas echt gierend uit de klauwen liet lopen. Toen CDA-minister Andriessen in 1980 zei op te stappen als er niet meer werd gesneden om de begroting op orde te brengen, kreeg hij geen steun van vicepremier Wiegel en zijn VVD-ministers. Die wilden helemaal niet bezuinigen. Dus ging Andriessen alleen weg. Het was pas Ruud Lubbers die vanaf 1982 de scherven van de crisis van eind jaren zeventig, begin jaren tachtig opruimde.

Discrepantie

Met een dergelijke discrepantie tussen politieke woorden en daden komen politici nog steeds weg. Een mooi verhaal spreekt nog altijd meer aan dan daadwerkelijke overwinningen in beleid in de Tweede Kamer. Kijk naar Thierry Baudet. Dat de kersverse politicus nog weinig deuken in de Haagse boter slaat, kun je nog gooien op zijn onervarenheid – de Haagse procedures effectief naar je hand zetten, kost nu eenmaal tijd – maar dan je moet het wel probéren.

Maar waar was Baudet met zijn grote woorden over een Nederlandse vertrek uit de EU toen de begroting van Buitenlandse Zaken werd besproken? En waar was referendumliefhebber Baudet toen de begroting van Binnenlandse Zaken voorlag? Hij deed niet eens mee aan de debatten.

Straks speelt hij wel weer de show op lezingen, tv-shows en sociale media over een nexit of een referendum. Maar de minister uit de tent lokken met een goede vraag op basis van dossierkennis tijdens een Tweede Kamerdebat, ho maar. Baudet maakt grote sier met een paar sweeping statements die het als internetfilmpjes heel goed doen bij zijn aanhangers maar in het debat speelt hij geen rol van betekenis.

Toch is de VVD bang voor hem. Niet omdat hij het kabinet in gevaar zal brengen maar omdat hij met zijn acties zo populair wordt dat hij zetels van de liberalen afpakt. Want in zetels is Baudet geïnteresseerd, niet in het bijsturen van beleid.

Hans Burger had ook een tobber kunnen zijn

Hanneke Goudappel

Is Jezus iemand van het verleden, iemand van de toekomst of ook van het heden? Tijdens zijn promotieonderzoek trof het Hans Burger dat christenen vaak leven met ‘een stukje Jezus’. Dan dreigt versnippering, zegt hij, terwijl dwars door alle kerkelijke denominaties heen het besef zou moeten leven: de verbondenheid met Christus is de dragende grond onder alles, en dat verbindt ons allemaal. Gesprek over zijn boek Leven in Christus, en over hoe dat zijn eigen leven veranderde.

De wieg van Hans Burger (1974) stond in Dokkum. Zijn vader was predikant in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). In zijn zesde levensjaar verhuisde Hans naar Naarden. Daar groeide hij op. In 2006 kwam hij terug naar Friesland. Samen met zijn vrouw Janneke leidde hij de gereformeerd-vrijgemaakte kerk van Franeker-Sexbierum: Hans vier dagen als predikant, Janneke, ook theoloog, voor een dag in de week als kerkelijk werker.

Tweeënhalf jaar wonen ze nu met hun drie kinderen weer in Kampen, waar ze elkaar 21 jaar geleden leerden kennen. Hans Burger is nu universitair docent Systematische Theologie aan de Theologische Universiteit Kampen. Er waait een heel andere wind dan toen hij er zelf in 1992 ging studeren. De universiteit is in de laatste decennia opener geworden en veel docenten en studenten kennen een missionaire bevlogenheid.

Dat was in 1992 wel anders, vertelt Burger in de gezellige, kleurrijke woonkamer in Kampen. Het was de tijd net na de Val van de Muur en de Apartheid. De gereformeerde wereld verloor langzaam haar isolement. De sfeer was kritisch. Dat riep bij hem de vraag op: heb je iets aan de gereformeerde traditie of niet? Later hoorde hij dat mensen bang waren dat hij zijn geloof zou verliezen. Zelf ervoer hij het meer als een zoektocht. In die zoektocht werd hij getroffen door de Duitse filosoof Hans-Georg Gadamer (1900-2002) en diens boek Waarheid en methode uit 1960. ,,Gadamer presenteert openheid als een deugd. Ik vroeg mij af of die openheid er was in onze traditie. Of waren we vooral defensief, en wilden we problemen niet onder ogen zien?”

Nieuw houvast

Daarnaast werd Burger geraakt door Luther en door woorden van de apostel Paulus. ,,Het trof me dat het evangelie dat Luther herontdekte, hem een nieuw houvast gaf. Ik las in die tijd onder meer Romeinen 6 en het raakte mij diep: Jezus is opgestaan uit de dood en dat maakt verschil in ons leven hier en nu. We mogen in Christus een nieuwe schepping zijn, zoals Paulus zegt in 2 Korintiërs 5. Dat is een heel ander perspectief dan wat sommige vrijgemaakte predikanten in die tijd preekten: je bent zondig, er is vergeving en je moet dankbaar zijn.”

Zijn gevoel van malaise over de gereformeerde traditie was voor Burger reden om dezelfde vraag als Luther te stellen: waar gaat het evangelie over? Op zoek naar antwoorden werd Burger na zijn studie aio in Kampen. Hij schreef een proefschrift over ‘zijn in Christus’, waarop hij in 2008 promoveerde met een lijvig boekwerk: Being in Christ. ,,Ik ontdekte steeds meer dat je niet van elkaar los kunt maken wie Christus in het verleden voor ons was, wie hij nu voor ons is en wie hij in de toekomst voor ons zal zijn. Wie Christus is, is bepalend voor mijn identiteit. Of ik nu bij de bakker sta, lesgeef of op de preekstoel sta: ik sta daar met Christus. Om het met Paulus te zeggen: ik leef in Christus en Christus leeft in mij.”

Wat maakt dat voor verschil in Hans Burgers leven? Leven in verbondenheid met Christus betekent dat hij het leven positief tegemoet kan treden, vertelt hij. ,,Ik ben geborgen in Christus. Ik sta niet meer op het spel; ik hoef mezelf niet te handhaven. En: er is hoop en toekomst voor deze wereld. Als puber had ik een behoorlijk donkere kijk op het leven en op relaties. Het licht is aangegaan in mijn leven. Ik had ook een verschrikkelijke tobber kunnen worden. Van nature ben ik genadeloos voor mezelf. Ik leer om net zo genadig voor mezelf te zijn als God voor mij is. Dat geeft ruimte voor groei. Het gaat niet meer om de vraag: wat maak ik van mijn leven? Ik mag Christus aantrekken en ben veilig in hem. Tegelijk mag hij zichtbaar worden in wat ik doe – dat ik op hem ga lijken in hoe ik me gedraag.”

Navolging

De promotie van Hans Burger op de figuur van Christus en zijn boek Leven in Christus maken deel uit van een bredere beweging in de gereformeerde wereld om Christus centraal te zetten. Werkt deze aandacht door in de kerken? Volgens Burger is er wel meer aandacht gekomen voor Christus, maar is er kerkbreed nog winst te boeken. ,,Bijvoorbeeld als je ziet dat ‘Christus centraal’ in de praktijk betekent ‘Christus als voorbeeld’. Navolging alléén – als er niets onder ligt – is uiteindelijk heel moralistisch. De dragende laag voor levensvernieuwing is Christus zelf. De vraag: wat zou Jezus doen?, blijft in de lucht hangen als je het niet eerst hebt over de bron.”

Je leeft dan als het ware met een te kleine Jezus, stelt Burger. Tijdens zijn onderzoek viel hem op dat christenen vaak leven met een stukje Jezus. ,,Ieder deel van de christelijke traditie plaatst zijn eigen accenten. Dat kan de navolging van Jezus zijn, maar ook de plaatsvervanging (’Christus droeg de straf voor onze zonde’) of de persoonlijke relatie met Jezus. Die laatste, evangelische benadering legt een druk op de beleving: je moet de positieve ervaring van de relatie met Jezus hebben. Als je die niet hebt, of als het je soms bij de handen afbreekt, waar blijft dan je verbondenheid met Christus? Terwijl ook dat hoort bij het leven met Christus. Zinloosheid en vergankelijkheidservaring vallen niet weg. Je kunt ze met Christus een plek geven in je leven.”

,,Als wij te maken hebben met worstelingen en vragen in ons leven, willen we er vaak eerst zelf uit zijn voor we ermee bij God komen. We worstelen wat af op eigen houtje. Maar leven in Christus betekent nu juist dat je mét Jezus uit het veld geslagen kunt zijn. En dat je teleurstelling, boosheid en verdriet samen met Hem kunt doormaken.”

Versnipperen

Leven in Christus bevat aanbevelingen van Jos Douma (gereformeerd-vrijgemaakt), Wim van Vlastuin (hersteld hervormd), bisschop Gerard de Korte, Wilkin van de Kamp (evangelisch) en Arjan Markus (PKN). ‘In onze tijd, vol onzekerheid op het vlak van identiteit en zingeving, is niets belangrijker dan een boek over het vinden van je identiteit in Jezus Christus’, schrijft Markus.

Burger hoopt dat zijn boek dwars door alle denominaties wordt gelezen. ,,Wat zou het mooi zijn als we van elkaar weten: dit delen wij. Uit welke traditie je ook komt, uiteindelijk gaat het over deze dragende kern: de verbondenheid met Christus.” Hij vindt het van belang dat juist voorgangers en predikanten de hele Christus zien. ,,We moeten niet in de postmoderne versnippering ook Jezus laten versnipperen. Het evangelie is en blijft een groot verhaal. Dat hebben we nodig. Anders raak je als christen stuurloos. Daarom is het belangrijk dat voorgangers in de kerk zicht houden op het grote geheel.”

De Kamper docent heeft zijn boek vooral voor hen geschreven. Hij gaat het zelf gebruiken om zijn studenten mee te geven: Christus is de dragende grond onder álles. ,,Alle andere thema’s in het christelijk leven, zoals gerechtigheid, duurzaamheid, missionair kerkzijn, de gaven van de Geest, worden gedragen door die diepere laag van de verbondenheid met Christus.”

Stevig maar toegankelijk

Burger heeft zijn proefschrift – ruim zeshonderd pagina’s in het Engels – vertaald naar een goed leesbaar boek. Stevige kost, maar zeker ook toegankelijk voor theologisch geïnteresseerden en studiekringen. Daarvoor zijn gespreksvragen in de maak.

Voor zijn proefschrift analyseerde hij destijds twee apostelen en vier theologen: de evangelisten Johannes en Paulus, Herman Bavinck (1854-1921), de puritein John Owen (1616-1683), de Duitse filosoof Ingolf Dalferth en de Britse ethicus Oliver O’Donovan. Ze hebben alle zes zijn denken over ‘zijn in Christus’ op eigen wijze gevormd, maar het meest werd hij geïnspireerd door Oliver O’Donovan. ,,O’Donovan is voor mij een heel belangrijk theoloog en een van de grootste ethici van dit moment. Ik ben onder de indruk van hoe vrijmoedig en tegelijk orthodox hij zijn verhaal doet. Drie van de vijf begrippen die ik in mijn boek uitdiep als het gaat over de plaatsbekleding van Christus – substitutie, representatie en participatie – komen van hem.”

Burger begint het boek met een blik op de traditie: Hoe kijken wij naar Jezus en hoe deden ze dat vroeger? Vervolgens komt het verhaal van Israël aan bod en het verhaal van Jezus zelf. In de hoofdstukken daarna werkt hij de plaatsbekleding van Christus uit. Het boek besluit met de vraag wie wij zelf in Christus zijn en hoe we God in Christus leren kennen. De theologen laat hij in Leven in Christus achterwege, behalve in de hoofdstukken over Paulus en Johannes.

Geheim

Leven in Christus blijft bij alles wat je erover kunt zeggen, een geheim, benadrukt Burger in zijn boek. ,,Niet voor niets spreekt de Bijbel er vooral in beelden over. Denk aan de ranken aan de wijnstok (Johannes 15). Dat ik een rank aan de wijnstok ben, moet in de praktijk vlees en bloed krijgen. Wat dat in de praktijk betekent, kun je alleen maar zelf, al levend ondervinden. Tijdens mijn onderzoek stuitte ik op het beeld van kleding (Galaten 3:27): je mag je met Jezus bekleden zoals je kleding aantrekt. Dat betekent enerzijds dat je een nieuwe identiteit krijgt: je mag er in gaan leven. Tegelijk zijn de kleren nog te groot: je mag erin groeien. Jezus is om je heen en Hij bedekt je.”

Leven in Christus is in deze wereld bovendien nog niet compleet. ,,We leven tussen wal en schip. Ons leven wordt sterk getekend door het reeds, en nog niet van het koninkrijk van God. Vergelijk het met genezing. Ik geloof dat God geneest. Tegelijk blijft alle genezing hier oplappen, op basis van ons onvolmaakte leven. Dit lijf is nog het lijf dat deelt in het lijden van Christus. We gaan allemaal een keer dood, of je nu genezen wordt of niet.”

Zo geldt het ‘reeds en nog niet’ ook voor het leven in Christus. ,,Je kunt vaak genoeg merken dat God in je leven is, maar je kunt er ook overheen kijken, het negeren of wegduwen. Of verslappen.”

Leven in Christus. Over de betekenis van het verhaal van Jezus. Hans Burger. Uitgeverij Van Wijnen, 27,50 euro
Op vrijdag 24 november is er aan de Theologische Universiteit in Kampen een studiedag over het boek.

Regel voor regel door de tekst van de NBV uit 2004

Lodewijk Born

Bijna een jaar lang wordt er achter de schermen al gewerkt aan de revisie van De Nieuwe Bijbelvertaling (NBV). De herziening zorgt voor een aanscherping én bijstelling op bepaalde punten. Monnikenwerk met als doel om te komen tot een tekst waarbij nog meer lezers zich straks thuis voelen.

Het was een gebeurtenis die in oktober 2004 live op de Nederlandse televisie werd uitgezonden: de presentatie van De Nieuwe Bijbelvertaling in Rotterdam. Voor het eerst kwam er een nieuwe Bijbel, die de opvolger moest worden van de zo vertrouwde 1951-vertaling die decennialang was gebruikt. Toen nog koningin Beatrix nam het eerste exemplaar in ontvangst – een moderne culturele editie overigens.

Grondtekst

De NBV moest zich toen gaan bewijzen als gebruiksboek in de kerk én bij gelovigen thuis. Vanaf het begin – zelfs voor de officiële verschijning – was er overigens al kritiek. Er waren tal van hoogleraren en theologen die zich niet kon vinden in hoe de grondtekst was vertaald. Het leidde tot debatten in de pers, in theologische tijdschriften en op internetfora.

Het Nederlands Bijbelgenootschap (NBG) wist dat die storm er zou kunnen komen. Nooit zal iedereen het met gemaakte vertaalkeuzes eens zijn. En ook de gewenning aan de nieuwe taal speelde mee. Zeker als het ging om vertrouwde teksten als het Onze Vader, de Tien geboden of het kerstevangelie. De NBV moest eerst in de praktijk gebruikt worden, zodat met die leeservaringen later wat gedaan kon worden.

Vergeten woorden of verschrijvingen die lezers tegenkwamen, werden al direct verwerkt in nieuwe drukken. Vorig jaar verscheen de negende druk. Matthijs de Jong werkzaam bij het Nederlands Bijbelgenootschap is de projectleider van de groep die werkt aan een nieuwe tekst. ,,Bij de verschijning van de NBV in 2004 is al toegezegd aan de kerken dat er op enig moment een revisie zou komen waarin de bevindingen van de gebruikers zouden worden meegenomen.”

Database

Het NBG kreeg in de afgelopen jaren duizenden reacties en suggesties, men verzamelde artikelen met kritiek die verschenen en andere publicaties over de NBV. ,,Al die informatie hebben we in de aanloopfase naar de revisie in een database opgeslagen.”

In het begin van dit kalenderjaar is een team van acht deskundigen – allen in dienst bij het NBG – aan de slag gegaan. ,,Het zijn kenners van de grondtalen van de Bijbel – het Hebreeuws en Grieks – en neerlandici.” Het is zowel in als buiten Nederland een goed gebruik om belangrijke en veelgebruikte Bijbelvertalingen na verloop van tijd te reviseren. Zo gebeurde dat onlangs in Duitsland nog met de Lutherbijbel. ,,We reviseren de NBV omdat we ervan overtuigd zijn dat deze prachtige vertaling nog verder aan kracht en aan impact kan winnen”, zegt De Jong. Er zijn al diverse Bijbelboeken klaar: ,,Genesis en Matteüs, Jona en Ruth, Amos, Micha, Obadja en Nahum en van de deuterocanonieke boeken Judit en Tobit.”

Teksten nalopen

Het is een intensief proces, want regel voor regel worden de teksten nagelopen door het huidige revisieteam. ,,Het mooie is dat het een mix is van mensen die meewerkten aan de totstandkoming van de NBV in 2004, maar een ander deel nieuw is er zodoende fris naar kijkt. Zelf ben ik ook pas sinds 2006 bij het NBG in dienst, al heb ik natuurlijk wel al elf jaar gewerkt met deze vertaling.”

Tussen de reacties en suggesties die werden ontvangen, zitten allerlei gevallen waarvan de relevantie en de verbetering wordt ingezien. ,,We toetsen alles en soms kom je dan samen tot de conclusie dat iets aangepast kan en dient te worden.” De Jong geeft twee voorbeelden. ,,In Genesis 1:2 staat ‘De aarde was nog woest en doods, en duisternis lag over de oervloed, maar Gods geest zweefde over het water.’ Lezers vielen over het woord ‘nog’. Ze vonden dat de vertalers daarmee iets hadden toegevoegd wat onnodig was. Als je naar de grondtekst kijkt kán het woord in principe wel, maar we zeggen nu: we laten het weg, het wordt daardoor ‘minder ingevuld’ voor de lezer.’’

Een ander voorbeeld is Matteüs 10:29. ‘Wat kosten twee mussen? Zo goed als niets. Maar er valt er niet één dood neer als jullie Vader het niet wil.’ ,,De grootste moeite zat hier bij het laatste deel van dat vers ‘als jullie Vader het wil’. Dat het Gods wil zou zijn als de mussen dood neer zouden vallen, dat wierp bij sommigen een naar, onbestemd gevoel op. Waardoor wat de tekst feitelijk wil zeggen, dat je geborgen bent in Gods hand, op de achtergrond verdween. Daarom wordt dat tekstgedeelte nu ‘…buiten jullie Vader om.” Het zijn volgens De Jong ,,kleine wijzigingen, die voor mensen een groot verschil kunnen opleveren.”

Op de achtergrond

Het revisiewerk is nog lang niet ten einde. Eind 2020 moeten alle Bijbelboeken klaar zijn om gedrukt te worden. Gedurende het proces kijkt een begeleidingscommissie naar wat de projectgroep aan wijzigingen voorstelt. Die commissie leest dus op de achtergrond al mee.

Kan dan straks de oude NBV uit 2004 – plat gezegd – ‘bij het oud papier?’. De Jong laat die vraag open: ,,Het is aan de kerken en mensen zelf of ze straks een nieuwe NBV aanschaffen. De versie uit 2004 is straks nog steeds herkenbaar. En het is nog altijd een goede vertaling waar wij helemaal achter kunnen staan, maar we hebben ook beloofd: er komt een revisie. “

Er was – vanwege de kritiek op De Nieuwe Bijbelvertaling – ook een categorie gebruikers die liever de Herziene Statenvertaling (HSV) gebruikte, die in 2010 uitkwam. ,,We hopen dat we beoogde NBV-gebruikers met de herziening zo tegemoet komen dat dit nu voor hen ook hun Bijbel wordt.”

De Jong denkt dat het niet alleen blijft bij de wijziging van wat er straks op papier staat. De huidige tijd van technologische ontwikkelingen gaat zo snel dat een digitale applicatie van de ‘NBV van 2020’ er ongetwijfeld weer zal komen. Net zoals er nu al meer dan twintig vertalingen te vinden zijn op de site www.debijbel.nl. Die zijn via elk digitaal apparaat te raadplegen, zoals de tablet, laptop en smartphone.

Op www.debijbel.nl/nbvrevisie staan de teksten van de Bijbelboeken Genesis 1 en Hebreeën 1.

Genocide in Jemen, ach ja…

Tamarah Benima

Er wordt een volkerenmoord gepleegd. Op dit moment. Al 2,5 jaar is daar naartoe gewerkt. In Jemen wonen zo’n 27 miljoen mensen. Zeven miljoen lopen gevaar de hongerdood te sterven, bijna een kwart van de bevolking. Vertaal dat naar Nederlandse verhoudingen: ruim vier miljoen mensen. Vergelijk: tijdens de Hongerwinter stierven er tussen de 22.000 en 16.000 mensen (de schattingen lopen uiteen), op een bevolking van negen miljoen, oftewel 2,5 procent.

In Jemen dreigen dus verhoudingsgewijs tien keer zo veel mensen te sterven door acties als die van de Duitse bezetter. En wie zijn de moderne nazi’s? De Saudi’s. Ze hebben maandag alle toegangswegen, over land, zee en in de lucht afgesloten. Er mag geen rijstkorrel meer in. De Houthi-rebellen (door Iran gesteund) moeten worden uitgeroeid. En de bevolking in gebieden die door de Houthi’s worden beheerst ook. Over het vrijwel totale gebrek aan politieke en journalistieke aandacht voor deze genocide verbaas ik me niet meer. De roddel en achterklap in het publieke domein lijkt op het zout in de Dode Zee: alles blijft er op drijven. Voor een moordpartij als in Jemen is slechts aandacht als het mee kan drijven op het media-zout van de voyeuristische heksenjacht op plegers van seksueel geweld.

Is seksueel geweld erg? Ja. Maar staat het stuitende gedrag van oversekste powermannen in verhouding tot het dodelijke geweld in Jemen? Nee, nee, en nog eens nee. Maar dat maakt ons Nederlanders niks uit. Waarom ook?! We voeren voor 1,5 miljard euro uit naar dat moorddadige land, en we importeren voor ruim 600 miljoen. Als je wilt, wordt je er onbekommerd bij geholpen door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Is er tijdens het debat over de regeringsverklaring iets over de genocide in Jemen gezegd? Welnee. Waarom ook? Het kan ze geen bal schelen. De vorige handelsmissie werd door premier Rutte verkocht als mogelijkheid om met de Saudi’s te spreken over de strijd tegen IS. Maar bedenk, het aantal doden dat IS heeft gemaakt valt in het niet bij de miljoenen wier leven door de Saudi’s wordt bedreigd.

Duizend pagina’s inventaris openen 120 meter archief Universiteit Kampen

Dick Vos

Een driedelig inventarisoverzicht van het archief van de Theologische Universiteit Kampen werd vrijdag gepresenteerd aan vertegenwoordigers van de universiteit, de stad Kampen en de Protestantse Kerk in Nederland. Archivaris Albert Mensema werkte er bijna zeven jaar aan.

Niet voor niets werd er in Kampen een uitgebreide studiemiddag gekoppeld aan het gereedkomen van de Inventaris van de Archieven van de Theologische Universiteit Kampen 1854-2006 samengesteld door A.J. Mensema. Dit overzicht van de inhoud van het archief van de voormalige Theologische School van de Gereformeerde Kerken ontsluit niet alleen het archief van de universiteit zelf, maar geeft ook zicht op de geschiedenis van vooral de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN). De inventaris beslaat de periode vanaf de oprichting van de school tot het vertrek van Kampen naar Amsterdam, toen de universiteit inmiddels opgegaan was in de Protestantse Theologische Universiteit.

Monnikenwerk

Uitgebreide aandacht was er deze middag voor het beheer en de ontsluiting van kerkelijke en theologische (faculteits)archieven, waarbij specialisten uit heel Nederland aan het woord kwamen. Zo vertelde dr. Jacob van Sluis iets over de wijze waarop Tresoar in Leeuwarden met archieven omgaat.

Aan het einde van de middag werd de complete inventaris aangeboden aan Mechteld Jansen, rector van de PThU, Bort Koelewijn, de burgemeester van Kampen, en Sjaak van ’t Kruis namens de Protestantse Kerk in Nederland.

Het was werkelijk monnikenwerk, blijkt uit de verhalen van Albert Mensema (72). In 2007 had hij afscheid genomen als archivaris bij het Historisch Centrum Overijssel te Zwolle, maar voor dit klusje bleek hij na zijn pensioen nog wel te porren. ,,Dat houdt je van de straat en uit het café.” Dat het niet in een paar dagen gereed zou zijn, dat wist hij van tevoren. Maar bijna zeven jaar gemiddeld zo’n drie dagen per week, had hij toch niet helemaal voorzien. Het resultaat is een inventaris van 1043 pagina’s, verdeeld over drie banden.

Het gaat dan ook over 120 meter papier, legt Mensema uit, dat nu keurig opgeborgen is in zuurvrije dozen en dat straks bij het Stadsarchief Kampen te raadplegen zal zijn. ,,Het kan nu zeker weer honderd jaar mee.” De inventaris komt ook online, zodat mensen thuis kunnen uitzoeken waarvoor ze wel of niet naar Kampen hoeven af te reizen.

Contemplatief

De archieven lagen op zolder in de gebouwen van de universiteit aan de Oudestraat en aan de Koornmarkt, vertelt Mensema. ,,Soms lagen stukken die bij elkaar horen bij elkaar, maar soms ook helemaal niet. Het begon met tachtig meter, maar toen de universiteit naar Amsterdam ging verhuizen, kwamen er kasten leeg en bureauladen, en dan kwam er weer zo’n bananendoos met ordners. ‘We hebben nog wat voor je’, was het dan.” Heel contemplatief zat hij er, naar eigen zeggen, de eerste tijd aan te werken op een zolderkamer van de universiteit. ,,Met één raampje waardoor je alleen de hemel kon zien – en dat was alles.” Na de verhuizing kon hij zijn werk vervolgen ten kantore van het Stadsarchief in Kampen. ,,Dat was toch wat aardiger, zo tussen een aantal jongere collega’s.”

Van alles kwam Mensema tegen op zijn speurtocht door de papieren. Ertussen zaten bijvoorbeeld ook archieven van studentenverenigingen die in een bepaalde tijd heel bewust kringlooppapier gebruikten. ,,Inderdaad is dat zeer goed voor het milieu, maar over honderd jaar is daar niets van over. Een gedeelte van het archief vernietigt zichzelf dus.” De studenten maakten de klus ook op andere manieren soms lastig. ,,Dan stond er boven een brief ‘vrijdagmorgen’. Tja… maar welke datum en welk jaar? En dan stond eronder: ‘Piet’.” Nee, zelfs dat soort kattebelletjes ging niet weg. ,,Dan keek ik of ik er met behulp van andere paperassen toch nog een datum aan kon plakken en of ik erachter kon komen wie Piet was. Nee, dat was geen reden om te zeggen: dat mag niet meedoen. Maar dat kostte soms wel de nodige tijd, en dan dacht ik weleens: die dekselse jongelui!”

Hij had een bijzonder kerkhistorisch en theologisch archief onder handen, weet Mensema. ,,Je komt van alles tegen, vanaf het begin van de School der Kerk. Maar ook de originele Acte van Afscheiding uit 1834 zit in dit archief. En allerlei stukken over de Vrijmaking natuurlijk. Dat lag daar gewoon op zolder – ik denk dat ze zelf niet wisten wat ze allemaal hadden.”

Egodocumentjes

Via zijn werk kreeg Mensema een bijzonder kijkje in de geschiedenis van de universiteit. ,,Als je in de negentiende eeuw naar Kampen wilde, dan moest je eerst een opstel schrijven over je beweegredenen om dominee te willen worden. Dat zijn prachtige egodocumentjes. En stel dat je overgrootvader gereformeerd dominee was en je kunt zoiets nu terugvinden. Prachtig om te lezen wat er omging in die mensen en hoe ze toen dachten. Naast verslagen van hoogleraren die vergaderden over de vorderingen van de studenten en curatoren die zich afvroegen hoe ze aan geld konden komen, kom je dus ook hele persoonlijke dingen tegen.”

In de oorlogsjaren kwam alles zo’n beetje tot stilstand, bleek Mensema. ,,Er werden uiteindelijk ook geen colleges meer gegeven.” Het had ook niet veel gescheeld of alle studenten waren in die periode met professor Schilder meegegaan met de Vrijmaking. ,,In 1943 waren er nog 135 studenten, in 1945 nog maar 50. De Vrijmaking was een behoorlijke aderlating.” Maar het kan verkeren, want in de jaren tachtig had de universiteit 430 studenten, weet Mensema. ,,En kom daar nu nog eens om bij theologie.” De universiteit zag in diezelfde tijd ook in dat studenten niet bij boeken alleen konden leven. Ze probeerde voor elkaar te krijgen dat er in de stad een bioscoop kwam.

Ook Wiljan Puttenstein, bibliothecaris en archivaris van de universiteit, onderstreept het belang van de inventaris. Voor genealogisch onderzoek is er nogal eens vraag naar, weet hij, vooral als het gaat om de negentiende eeuw. Maar hij herinnert zich bijvoorbeeld ook onderzoek naar de betekenis van kerk en universiteit voor Duitse en Hongaarse studenten.