Tjerk de Reus
maandag 16 januari 15:26
Geloof en spiritualiteit vallen vandaag zo ongeveer samen met emotie. Theoloog John van Eck vindt dit een beetje beperkt: alsof geloof slechts een gevoelskwestie is. Hij schreef een boek over gelovigen uit vroeger tijden, en trekt daar een kritische les uit: Gods belofte heeft het laatste woord.
Het festivalterrein van het jaarlijkse Xnoizz Flevo Festival, georganiseerd door Youth for Christ, de PKN en de EO. ‘Gevoel’ is tegenwoordig belangrijk in geloofszaken.
Foto: ANP
Toen John van Eck predikant was bij de krijgsmacht, kreeg hij ooit een vertwijfelde militair in opleiding op bezoek. Die jongen zat in het nauw, want hij had daags tevoren te diep in het glaasje gekeken - en goed ook.
Hij biechtte zijn verhaal op. Het avondjes zat hem vooral dwars omdat hij kort tevoren in een evangelische gemeente de ‘keuze voor Jezus’ gemaakt had. ,,Hij was dus nét een nieuw leven begonnen en het ging nu alweer fout,” glimlacht John van Eck, die alweer een paar jaar met emeritaat is.
,,Ik heb hem uitgelegd dat we nu eenmaal zondaars zijn en dat vertwijfeling niet nodig is. Zondaren leven van genade. Daar moest hij op leren vertrouwen. Tegenover de onze veranderlijkheid, onze stemmingen en gevoelens, staat de vastheid van de belofte dat God ons aanneemt. Ik geloof wel dat die militair vrolijker vertrok dan dat hij gekomen was.”
Geloof en gevoel
Van Eck vertelt dit verhaal omdat we praten over de combinatie tussen geloof en gevoel, het onderwerp van zijn nieuwe boek
In het hart gezien.
Het is misschien wel het meest gevarieerde boek dat hij schreef: het lijkt een documentaire waarin je als lezer kennismaakt met een angstige matroos, een gedichten schrijvende rijkaard, een ingetogen predikant, een verliefde stadhouder en vele anderen.
Sommigen van hen zijn bekende historische figuren, zoals de schrijver Constantijn Huygens, de Friese stadhouder Willem Frederik en de in bepaalde kerkelijke kringen nog altijd beroemde ‘oude schrijver’ Bernardus Smytegelt.
Anderen uit het veelkleurige gezelschap dat Van Eck hier bijeenbrengt zijn volstrekt onbekend. Maar dat maakt hen niet minder interessant.
Van Eck vertelt in ieder hoofdstuk het nodige over de man of de vrouw in kwestie, geeft een beeld van hun ideeën en van hun geloofsvragen, en kijkt daarbij specifiek naar de verhouding tussen geloof en gevoel in die persoon.
Van Eck vindt die koppeling zo interessant omdat ,,geloof altijd iets te maken heeft met jouw levenservaring, met je gevoelens, met je mislukkingen, met je verlangens”.
De vraag hierbij is wat het belangrijkste is in je geloof. Zijn dat al die eigen ervaringen die het laatste woord krijgen? ,,Berust je laatste houvast op datgene wat jou van Godswege wordt aangezegd in Bijbel en prediking – of is je persoonlijke gevoel hier beslissend?”
Gevoel is zonder twijfel een actuele kwestie op het terrein van geloof. Emotie en ervaringen zijn vandaag de dag belangrijke redenen waarom mensen zich verbinden met kerken of een bezoek brengen aan spirituele manifestaties. De organisatoren van de EO-jongerendag bijvoorbeeld maken welbewust beleid op dit gebied: jongeren moeten iets ervaren wat hen samenbindt en wat hen een besef van het goddelijke geeft.
Onzekerheid
Maar Van Eck hoopt niet dat het persoonlijke gevoel de doorslag geeft. Want hij denkt je het geloof een vorm van ‘weten’ kunt noemen, en dat het tot problemen kan leiden als dat geloof ondergeschikt wordt gemaakt aan religieuze gevoelens.
Als gevoelens voor een gelovige op de eerste plaats komen, kan dat onzekerheid opleveren, of een bovenmatige aandacht voor stemmingen en emoties.
,,Stemming en emotie wisselen sterk, dat weet iedereen. De ene keer voel je heel veel bij het zingen van een lied of een psalm, een andere keer helemaal niets. Dat ervaar ik zelf ook. Als ik preek, ben ik er soms zelf ook helemaal in betrokken, omdat de geloofservaringen die aan de orde zijn op dat moment ook de mijne zijn. Soms is die koppeling minder sterk.”
Op zichzelf is het niet erg dat die koppeling tussen geloof en gevoel er soms minder is, vindt hij. ,,Het is iets van alle tijden, voor iedereen herkenbaar. Daarom vond ik het interessant om te ontdekken hoe gelovigen uit vroeger tijden hiermee omgingen.”
Hervorming
Van Eck dook dus in dat onderwerp en koos daarbij voor een tijdvak dat je min of meer kunt aanduiden als de eerste fase van protestantisme in Nederland. Zoals bekend kreeg de Hervorming in de zestiende eeuw vaste voet aan de grond in de Nederlanden; Van Ecks vertelling begint in 1602 en strekt zich uit tot 1744.
Een opmerkelijk voorval in die vertelling speelde zich af op het Hollandse handelsschip de Gelderland, dat met vier andere schepen in 1601 vertrok voor een reis naar de Molukken.
Het betreft hier niets minder dan een duiveluitdrijving. Dankzij het bewaarde scheepsjournaal weten we vrij aardig wat zich daar aan boord afspeelde: een jongeman maakt een hoop misbaar, hij ‘roept en tiert’.
Uit wat hij zegt wordt het de bemanning duidelijk dat het een godsdienstig ‘ziektebeeld’ is. De jongeman moet ‘bezeten’ zijn door de duivel, concluderen de opvarenden. Vervolgens gebeurt er van alles op het schip, wat uitmondt in hevige gebeden onder leiding van een ziekentrooster.
Van Eck vindt dat deze man een cruciale stap zet: ,,Die ziekentrooster blijft eigenlijk heel nuchter. Hij stelt vast dat deze jongeman een eigendom van Christus is. De duivel heeft geen recht op hem. Er wordt ook intensief gebeden voor hem, maar in alle tumult die zich op dat schip ontwikkelt, staan Gods macht en genade voor de ziekentrooster vast.
Dat vind ik bijzonder: zijn geloof vertoont geen enkele onzekerheid. Voor hem is het eenvoudig precies zoals we het uit de Bijbel weten: deze jongeman is Christus’ eigendom.”
Paal boven water
De grote lijn die Van Eck waarneemt in het tijdvak dat hij bestudeerde, benoemt hij als een toename van het subjectieve. ,,In de eerste helft van de zeventiende eeuw zien we dat het geloof van mensen sterk betrokken is op wat God zegt in de Bijbel, op wat ze geleerd hebben uit de catechismus.
Het geloof steunt op wat God belooft: Hij is de barmhartige, Hij vergeeft, zondaren zijn het eigendom van Christus. Dat staat als een paal boven water. Ook als het leven moeilijk is of als mensen onder ogen moeten zien dat ze niet zulke beste brave burgers zijn, maar zondaars – ook dán blijft recht overeind staan dat ze bij Christus horen.”
Dit wordt zichtbaar in het hoofdstuk dat Van Eck wijdt aan de dagboeken van de Friese stadhouder Willem Frederik van Nassau-Dietz (1613-1664).
Deze had geen gemakkelijk leven, en was intensief bezig met geloofsvragen. Van Eck: ,,Hij worstelde met gevoelens van schuld en onzekerheid. Maar hij twijfelde niet aan wat hij van jongs af gehoord had in de kerk. Hij was gedoopt en dat was een teken van Gods genade en trouw.
De doop, zo wist hij, is een teken van Gods verbond met mensen. Het hoofdstuk over deze stadhouder heb ik afgesloten met de zin: ‘Aan dat verbond heeft hij nooit getwijfeld.’ Dat vind ik karakteristiek voor zijn geloof.”
Kentering
Verderop in de zeventiende eeuw treedt er een kentering op. Van Eck: ,,Wat opvalt is de steeds grotere plek die het persoonlijke of subjectieve gevoel inneemt.
Daarop ligt steeds sterker het accent. De vraag of men wel ‘in waarheid’ een kind van God mag heten, lijkt steeds lastiger te worden.
Waarom? Omdat je als gelovige bij wijze van spreken een ‘innerlijk bewijs’ zou moeten hebben om te weten dat het heil ook jou geldt. Dus de vraag of God jou genadig is, hangt af van wat je aantreft in je gevoelens, in je emotionele ervaringswereld.
Ik zie tegelijk dat dominees toentertijd proberen mensen te helpen, maar dat ze er niet uitkomen met die naar binnen gerichte blik. De focus ligt zo sterk bij de emoties rond het geloof, dat het lastig blijft om helderheid en vastheid te vinden. Wat dit betreft is er een groot verschil met wat ik aantrof bij mensen uit de eerste helft van de zestiende eeuw.”
Valt deze ontwikkeling te plaatsten in een bredere culturele ontwikkeling? ,,Het belang van persoonlijke ervaring nam toe, ook buiten de kerken,” weet Van Eck.
,,Het hing in de lucht. Ná het tijdvak dat in mijn boek aan de orde is, tekenen zich al snel de contouren van wat later de romantiek zou heten. Meer gevoel, ervaring en subjectiviteit. Dat valt ook waar te nemen in de sfeer rond huwelijkssluiting. In documenten uit de late zeventiende eeuw valt op dat bijvoorbeeld partnerkeuze steeds meer een kwestie wordt van het innerlijk.”
Paraplu
De overeenkomsten tussen toen en nu zijn talrijk, hoewel de hedendaagse cultuur van beleving niet precies samenvalt met de gevoelscultuur uit de zeventiende eeuw.
Hoe staat Van Eck eigenlijk in het hedendaagse klimaat waarin emoties domineren? Als predikant kan hij er toch niet omheen dat gevoel en persoonlijke ervaring een rol van belang spelen? ,,Klopt,” zegt Van Eck, ,,maar ik voel niet de behoefte het allemaal nog eens aan te moedigen.
We moeten authentiek zijn, hoor je overal. Maar moet die persoonlijke authenticiteit nu áltijd het laatste woord hebben? Ik vind het prima hoor, als je over allerlei ervaringen praat in de kerk.
Maar laat ook duidelijk zijn dat dit alles zich afspeelt onder de grote paraplu van Gods beloften zoals die ons in de Bijbel zijn gegeven. Die paraplu, als ik het even zo mag zeggen, vind ik nog altijd belangrijker dan onze subjectieve belevenissen.”