Rob den Boer
zaterdag 20 oktober 11:00
In de 19e eeuw is hard gestreden voor het bijzonder onderwijs. Maar is die wel goed voor de integratie van kinderen in de samenleving? Rob den Boer interviewde Kars Veling. Het probleem ligt niet in de vrijheid van onderwijs, vindt Veling. “De uitdaging is op elke school te werken aan verbinding met de samenleving.”
De school introduceert jongeren in werelden die ze van huis uit niet kennen. Foto: ANP Marco de Swart
ProDemos, een organisatie die namens de overheid de betrokkenheid van burgers bij de democratie wil bevorderen, houdt een
debat over de vraag ‘Is er nog ruimte voor religieuze minderheden?’. Dr. Kars Veling, directeur van ProDemos, voormalig fractievoorzitter van de ChristenUnie in de Tweede Kamer en schoolleider, legt uit waarom bijzonder onderwijs volgens hem de integratie van leerlingen niet in de weg zit.
Wat vindt u belangrijker, de vrijheid van onderwijs of integratie?
“Dat is een onmogelijke keuze. De integratie wordt niet verstoord door ons onderwijssysteem. In Den Haag bijvoorbeeld, waar ik van 2003 tot 2011 heb gewerkt als rector van het Johan de Witt College, is het percentage allochtonen op bijzondere scholen niet lager dan op openbare.
Alleen scholen die zich baseren op uitgesproken geloofsopvattingen kennen nog een overwegend homogene leerlingenpopulatie. Die kinderen komen gewoonlijk minder snel in aanraking met andere bevolkingsgroepen. Daar kun je als onderwijsinstelling wat aan doen. Een ander bestel, met één type school, lost daarom niets op.”
Zouden niet alle leerlingen, onafhankelijk van het gekozen schooltype, levensbeschouwelijk onderwijs moeten krijgen?
“Een school heeft de taak kinderen te helpen hun wereld te vergroten. Dat betekent dat de school, ongeacht de achtergrond, hen moet introduceren in werelden die zij van huis uit niet kennen. Het is belangrijk dat zij weten wat er in de samenleving gebeurt en welke religieuze verschillen er zijn.
In Nederland is de vrijheid van onderwijs in de grondwet verankerd. Scholen zijn er om jonge mensen aan te moedigen om een bijdrage te leveren aan de maatschappij en dat mogen ouders in Nederland op grond van hun eigen overtuiging doen. Pluriformiteit is een groot goed.”
Is het een optie om het bijbelonderwijs bij de kerken neer te leggen?
“In de christelijke gemeenschap is het een hele belangrijke opdracht om nieuwe generaties vertrouwd te maken met de Bijbel. Daarom is de vrijheid van onderwijs zo’n groot goed. Omdat ouders zelf scholen kunnen stichten die de kerken daarin steunen. Het leerprogramma sluit dan aan bij wat er in de kerk wordt verteld. Juist die wisselwerking is belangrijk. Daarom hoop ik dat het bijbelonderwijs niet uit de christelijke scholen zal verdwijnen.”
Veel ouders die niet gelovig zijn, laten hun kinderen toch naar een bijzondere school gaan omdat ze denken dat het onderwijs beter is. De identiteit van zo’n school zou daardoor kunnen verwateren. Moet de Bijbel dan de maatstaf blijven of vooral goed onderwijs?
“Het wezen van de vrijheid van onderwijs is nu juist dat ouders zelf de keuze kunnen maken naar welk type school ze hun kinderen sturen. In deze tijd zit het verschil tussen openbaar en bijzonder onderwijs ook niet meer in de eerste plaats in de levensbeschouwing, maar in de rechtsvorm, namelijk door de overheid bestuurd, of door een vereniging van ouders.
Als een bijzondere school toch de Bijbel centraal wil stellen, dan is het bestuur volledig vrij om de identiteit te handhaven, bijvoorbeeld via een specifiek toelatingsbeleid. Identiteit is namelijk nooit iets anders dan wat je er samen van maakt. Onder invloed van de secularisatie kan een bijzondere school ook besluiten andere keuzes te maken.”
Moeten nieuwkomers meteen integreren in het Nederlandse onderwijsbestel, of is het beter ze eerst als groep te onderwijzen?
“Als rector van een groep van scholen had ik ook een school onder mijn hoede, speciaal voor nieuwkomers. Zij moesten hun weg nog leren vinden in Nederland. De groep had als groot voordeel dat het tempo voor de leerlingen te volgen was en dat zo hun kans op aansluiting bij het vervolgonderwijs kon worden vergroot. Het was dus een soort ‘taal-inburgeringsschool’.
Maar voor het overige vind ik dat nieuwkomers zo snel mogelijk in het gangbare Nederlandse onderwijs met autochtone leerlingen moeten worden opgenomen, al was het alleen maar om zich de taal snel eigen te kunnen maken. Het is een taak van de school om de kinderen te leren respectvol met elkaar om te gaan.”
U hebt jarenlang lesgegeven en managementfuncties vervuld in zowel het bijzonder onderwijs als op openbare scholen. Wat waren de belangrijkste verschillen?
“Ik zou liever een belangrijke overeenkomst benoemen, namelijk dat ik op beide type scholen altijd heb geprobeerd de kinderen mee naar buiten te nemen door excursies, gastlessen en uitwisselingen met scholen uit andere regio’s te organiseren. Het was opmerkelijk dat zowel gereformeerde ouders als vaders van kinderen met een islam-achtergrond aan mij vroegen: ‘Kan dat allemaal wel, is dat niet een beetje te onbeschermd?’
Dan was mijn antwoord dat het juist de taak van een school is om te stimuleren dat kinderen hun eigen achtergrond meebrengen en leren om zelf hun positie in de wereld te bepalen. Zo wordt de omgeving van thuis verbonden met de buitenwereld.”
Toch laait de discussie over artikel 23 van de grondwet over de vrijheid van onderwijs steeds weer op.
“Dat heeft voor mij vooral symbolische waarde. De achterliggende gedachte is namelijk vaak dat een pluriform onderwijssysteem achterhaald zou zijn en dat de maatschappij ontgroeid is aan religieuze minderheden.
Terwijl in democratie juist besloten ligt dat de meerderheid rekening houdt met de belangen van minderheden. Het is vooral belangrijk dat de discussie veel concreter gevoerd gaat worden. Op abstract niveau kun je niet besluiten of integratie wel of niet geslaagd is.”