Het goede leven
zaterdag 12 mei 9:23
Is het sluiten van de Kamper vestiging van de Protestantse Theologische Universiteit (PThU) een gemis voor de theologische opleidingen in Nederland? Oud-hoogleraar kerkgeschiedenis Auke Jelsma noemt het opdoeken van ‘Kampen’ „een veeg teken”. Emeritus hoogleraar Nieuwe Testament Cees den Heyer: „De kracht van Kampen was relatief. Ze is voorbij.”
Zo’n vijfhonderd belangstellenden woonden gisteren in Kampen de afscheidsbijeenkomst bij van de plaatselijke PThU-vestiging. Kampen is de laatste in de rij van drie PThU-filialen die sluiten. Leiden en Utrecht gingen haar voor. Na de zomervakantie kunnen studenten terecht bij de nieuwe PThU-vestigingen in Groningen en Amsterdam.
Vanwege de grote belangstelling hadden de meeste programmaonderdelen van de afscheidsdag plaats in de monumentale Bovenkerk. Het reünie-karakter van de bijeenkomst blijkt meermalen. Dagvoorzitter prof. dr. Klaas Spronk moet de druk pratende aanwezigen bijna uitputtend manen te gaan zitten.
„We vertrekken uit Kampen, niet omdat onze idealen hun glans verloren of verwachtingen niet werden waargemaakt”, zegt PThU-bestuursvoorzitter Henk van der Sar. „Als protestantse theologen hebben we in Groningen en Amsterdam eenvoudigweg een beter perspectief dan in Leiden, Utrecht en Kampen.”
Van der Sar blikt kort terug op het verleden van de Kamper universiteit, ooit samen met de Vrije Universiteit in Amsterdam de ‘leverancier’ van predikanten ten behoeve van de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN). „Die geschiedenis nemen we als rijkdom mee.” Eén schaduwzijde benoemt hij nadrukkelijk: de vrijmaking van 1944, die voor kerk en opleiding een aderlating vormden. Duizenden leden verlieten de kerk en vormden de Gereformeerde Kerken (Vrijgemaakt).
„Gelukkig zijn er nu goede relaties met onze collega’s aan de Broederweg. We wensen dat het ook deze instelling wel gaat in de toekomst.”
Pijn
Emeritus-hoogleraar praktische theologie prof. Jaap van der Laan verwoordt tijdens de overdenking in de Burgwalkerk vol gevoel de gedachten over hen die in de jaren zestig en zeventig de kerk en het geloof vaarwel zeiden. „We zien met pijn hoe velen hun geloof zijn kwijt geraakt, zichzelf zijn kwijt geraakt, in een enkel geval zelfs tot de ultieme radeloosheid toe.” Anderzijds roemt hij de vriendschappelijkheid, de kameraadschap, met name sinds de jaren zestig.
„Dankbaar zijn we voor de wijze waarop docenten zich konden profileren, voor de vele studenten uit het buitenland die ons verrijkten met hun geschiedenis, ervaring en geloof.”
Luchtiger gaat het er aan toe tijdens het programmaonderdeel waarbij ervaringen van studenten uit de naoorlogse jaren centraal staan. Uit diverse tijdvakken komen sprekers aan het woord. Over de koffie die voor studenten 25 cent kostte, maar gratis was als je wist waar het sleuteltje van de automaat lag en over „het kleine hogeschooltje in een verstofte provincieplaats, dat een broeinest vormde van het doordenken van de eigen traditie en het kritisch afstand daarvan nemen”, zoals oud-student Sam Terpstra het verwoordt.
Ondergaande zon
„In het oergereformeerde bastion rest nog slechts de ondergaande zon”, zingt het cabaret van vrouwelijke theologen, dat optreedt tijdens het ochtendprogramma. Ook oudstudent Klaas Koffeman, straatpastor in Den Haag, doet een duit in het zakje.
„Ooit kwam je in Kampen studeren, je vond hier de vrijheid in leven en leer”, zingt Koffeman. „Hield je van Bavinck en Kuyper dan zat je goed fout.” Om uiteindelijk de hele Bovenkerk mee te krijgen bij het refrein: „Waar is de tijd die verglijdt toch gebleven, wat gaat de tijd die verglijdt tergend vlug, want met de tijd die verglijdt verglijdt het leven en al die tijd die verglijdt komt nooit meer terug.”