Barend Biesheuvel leek voorbestemd om premier te worden. Dat hij dit uiteindelijk slechts kort was, is een van de raadsels van de naoorlogse politiek. Een raadsel dat in een biografie wordt toegelicht.
Barend Biesheuvel werd vanwege zijn imponerende verschijning Mooie Barend genoemd. Foto: ANP
Lang was in Nederland de biografie een genre waar maar weinig historici zich aan waagden. Sinds een jaar of tien is daar in Nederland verandering ingekomen. Jaarlijks verschijnen er meerdere politieke biografieën, die ook voor niet-historici interessant zijn. Inmiddels heeft elke naoorlogse premier zijn eigen biografie gekregen.
Een van de premiers die lang niet beschreven is geweest, is
ARP’er
Barend Biesheuvel (1920-2001). Niet vreemd, want nog maar weinigen zullen weten dat hij premier was. Hij was het namelijk maar slechts twee jaar (1971-1973) en dan ook nog in een periode die te omschrijven valt als een politieke transitieperiode: van de oude zuilenpolitiek naar polarisatiepolitiek.
Dat zijn kabinet al na een jaar viel, was een verrassing voor velen. Biesheuvel was indertijd letterlijk, hij was bijna twee meter, en figuurlijk een grote man aan het Binnenhof. Zijn uiterlijke verschijning was imponerend, hij werd niet voor niets ‘Mooie Barend’ genoemd, en wist van zijn ARP ondanks de geringe omvang een belangrijke partij te maken.
Sterke mannen
Hij leek voorbestemd om een krachtig premier te zijn. Bovendien was zijn kabinet een van ‘sterke mannen’ als Norbert Schmelzer (KVP), Molly Geertsema (VVD) en Berend Jan Udink (CHU).
Biesheuvel was een zoon van een gereformeerde boer uit de Haarlemmermeerpolder. Via zijn studie rechten en een carrière bij de Christelijke Boeren en Tuinders Bond (CBTB) kwam hij in 1956 in de Tweede Kamer.
In 1963 werd hij minister van Landbouw en vicepremier in de achtereenvolgende kabinetten Marijnen, Cals en Zijlstra (1963-1967). Daarna mislukte zijn poging om een kabinet te formeren en werd hij fractievoorzitter terwijl de ARP in het kabinet-De Jong (1967-1971) meeregeerde.
Vervolgens werd hij in 1971 alsnog premier, maar strandde voortijdig omdat de kleine coalitiepartner DS’70, een rechtse afsplitsing van de PvdA, vanwege de begrotingspolitiek in 1972 uit het kabinet stapte. Niet veel later verliet Biesheuvel zelf de politiek, omdat in een rommelige formatie zijn partijgenoten Jaap Boersma en W.F. de Gaay Fortman in het kabinet-Den Uyl stapten zonder Biesheuvels toestemming.
Fascinatie
In zijn voorwoord schrijft NCRV-journalist Wilfred Scholten, die op deze biografie promoveerde, dat hij altijd al gefascineerd was door het mislukte premierschap van Biesheuvel. Zijn onderzoek resulteerde in de lijvige biografie
Mooie Barend.
De vraag is dan natuurlijk of ruim zevenhonderd pagina’s niet wat te veel is voor een premier die te kort heeft geregeerd om iets te bewerkstelligen. Het zou niet de eerste keer zijn dat de biograaf zo vol is van zijn onderwerp dat hij zich verliest in de details. Maar nee, in dit geval boeit het boek zevenhonderd pagina’s lang.
Scholten beschrijft inderdaad wel veel details, maar doet dit zo vaardig dat het nergens verveelt. Alle details doen ertoe, omdat hij een meeslepend en tragisch epos weet te schrijven over een glanzende politieke carrière die zo volkomen abrupt stopte. De kracht van de biografie is dat de lezer ook wel weet dat het slecht afloopt, maar niet hoe en waarom.
Griekse tragedie
Mooie Barend heeft daarmee iets weg van een Griekse tragedie. Vooral ook omdat duidelijk wordt hoe groot het belang van persoonlijke verhoudingen in de politiek is. Zoals de grote strijd om het leiderschap binnen de ARP tussen Bauke Roolvink en Biesheuvel. Of de politieke onervarenheid van DS’70-ministers Willem Drees jr. en Mauk de Brauw. Of de grilligheid van ARP-linksbuiten Boersma.
Scholten weet Biesheuvel karakterologisch overtuigend neer te zetten. Want zijn karakter speelde volgens Scholten mee in het mislukken van het kabinet-Biesheuvel.
Uiteraard zijn er andere omstandigheden zoals een wankele coalitie van vijf partijen, waarvan een – DS’70 - volkomen nieuw was. En trad het kabinet aan op het moment dat de economisch vette naoorlogse jaren voorbij waren. De Nederlandse politiek was het bezuinigen verleerd, na het jarenlang opbouwen van de verzorgingsstaat.
Volgens Scholten was Biesheuvel onomstreden als partijleider, maar niet opgewassen tegen het premierschap. Hij kwam over als een krachtdadige en imponerende man, maar dat was een pantser waarachter een onzekere man schuil ging. Onzeker of de VU-intellectuelen in de partij hem zijn positie wel gunden en of de veel grotere KVP hem niet alsnog zou wippen als kabinetsleider.
Star
Zo lang hij iemand naast hem had die hem bij kon staan ging het goed, lukte dat niet dan ontstonden er problemen. Biesheuvel kon soms star en emotioneel zijn en een conflict hoog op laten spelen zonder een alternatief te hebben.
Dat was er precies wat misging op de dag dat het kabinet viel. Biesheuvel miste een adjudant. Partijgenoot Boersma was eerder een stoorzender en op VVD-minister van Financiën Johan Witteveen kreeg hij geen vat. Om DS’70 binnenboord te houden moest hij Boersma afvallen, wat hij niet durfde vanwege mogelijke problemen in de partij.
Op het moment suprême vroeg Biesheuvel geen schorsing aan om de boel te laten rusten en in de wandelgangen compromissen te sluiten, maar zette Drees en De Brauw voor het blok. Die stapten op.
Onterechte kritiek
Tegelijkertijd zet Scholten ook een verkeerd beeld over Biesheuvel recht. Door leiding te geven aan een centrumrechts kabinet en zich met hand en tand te verzetten tegen het kabinet-Den Uyl is Biesheuvel de geschiedenis ingegaan als een conservatief politicus. Dat is onterecht, zegt Scholten. De biograaf vindt de kritiek op de ongebruikelijke formatie van 1973 terecht, omdat veel eisen die de linkse partijen stelden ‘te dwaas voor woorden’ waren.
Bovendien: voor zijn premierschap was Biesheuvel de man die zich inzette voor het instellen van Ontwikkelingssamenwerking en die veel deed om de linkse radicaal-evangelischen in de ARP binnenboord te houden. Daarnaast was hij een voorstander van regeren met de PvdA en maakte hij zich eind jaren zestig zorgen over de radicalisering binnen die partij.
Voor hem als calvinist was de PvdA soms beter te begrijpen dan de rooms-katholieke KVP. Van de VVD vond hij dat die partij te veel doorschoot naar vlak individualisme en materialisme. Dat was ook een belangrijke overweging van Biesheuvel om een groot voorstander van het vormen van het CDA te zijn. Daarom maakte hij zich in zijn latere leven grote zorgen over het neoliberalisme.
Meerdere stromingen
Biesheuvel was iemand die niet uit een bepaalde stroming van de partij kwam en juist daardoor voor meerdere stromingen in de ARP acceptabel was en bij de behoudende achterban zelfs zeer populair. Hij kwam voort uit het verzuilde Nederland, maar stond voor een modernisering en vernieuwing. In de korte tijd dat het kabinet-Biesheuvel regeerde werd volgens Scholten toch nog best goed financieel-economisch beleid gevoerd.
Hij denkt dat Biesheuvel een ‘Lubbers avant-la-lettre’ had kunnen worden. ‘Met wat stuurmanskunst, zelfvertrouwen, tact en zelfbeheersing had hij zich kunnen ontwikkelen tot een premier die een kabinet leidde dat de sociaaleconomische problemen daadkrachtig had aangepakt.’
Met Mooie Barend heeft Scholten een boek geschreven waardoor niet alleen Barend Biesheuvel voor de vergetelheid wordt behoed, maar waarin ook een mooi beeld wordt geschetst van de Nederlandse politiek in de jaren zestig en zeventig en dan vooral van de laatste jaren van de ARP.
Ondanks dat het een fors boek is, verveelt het geen pagina. Een absolute aanrader voor iedereen die meer wil weten over de naoorlogse Nederlandse politiek, de ARP en het belang van het persoonlijke in de politiek.