In het regeerakkoord wordt nauwelijks bezuinigd op ontwikkelingssamenwerking. Dat is goed. Ondersteuning van arme landen is nog steeds nuttig. Maar de hulp moet dan wel efficiënt gegeven worden. Nederland moet zich concentreren op thema’s waar het goed in is.
In het tumult rond de formatie van het kabinet zou je bijna vergeten dat het gewone politieke werk van de partijen doorgaat. Zo heeft het Wetenschappelijk Instituut van het CDA vorige week zijn visie op ontwikkelingssamenwerking gepubliceerd. Een onderwerp dat gevoelig ligt als we ons realiseren dat de mening van het CDA op dit dossier tegenover die van de VVD en PVV staat.
Waarom dan nu een visie op ontwikkelingssamenwerking, zult u denken. De reden is een praktische. Oorspronkelijk was het de bedoeling het rapport rond de zomer uit te brengen. Dan zou het mooi kunnen dienen als input voor het schrijven van en verkiezingsprogramma van het CDA voor de verkiezingen van 2011. Het is anders gelopen. Het kabinet-Balkenende IV is eerder gevallen dan gedacht. Het rapport was nog niet ver genoeg om al voor de verkiezingen van afgelopen juni te publiceren. Vandaar dat het nu is gepresenteerd.
Werkelijkheid
Wat is de visie van het CDA? Belangrijk hiervoor is ons te realiseren hoe we de werkelijkheid zien. De centrale gedachte is dat de huidige problemen en die van komende generaties wereldwijd zijn. Door de toename van de wereldbevolking en het toenemende welvaartspeil in verschillende opkomende landen wordt het beslag op schaarse middelen steeds groter. Natuurlijke hulpbronnen raken steeds sneller uitgeput. Dit geldt voor delfstoffen (ijzererts) en energie (olie en gas) maar ook voor fosfaat dat gebruikt wordt voor kunstmest.
Kunstmest is steeds meer nodig voor het telen van voedsel van de groeiende wereldbevolking. Niet alleen neemt het aantal mensen toe dat gevoed moet worden, een groter aantal wil ook luxer eten, vooral vlees. De productie van vlees is echter erg inefficiënt, waardoor het beslag op de grond nog weer toeneemt.
Vruchtbare grond
Het is de vraag of de wereld voldoende vruchtbare grond heeft om de voorspelde wereldbevolking te voeden. Individuele landen lossen dit steeds meer op door grond in andere landen te leasen. Op deze manier proberen ze grond veilig te stellen voor het verbouwen van voedsel voor de eigen bevolking.
Daar bovenop komen nog de gevolgen van de klimaatverandering. Verwacht wordt dat in veel gebieden de regenval veel onregelmatiger zal zijn dan nu het geval is. Andere regio’s zullen lijden onder de stijgende zeespiegel. Het gevolg is dat zoet water, dat bruikbaar is voor irrigatie en drinkwater, steeds schaarser wordt.
Belangrijk is het besef dat dit wereldwijde problemen zijn. Oplossingen vereisen dan ook een wereldwijde samenwerking, vandaar de titel van het rapport Ontwikkelen doen we samen. Dit ‘samen’ heeft betrekking op alle aspecten: de problemen, de oplossingen, en de inspanningen om tot oplossingen te komen. Het laatste kan ook omdat er in landen die vroeger arm waren een economische middenklasse en elite is ontstaan die kan bijdragen aan de oplossing van de armoede in eigen land. Hierbij valt te denken aan de opkomende landen als China, India en Brazilië. Maar ook in verschillende Afrikaanse landen zijn rijken ontstaan. Hierdoor kunnen deze landen zich zelf ontwikkelen. Ontwikkeling zal vooral vanuit de landen zelf moeten komen.
Betekent dit dat we ons dan zonder meer kunnen terugtrekken? Nee, want zoals hiervoor gezegd: de ontwikkeling van deze landen beïnvloedt ook de mogelijkheden voor ons.
Kleinere rol
Wat betekenen deze ontwikkelingen voor Nederland? Allereerst dat we beseffen dat onze rol (en die van de rest van Europa) kleiner wordt. Een gevolg zal zijn dat onze rol in internationale organisaties als het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank vermindert.
Een ander is dat we blijven beseffen dat we gebaat zijn bij internationale samenwerking. Vandaar dat het rapport pleit voor het handhaven van de norm om 0,7 procent van het Bruto Nationaal Product te besteden aan ontwikkelingssamenwerking. Toegegeven wordt dat deze norm in de jaren zestig is ontwikkeld en nu wellicht anders zou moeten zijn. Handhaving van de norm heeft echter de voorkeur omdat het bestuurlijk rust geeft en uitdrukking geeft aan de internationale solidariteit.
Hoewel economische ontwikkeling vooral vanuit de desbetreffende landen zelf moet komen, kan ondersteuning vanuit andere landen een nuttige bijdrage leveren. Deze hulp moet dan wel efficiënt besteed worden. Daarom wordt ervoor gepleit de directe financiering van overheidsbegrotingen van ontwikkelingslanden door Nederland (de zogenaamde begrotingssteun) alleen dan te verrichten als de desbetreffende regering niet corrupt is. Dergelijke steun heeft namelijk als mogelijk nadeel dat de regering zich te veel op buitenlandse donoren richt en de verantwoording naar eigen bevolking verwaarloost. Als dat zo is, werkt hulp contraproductief.
Onnodige bestedingen
Een andere bron van inefficiëntie is dat elk jaar de begrote bedragen grotendeels opgemaakt moeten worden. Deze bestedingsdruk kan leiden tot onnodige bestedingen. Daarom stelt het rapport voor een egalisatiefonds op te richten, zodat uitgaven over meerdere jaren gespreid kunnen worden.
De effectiviteit van hulp kan bevorderd worden als Nederland zich concentreert op die thema’s waar het goed in is. In navolging van het Innovatieplatform wordt gekozen voor landbouw en waterbeheer. Persoonlijk vind ik dat wel erg eng en op de landbouw gericht. Ik denk dat deze landen ook kunnen leren van onze kennis en ervaring in het collectief verzekeren en sparen.
Het aanbrengen van focus is op zichzelf goed. Dit impliceert ook dat er geen keuze vooraf is gemaakt voor het aantal landen waar Nederland mee samenwerkt. De gedachte is dat dat afhangt van het aantal landen waarbinnen de thema’s toegepast kunnen worden.
Papierwerk
Een aantal voorstellen heeft betrekking op de hulp verstrekt door particuliere organisaties voor zover gefinancierd via het Medefinancieringsbeleid. De laatste jaren wordt steeds meer geklaagd dat deze organisaties uitvoerders van het overheidsbeleid zijn geworden. Dit gaat gepaard met veel papierwerk en controles. Allemaal middelen die niet aan ontwikkeling worden besteed. Het voorstel van het CDA is om deze organisaties meer vrijheid te geven in het bepalen van de doelen. De tegenprestatie is dat dan de eigen bijdrage verhoogd wordt van 25 procent naar 50 procent. Het gevaar is dan echter weer dat veel geld gestoken wordt in gemakkelijk uitvoerbare en de gevers aansprekende, maar ineffectieve projecten. Daarom is het voorstel dat de overheid op de bestedingen toeziet door een certificering van de organisaties.
Wat is hiervan het regeerakkoord gekomen? Relatief veel, vind ik. Tegen de wens van VVD en PVV in wordt nauwelijks gekort op het budget van ontwikkelingssamenwerking. Ook zijn overgenomen de voorstellen om begrotingssteun te beperken in geval van corruptie en om te focussen op thema’s zoals watermanagement, landbouw en maatschappelijk middenveld. Een goed resultaat dus. Het is natuurlijk wel afwachten wat er in de praktijk van terecht komt met een kabinet dat afhankelijk is van een partij die samenwerken niet in haar vaandel heeft staan.
Prof.dr. Eelke de Jong is hoogleraar internationale Economie aan de Radboud Universiteit Nijmegen. De Jong was lid van de commissie die het schrijven van het rapport ‘Ontwikkelen doen we samen’ begeleidde