Pieter Anko de Vries
zaterdag 06 oktober 10:36
Aan het verlenen van hulp aan anderen zitten veel haken en ogen. De filosofie van Emmanuel Levinas kan handvatten bieden om het goede te doen.
Wordt een dakloze echt door mij geholpen als ik hem geld geef? Foto EPA
De Franse filosoof Emmanuel Levinas (1906-1995) heeft de westerse filosofie totaal veranderd. Zijn denken, dat niet het ‘ik’ centraal stelt, maar de ‘ander’, zorgde voor een nieuwe blik op de mens en de wereld.
In het boek
Levinas in de praktijk. Een handleiding voor het best mogelijke helpen, privé en in de zorg, beschrijft de Nederlandse filosoof Jan Kleij hoe het denken van Levinas ons kan leiden als we hulp willen bieden aan anderen.
Ondoorgrondelijk
Levinas wordt door velen als ondoorgrondelijk beschouwd. Dat komt vooral omdat hij het gangbare westerse denken op zijn kop heeft gezet. Daarnaast bieden zijn teksten de lezer weinig houvast. Want de jood Levinas schrijft op een rabbijnse manier: hij vindt dat de waarheid niet in de taal gezocht en gevonden kan worden. Hierdoor is zijn werk relatief ontoegankelijk.
Kleij is een zelfstandig gevestigde filosoof en Levinas-kenner. Hij publiceerde in 2009 een boek over de filosofie van Levinas. Dit jaar verscheen zijn boek Nietzsche als opvoeder. Volgens Kleij heeft de filosofie van Levinas veel praktische waarde, die zich heeft bewezen in vele cursussen voor onder anderen leken, artsen, maatschappelijk werkers en verpleegkundigen. Centraal staat hierin steeds de vraag: hoe kan ik het best mogelijk helpen?
Het helpen van anderen lijkt nobel, maar is omgeven door talloze voetangels en klemmen, zo brengt Kleij naar voren. Met het helpen van een ander kun je bijvoorbeeld macht over hem uitoefenen. De relatie van helpende tegenover geholpene is vaak die van een ‘meerdere’ (sterke) tegenover de ‘mindere’ (zwakke). Kleij: ‘Het is fijn om macht uit te oefenen over anderen, die zich veel moeten laten gezeggen in hun positie van zwakkere. Er steekt mogelijk hypocrisie in het zogenaamde belangeloze helpen.’
Onafhankelijkheid
Uitgaande van de filosofie van Levinas zegt Kleij dat hulp altijd in het teken moet staan van de onafhankelijkheid van de ander. En onafhankelijkheid betekent hier dat de ander zich thuis voelt bij zichzelf, zelfs als hij door zijn situatie uiterst afhankelijk is. In het kort komt het hier op neer: helpen is het geluk van een mens bevorderen.
De ander doet een appèl op mij alleen al door zijn aanwezigheid. Denk maar, zegt Kleij, aan de krantenverkopende dakloze bij de supermarkt. Alleen al doordat hij er staat, zet hij mij aan het denken en doet hij mij afvragen of ik wel of niet moet helpen.
Een appèl is iets anders dan een verzoek. De bedelaar doet door zijn aanwezigheid een appèl op mij en verzoekt mij vervolgens een krant te kopen. Maar de vraag die ik mij serieus moet stellen is: gaat het lukken met die man als ik geld geef voor een krantje dat ik vervolgens thuis direct bij het oud papier smijt? Waarschijnlijk niet. Het kopen van een krant bestendigt zijn bedeltoestand. Is hij dan echt door mij geholpen?
We zijn goede helpers als we voor anderen geluk scheppen, ‘iemand doen lukken’, zoals Kleij het verwoordt. Tegelijkertijd is het aanmatigend om te menen dat we voor het geluk van een ander kunnen zorgen. Wat geluk is moet ieder voor zichzelf invullen. Het komt er dan ook op neer dat we de voorwaarden voor geluk moeten scheppen. Kleij: ‘Geluk kan ook worden verwoord als kwaliteit van leven. Dus: schep de voorwaarden voor kwaliteit van leven.’