Pieter Anko de Vries
zaterdag 14 juli 14:00
Zolang het CDA en zijn voorgangers hebben bestaan, bevonden ze zich in het centrum van de macht. Of de partij deze positie in de toekomst kan handhaven is nog maar de vraag.

De canon van de christendemocratie is een initiatief van CDA-partijvoorzitter Ruth Peetoom. Foto ANP
Als we de peilingen mogen geloven dan staat het CDA er niet best voor. De partij is in zetelaantal nog nooit zo klein geweest als heden ten dage. In de bijna honderd jaar dat Nederland een democratie is geweest, hebben het CDA en zijn voorgangers door de bepalende positie in het midden van het politieke spectrum een belangrijke rol gespeeld in de manier waarop de Nederlandse samenleving is vormgegeven, zo blijkt uit de onlangs uitgegeven Canon van de christendemocratie. Of het CDA deze rol kan blijven met veel minder zetels blijft de vraag.
Canon
Het was CDA-partijvoorzitter Ruth Peetoom die het initiatief heeft genomen voor een geschiedenis van het CDA in de vorm van een canon. Zij presenteerde tijdens de campagne om het voorzitterschap een tienpuntenplan waarvan het publiceren van een canon er een was. De canon heeft veertig vensters die een goed beeld geven van de geschiedenis van de partij.
Behalve historici van het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme van de Vrije Universiteit en het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis aan de Radboud Universiteit in Nijmegen schreven ook staats-en bestuursrechtdeskundigen mee aan het boek.
Het eerste venster gaat over Groen van Prinsterer. Hij schreef Ongeloof en Revolutie, waarin hij het verband tussen religie en politiek belemtoont. Volgens Groen hoort het bij de aard van religie dat deze de politieke structuur van de samenleving mede bepaalt. In navolging van Groen van Prinsterer heeft de christendemocratie altijd betoogd dat religie niet buiten het politieke domein moet blijven, maar daarbinnen een vormende rol moest spelen.
Gedoogcoalitie
Het laatste venster gaat over het formatiecongres in oktober 2010 in Arnhem waar de overgrote meerderheid van de CDA-achterban instemde met een gedoogcoalitie met de PVV. Zowel voor-als tegenstanders van deze samenwerking beriepen zich bij hun keuze op de basisprincipes van christendemocratische politiek, zoals die in het verleden zijn geformuleerd.
Uit bovenstaande blijkt maar weer eens hoe dezelfde basis kan leiden tot volstrekt tegengestelde standpunten. Bijvoorbeeld hoe de eerste fractievoorzitter van het CDA, Willem Aantjes (die - hoewel hervormd - leider was van de gereformeerde Antirevolutionaire Partij ARP, een van de voorgangers va het CDA ), met zijn zogenoemde bergrede de partij in de linkse hoek wilde positioneren. Hij gaf deze intentie handen en voeten door gedoogsteun te geven aan het progressieve kabinet-Den Uyl (1973-1977).
Voorkeur
Ondanks het formele standpunt dat de partij naar ‘rechts noch naar links buigt’, bleek er in de laatste decennia altijd een voorkeur voor rechts. Dat is niet altijd zo geweest. Het katholieke smaldeel van het CDA heeft menig keer gekozen voor samenwerking met de sociaaldemocraten, bijvoorbeeld in rooms-rode coalities van na de Tweede Wereldoorlog. In deze periode werden belangrijke sociale voorzieningen tot stand gebracht.
Interessant is het hoofdstuk over de leer van de ‘uiterste noodzaak’. Vaak wordt beweerd dat de christendemocraten niet dan alleen in uiterste noodzaak willen samenwerken met de sociaaldemocraten. De bisschoppen in Nederland hadden in 1922 een verbod op samenwerking uitgevaardigd. Fractievoorzitter Nolens van de katholieke fractie in de Tweede Kamer wenste zijn handen echter niet te laten binden door de kerk. Hij wist het verbod aan te passen door de formulering van ‘uiterste noodzaak’ en kreeg zo gedaan dat de partij een rigide verbod op samenwerking met socialisten verwierp. Met de ‘uiterste noodzaak’ werd dus niet de deur van een coalitie met sociaaldemocraten dichtgegooid, maar juist open gezet.
Canon van de christendemocratie. Raymond Gradus, George Harinck e.a. (red.) Wetenschappelijk Instituut voor het CDA; 11 euro