Het goede leven > Samenleving > Columns > Natuurtalent
Paul Schenderling
Natuurtalent
Benut je talenten: het is misschien wel het belangrijkste adagium van deze tijd. Constant moedigen wij elkaar aan om te ontdekken waar we goed in zijn en deze gaven vervolgens op een nuttige manier in te zetten.

Kunnen mensen hun talenten ook te veel benutten? Foto: ANP
Gezien het grote belang dat we hechten aan talentontplooiing, steken we veel tijd en moeite in ons werk, zowel ons professionele werk als onze talloze hobby’s. Maar hiermee is niet alles gezegd.
De afgelopen jaren vroeg een Australische verpleegkundige, Bronnie Ware, aan terminale patiënten uit haar ziekenhuis waar ze het meest spijt van hadden. Vrijwel iedereen antwoordde: ,,Ik heb te hard gewerkt.’’ Nu breekt onze klomp. Kunnen mensen hun talenten ook te veel benutten? Of zijn mensen gewoon inconsistent?
Parabel
Om dit raadsel te ontrafelen, is het zinvol om te traceren waar het idee van talentontplooiing vandaan komt. We blijken uit te komen bij de Bijbelse gelijkenis van de talenten, waarin mensen worden opgeroepen om hun talenten niet te begraven maar volop in te zetten. Parabels hebben echter altijd een dubbele bodem, een verborgen boodschap.
Wat is de indirecte boodschap van deze parabel? Theologen zijn het erover eens dat het talent waar deze gelijkenis op doelt het talent van de liefde is. Ieder mens is in staat om liefde te geven. Kortom, de gelijkenis is bedoeld om onze inspanningen te focussen op het ‘natuurtalent’ van de mens, de liefde.
Bezien vanuit dit perspectief is het niet vreemd dat mensen op hun sterfbed aangeven dat ze te hard hebben gewerkt. Waarschijnlijk hebben ze veel van hun talenten benut, maar hun natuurtalent verwaarloosd. Gelukkig is het nooit te laat om ons natuurtalent te ontplooien en tijd vrij te maken voor bijvoorbeeld vrijwilligerswerk.
In zijn fameuze roman Karakter reflecteert F. Bordewijk op de hardwerkende hoofdpersoon uit zijn boek. Hij schrijft: ‘De grootste dingen die ons bestaan kenmerken laten zich niet in een hoek duwen, de liefde niet, het huwelijk, het gezin, de mislukking niet, noch de dood. Zij blijven onze daden richten.’