Oud-studenten van de hogescholen CHE (Ede), GH (Zwolle) en Driestar Educatief (Gouda) oordeelden positief over christelijke beroepsvorming. Er is wel een kanttekening over het werken in een seculiere en multireligieuze samenleving.
Met name in mensgerichte opleidingen als Verpleegkunde en Maatschappelijk Werk kan kennis van religieuze achtergronden niet gemist worden. Foto: ANP
Vanouds heeft het christelijk hoger onderwijs zich onderscheiden door aandacht voor brede vorming. Door vakken als filosofie en ethiek moest de student oog krijgen voor de werkelijkheid buiten zijn vakgebied en voor de beperktheid van zijn wetenschappelijke invalshoek. Dat maakte het ook mogelijk een verbinding te leggen met religieus geloof.
Het is altijd lastig geweest zich iets voor te stellen bij christelijke fysica of christelijke biologie. Maar wie zich de vraag stelt wat de betekenis is van fysica ten opzichte van andere wetenschappen, of wat de zin is van leven, moet over grenzen heen kijken naar de meer omvattende werkelijkheid.
En daar komt geloof in beeld, want geloof gaat over zinvragen. Vanuit hun geloof zeggen mensen iets over het geheel van de werkelijkheid en over hun verantwoordelijkheid.
Over de grenzen
Het hoger beroepsonderwijs heeft een andere doelstelling dan het universitair onderwijs. Studenten worden opgeleid voor een beroepspraktijk. Niet de wetenschap maar het verwerven van beroepscompetenties staat centraal. Brede vorming krijgt dan een andere inhoud.
Ook hier gaat het erom over grenzen heen te leren kijken, maar dan de grenzen van beroepskennis en beroepsvaardigheden. Het beroep heeft betekenis voor de samenleving. Het vertegenwoordigt een bepaalde waarde, bijvoorbeeld zorg voor mensen (verpleegkunde), onderwijs, nieuws over wat er in de samenleving gebeurt (journalistiek), techniek, organisatiekunde.
Aan die waarden houdt men zich vaak niet en dan keert het beroep zich tegen de samenleving. De waarden staan ook vanuit de samenleving onder druk, de druk van economie en politiek. Daarom is het van belang dat de student weet wat de betekenis is van zijn beroep en aan welke spanningen beroepsbeoefenaars soms bloot staan.
Tegelijk moet de student als persoon passen bij het beroep. Een beroep is meer dan een middel om geld te verdienen, het is een wezenlijk deel van je leven en het vraagt inzet. Vandaar de aandacht voor persoonlijke ontwikkeling in de opleiding.
Positief
De ondervraagde oud-studenten konden zelf zeggen hoe zij christelijke beroepsvorming zien, daarmee tevens iets van hun verwachting aangevend waarmee ze aan de opleiding begonnen. De meesten blijken het te verbinden met persoonlijke vorming, het vinden van een eigen, christelijke beroepshouding en ethisch beoordelingsvermogen. De overgrote meerderheid van de oud-studenten, meer dan 90 procent, meent dat de hogescholen hebben waargemaakt wat ze beloven.
Men heeft de vorming als breed en als christelijk ervaren. Op de vraag wat ze eraan hebben in de praktijk van hun werk, werden als belangrijkste aspecten genoemd: beroepshouding, omgaan met religie en omgang met een verscheidenheid van mensen.
Het is opmerkelijk dat in antwoord op de vraag wat men in de opleiding heeft gemist, als eerste kennis van en omgaan met vreemde religies wordt genoemd. Men zou toch verwachten dat in opleidingen waar geloof nadrukkelijk aan de orde komt, ook andere religies besproken worden. Met name in mensgerichte opleidingen als Verpleegkunde en Maatschappelijk Werk kan kennis van religieuze achtergronden niet gemist worden.
Verschillende achtergronden
Het blijkt echter dat het niet zozeer om kennis gaat, maar om het omgaan met situaties waarin mensen verschillende religieuze achtergronden hebben of zich als volstrekt seculier beschouwen.
Weet-hebben-van is wat anders dan omgaan-met. Studenten hebben zich blijkbaar onvoldoende voorbereid gevoeld toen ze aan het werk gingen en weten met hun eigen geloof niet altijd raad.
Dat roept de vraag op in hoeverre een opleiding de weerbarstige werkelijkheid binnen de school kan halen. Sommige dingen moet je nu eenmaal in de praktijk leren. Sommigen zullen zeggen dat een christelijke opleiding per definitie veel te beschermend is. Daar staat tegenover dat studenten stages lopen tijdens de opleiding en dus niet pas na de opleiding op de praktijk stuiten.
Pluriformiteit
De onderzoekers doen de aanbeveling om in de opleiding meer aandacht te besteden aan door pluriformiteit gekenmerkte praktijksituaties. Het gevaar bestaat dat docenten te ver van de praktijk staan en te veel uitgaan van hun eigen ervaring.
In een eerste reactie van de voorzitters van de hogescholen tijdens de presentatie van het rapport werd aangegeven dat dit een belangrijk aandachtspunt is: een beroepsopleiding is geen zaak van de school alleen, maar van praktijk en opleiding samen. Daarom moeten docenten in verbinding staan met de praktijk.
Docenten
Er is de laatste jaren veel kritiek gekomen op de lichtheid van hogere beroepsopleidingen. Dat zou tot uitdrukking komen in het beperkte aantal contacturen.
Uit het onderzoek van de drie hogescholen blijkt dat oud- studenten de omgang met docenten zeer positief waarderen. Op de vraag welke aspecten belangrijk waren voor de vormig tot professional krijgen drie aspecten het cijfer 7,4: omgang tussen docenten en studenten, houding van docenten en omgang met medestudenten.
De onderzoekers trekken de conclusie dat relaties van groot belang zijn voor de beroepsvorming. Men zou ook de conclusie kunnen trekken dat hoger beroepsonderwijs geen zaak is van een leverancier bij wie studenten komen shoppen. Het gaat niet om omzet maar om samen leren. Een school, ook een hogeschool, is een leergemeenschap.
Peter Blokhuis is lector aan de Christelijke Hogeschool Ede.
N.a.v. het rapport ‘Het ideaal van christelijke vorming, een onderzoek naar de praktijk van christelijke vorming onder oud-studenten van drie christelijke hogescholen’, uitgegeven door het Centrum voor Samenlevingsvraagstukken te Zwolle.