Ruth de Jong-Hotze
zaterdag 21 juli 11:15
De heuvel met de bomen en de kleine moskee was me al die jaren niet opgevallen. De dagelijkse verkeersopstopping bij het Yagur-kruispunt aan de voet van het Carmel-gebergte had me toch de gelegenheid gegeven de omgeving te bekijken, maar de blik op het stoplicht sluit de ogen af voor de omgeving.

Carmel-gebergte. De verstilling, ondanks het geraas van de autoweg vlakbij, was totaal. Foto Wikicommons
Op een rustig tijdstip benaderde ik onlangs het beruchte kruispunt van een andere zijde, waarbij mijn aandacht werd getrokken door een leegstaande fabriek. Niet ver ervandaan zag ik de hoge bomen op de heuvel tegen de achtergrond van het Arabische dorp Ibtin.
Mijn nieuwsgierigheid was gewekt. De weg naar de nieuwe dodenstad van Haifa bleek langs de heuvel te leiden. Ik parkeerde de auto naast de kleine moskee met een groene koepel, overschaduwd door zeer oude sycamore-bomen, een zeldzaamheid in Galilea. Niet ver ervandaan zag ik de typische islamitische grafstenen binnen een ommuurde ruimte. Een eigen begraafplaats?
Drinkbak
Een groot stenen huis doemde op, een hoge poort, waarachter ik een grote verstilde binnenplaats zag. Een hek versierd met oosterse motieven, nog een huis, restanten van antieke bebouwing, een marmeren kolom, een stenen drinkbak. Wat was deze plek?
Deze plek die een ander tijdperk ademde, een plek die absoluut niet paste in de efficiënte manier van landinrichting van de staat Israël, waar geen plaats is voor een landgoed, want dat was het duidelijk, een landgoed van Palestijnse origine.
Maar die waren toch allang verwoest, stond ik me te bedenken daar bij een oude stal met verrassend moderne inrichting, echter zonder levende have. Hoe waren de eigenaars in staat geweest zich te handhaven, zo dicht op een grote stad als Haifa? Want dat er nog gewoond werd, was duidelijk.
Tijdcapsule
De verstilling, ondanks het geraas van de autoweg vlakbij, was totaal. Ik stond in een tijdcapsule van vóór 1948, de oprichting van de staat Israël.
Ik keerde terug naar het huis. Een tegelplateau op de stenen kolom naast het hek vermeldde met sierlijke westerse letters de naam Karaman.
Ik trok aan de koperen bel waarop een jonge Arabische vrouw verscheen, die zeer verbaasd was mij op dit hete middaguur te zien. Ik vertelde haar de reden van mijn komst. Ze zei even niets, greep haar beide armen en zei: ,,Ach, dit is bijzonder, uw belangstelling, ik krijg er kippenvel van! Gaat u naar mijn schoonmoeder, daar in het grote huis onder de hoge poort door, zij zal u alles vertellen."
Terwijl ik de wanden van de grote binnenplaats afzocht naar een deur, verschijnt een kwieke kleine vrouw in kaftan. Een verrassend Europees gezicht waarin heldere grijsgroene ogen. De weduwe Karaman-Karaman. Ze nodigt me uit in haar grote huis. Ik ben nu ‘echt’ in een andere tijd.
Rijk
Jaren veertig, Palestina, intellectueel, rijk, modern. Met parelmoer ingelegde tafels op tegelvloeren met geometrische figuren, belegd met oosterse tapijten. Boekenkasten vol met Engelse en Arabische literatuur.
Ik zak weg in een van de grote zetels anno 1930. Dan verschijnt de 85-jarige gastvrouw met drinken, de dichteres en schrijfster Karaman, de collega van alle beroemde dichters en schrijvers uit het verre Oosten, dochter van de voormalige burgemeester van Haifa, dochter van grote ondernemers, eigenaars van onder meer sigarettenfabrieken, oprichters van de Palestijnse vorm van een kibboets.
De familie Karaman die zich met hand en tand verdedigd heeft tegen de aanvallen van het Israëlisch leger. Met hulp van hun Joodse vriend en Knesseth-lid David haCohen mochten ze blijven. Dat gold niet voor al die andere families in het oude Palestina, die werden verjaagd en zij wonen nu door het hele Midden-Oosten.
De teloorgang van de moderne, aristocratische, ondernemende, intellectuele Palestijn. Ik mag nog een keer komen bij mevrouw Karaman.