Herman Noordegraaf
zaterdag 12 mei 9:04
Nederland is geen domineesland meer. Dat was lang anders. Hoe kunnen kerken en predikanten nog wel hun stem laten horen in het politieke en maatschappelijk debat?
In de Tweede Kamer zitten geen dominees meer. Wel is Mirjam Sterk (CDA, foto) van huis uit theologe. Foto: ANP
Moeten kerken zich mengen in het politieke en maatschappelijke debat? Zo ja, hoe en wat is daarbij de rol van de predikant? Daarover bestaan verschillende meningen en praktijken.
Op 1 juni vorig jaar opende de toenmalige president van Duitsland Christian Wulff in Dresden de 33e Deutsche Kirchentag. Hij sprak daarbij de wens uit dat de kerken zich duidelijker in het openbaar zouden presenteren. De kerken hebben, naar zijn mening, veel te zeggen en daarom zou hun stem meer gehoor moeten vinden.
De inhoud en vormgeving van betrokkenheid van kerken, aan kerken relateerde organisaties en individuele kerkleden bij politieke maatschappelijke vragen, hangt af van de politieke en maatschappelijke omstandigheden, de machtsverhoudingen in de samenleving en de fundamentele visies op de verhouding tussen geloof, kerk, samenleving en politiek.
Vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw vond een sterke ontkerkelijking en ontzuiling plaats, die ertoe leidde dat de positie van kerken sterk veranderde, en daarmee ook van de predikant.
Functieverlies
Er is sprake van ‘functieverlies van de kerk’, dat als zodanig kenmerkend is voor de moderne tijd. Te denken valt aan de sociale zekerheid die de kerkelijke armenzorg overnam en de subsidiëring van organisaties op het terrein van zorg en welzijn, waarvan het overgrote deel door kerken en/of sociaal bewogen christenen is opgericht.
Daarin heeft zich een professionalisering voorgedaan, waarbij de beroepskrachten zich verzelfstandigden ten opzichte van de kerk en haar ‘professional’, de predikant. Voor psychische hulp gaat men naar een psychiater en voor sociale problemen naar een maatschappelijk werker.
Morele vorming
Wat ook veranderde bij de kerkleden, zoals trouwens in vrijwel de hele samenleving, was de aard van de morele vorming. Schematisch neergezet: eeuwenlang vond deze plaats door overdracht van wat men zag als bijbelse voorschriften, die men op hedendaagse situaties toepaste. Vanaf de jaren zestig, de jaren waarin gezagsverhoudingen sterk veranderden (democratisering!), was de moraal niet meer het toepassen van zogeheten objectief voorgegeven waarden en normen, die tijdloos leken te zijn, maar vergde zij instemming van het individu.
Deze subjectivering betekende een niet meer aanvaarden op gezag van bijvoorbeeld uitspraken van ambtelijke vergaderingen of de predikant en een toename van pluriformiteit binnen de kerken op moreel en politiek gebied. Dat alles betekent dat kerken noch predikanten geen vanzelfsprekend gezag meer hebben, ook niet intern (met uitzondering van geloofsgemeenschappen van orthodoxe snit, maar ook daar vinden verschuivingen plaats). Buiten de kerken is er vaak nauwelijks bekendheid met kerkelijke visies.
Door de zojuist genoemde ontwikkelingen behoort de predikant niet meer tot de ‘opiniemakers’, Nederland is geen domineesland meer. Dat was lang anders. De predikant was in het tijdperk van de verzuiling een gezaghebbend figuur, mede dankzij die sterke positie van kerk en geloof.
Hij was binnen de eigenkring een ‘leider’ wiens woord gezag had - op de kansel, op de talloze samenkomsten en vergaderingen en in kranten, tijdschriften en boeken. Dat paste binnen het patroon van die tijd waarin binnen en buiten de kerken sprake was van ‘leiders’ en ‘geleiden’.
Elite
Tot de jaren zestig behoorde de predikant tot de ‘burgerlijke elite’, tot de aanzienlijken in dorp, stad en land. Hij had ook de daarbij behorende status. Uit sociologisch onderzoek in de jaren vijftig van de twintigste eeuw blijkt dat de predikant zich samen met onder meer de hoogleraar, arts, burgemeester, rechter, notaris en advocaat in de bovenste laag van de hiërarchie naar status bevond (met de hoogleraar bovenaan!).
Predikanten waren op tal van fronten - in politieke partijen en verenigingen - actief en vaak ook initiatiefnemer. De reus Abraham Kuyper is daarvan het meest markante voorbeeld: hij stichtte een politieke partij, een universiteit, een kerk, een dagblad en nog meer.
Ook op landelijk politiek niveau manifesteerden de predikanten zich. Van 1848 tot 1887 was het ‘geestelijken noch bedienaren van de godsdienst’ toegestaan lid te zijn van de Staten-Generaal. Kuyper moest daarom zijn predikantschap neerleggen toen hij in 1874 lid werd van de Tweede Kamer.
Politieke vertoog
Waren leden van de Staten-Generaal voor zover zij een academische opleiding hadden na de invoering van de Grondwet van 1848 aanvankelijk vooral jurist, in het tijdperk van de verzuiling vormden theologen een relatief grote groep, ongeveer één op de tien academici onder de parlementsleden (in 1929 zelfs bijna 20 procent van de academici). Dat had ook invloed op de aard van het politieke vertoog: een juridisch vertoog is anders dan dat van theologen waar getuigen en proclameren tot de stijlfiguren behoren.
Waarschijnlijk heeft in geen ander democratisch land deze beroepsgroep in die mate zo’n rol vervuld. Dat hangt vooral samen met de opkomst van de confessionele partijen. Om enige namen te noemen van voor de Tweede Wereldoorlog: bij de ARP naast Kuyper H. Bavinck en A.S. Talma (die ook minister is geweest), bij de (hervormde) Christelijk-Historische Unie J.T. de Visser en J.R. Slotemaker de Bruïne (die beiden ook minister zijn geweest), bij de SGP G.H. Kersten en P. Zandt. Maar ook de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP ) had zijn ‘rooie dominees’, zoals A. van der Heide en J.L. Faber, die Tweede Kamerlid waren.
Vanaf de jaren vijftig begon het aantal predikanten dat lid was van het parlement sterk te dalen. Thans is er geen enkele predikant meer te vinden: Ab Harrewijn (GroenLinks, overleden in 2002) was de laatste. Wel is er een hoogleraar theologie, Ruard Ganzevoort, lid van de Eerste Kamer voor GroenLinks, en zijn de (van huis uit) theologen Mirjam Sterk en Heleen Dupuis lid van de Tweede respectievelijk de Eerste Kamer.
Kwaliteit
Dat predikanten nu minder zichtbaar en hoorbaar zijn in het publieke domein heeft niet allereerst te maken met mindere kwaliteiten van hedendaagse dominees in vergelijking met hun voorgangers, maar met ontwikkelingen in de samenleving.
De afgenomen publieke functie van het predikantschap blijkt ook uit de visie die we op het predikantschap vinden in kerkordes. Zo geeft de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland een omschrijving van de verantwoordelijkheden van de predikant die erg intern gericht is: de bediening van Woord en sacrament, de verkondiging van het Woord in de wereld, het pastoraat en vorming en toerusting. Inderdaad: de predikant is vooral degene die kerkdiensten, catechese en toerustingwerk verzorgt, bezoekwerk doet en bestuurlijk werk in bestuursorganen van de kerk verricht.
De dominante visie binnen het Nederlands protestantisme van na de Tweede Wereldoorlog is dat het christelijk geloof uitdrukkelijk een publieke dimensie heeft en dat het de taak van kerken en/of christenen is om deze in het publieke domein tot uitdrukking te brengen. Het geloof heeft betrekking op alle terreinen van het leven.
De gereformeerden onderschreven voluit de gedachte dat, zoals Kuyper het zei bij de opening van de Vrije Universiteit in 1880, er ‘geen duimbreed is op heel het erf van het christelijk leven waarvan de Christus, die áller Souverein is, niet roept "Mijn".’ Geen wereldmijding, maar wereldwijding!
'Het spreken van de kerk'
In de jaren zeventig en tachtig deed ‘het spreken van de kerk’ veel stof binnen en buiten de kerk opwaaien. Met name moet daarbij gedacht worden aan de discussies over de campagne die het Interkerkelijk Vredesberaad (IKV) in 1977 startte tegen de kernbewapeningswedloop: ‘Help de kernwapens de wereld uit, om te beginnen uit Nederland’.
De campagne leidde tot synodale uitspraken van de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde kerken tegen de bewapeningswedloop en kreeg een toespitsing in het verzet tegen de mogelijke plaatsing van kruisraketten in Nederland. Ook kleinere kerken schaarden zich achter deze acties. Ernstige polarisatie binnen de kerken was het gevolg. Duidelijk was dat er een pluriformiteit aan opvattingen heerste, die tot stevige botsingen leidde. Ook andere bemoeienissen van kerken met maatschappelijke vragen, zoals pleidooien voor economische sancties tegen Zuid-Afrika om een einde te maken aan de apartheid, riepen naast instemming ook weerstanden op.
In vergelijking met de roerige jaren zeventig en tachtig is het stiller geworden. Kerken stimuleren nog steeds bezinning op maatschappelijke vragen en de inzet van kerkleden dienaangaande. Ook schrijven zij brieven aan, en hebben zij overleg met politieke en maatschappelijke organisaties. Dit heeft echter minder het karakter van ‘spreken tot’. Ook staan maatschappelijke en politieke vragen minder prominent op kerkelijke agenda’s. Een aantal factoren speelt/speelde daarbij een rol, zoals:
1. De angst voor polarisatie;
2. De doorgaande ontkerkelijking die ertoe leidt dat plaatselijke kerken veel aandacht moeten besteden aan reorganisaties en ‘overleven’, het vrijwilligersbestand kleiner wordt en de kerken wat invloed betreft meer in de marge van de samenleving terecht komen;
3. De verandering in het maatschappelijk klimaat: meer aandacht voor individuele spiritualiteit zonder dat dit verbonden wordt met kritisch maatschappelijk en politiek engagement, meer gerichtheid op concrete activiteiten dan op verbinding daarvan met een bredere politieke en maatschappelijke inzet.
Wat zie ik nu zelf als wenselijke inzet van kerken naar het publieke domein? Zonder aanspraak op volledigheid enige gedachten daarover.
Kerken zouden centra moeten zijn van viering, ontmoeting, vorming, beraad, debat, hulpverlening en actie. Op grond van het evangelie zou daarin de vraag naar het ‘goede leven’ in ‘woord en daad’ aan de orde moeten komen, dat wil zeggen de vraag naar wat het leven zin geeft en zinvol maakt en de vraag naar het verantwoordelijk handelen.
Vanuit kerken zullen steeds die dimensies (zin en verantwoordelijkheid gezien in het licht van het evangelie) aan de orde moeten zijn, of het nu gaat om medisch-ethische kwesties, hulp aan een vluchteling zonder verblijfsdocumenten, kernenergie of wat dan ook. Dat vereist het vermogen om vraagstukken in dat licht te bezien en om het beraad daarover te organiseren.
Kerken zouden eraan bij kunnen dragen dat fundamentele vragen aan de orde komen. Om een voorbeeld te noemen: bijbels gezien heeft rechtvaardigheid altijd van doen met het recht doen aan de armen. Deze visie kan ingebracht worden in het publieke debat en zo kunnen zowel christenen als niet-christenen kritisch bevraagd worden op wat dan hun visie op rechtvaardigheid is.
Opvallend
Het is opvallend dat de rol die predikanten kunnen spelen bij het vormgeven van de publieke dimensie van het kerk-zijn zo onderbelicht blijft in de visie op het predikantschap. Zij zouden daarin een ondersteunende rol kunnen spelen en voor een deel zelf die rol kunnen vervullen.
Daarbij is overigens niet te verwachten dat er, gezien de huidige plaats van kerken en theologie in de samenleving, een terugkeer van de dominee als opiniemaker zal plaatsvinden, uitzonderingen daargelaten. Het zal veelal gaan om personen die vanuit een authentieke inzet voor mensen in nood hun stem laten horen in het debat en dat op een welsprekende manier kunnen.
Ds. Hans Visser, die daklozen en drugsverslaafden opving in de Pauluskerk in Rotterdam, was zo'n voorbeeld. Bovendien zie ik daar een verantwoordelijkheid voor de kerkelijke gemeenschap in haar geheel liggen en dat hoeft niet per se de predikant te zijn. Domineesland ligt achter ons!
Dit is een bewerkte versie van een bijdrage van dr. Herman Noordegraaf voor het boek Het vrije woord. Religie en politiek in domineesland. Auteurs: Fennand van Dijk en Joost Röselaers. Uitgeverij Meinema. Prijs: 19,50 euro.
Het boek is te koop via www.fd-extra.nl
Herman Noordegraaf (1951) is universitair docent en bijzonder hoogleraar diaconaat aan de Protestantse Theologische Universiteit in Leiden.