Henk Vreekamp
maandag 09 januari 16:52
Marginaal en missionair, het boek van Wim Dekker over kerkverlating dat zoveel stof deed opwaaien, is nu van een wetenschappelijke ondergrond voorzien in zijn dissertatie Afwezigheid van God.
Geloven in de hemelvaart van Jezus met een gesloten wereldbeeld leeft net zo lang als bloemen in een vaas.
Foto Rachel Spauldilng
Wim Dekker is van een ding overtuigd. De vragen rond kerkverlating zijn kinderspel vergeleken bij de vraag die daaronder ligt: hoe komt het toch dat God zo’n steeds kleiner wordende stip in de achteruitkijkspiegel van mensen is geworden (Okke Jager)?
En kom bij Dekker niet aan met het argument dat de kerken weliswaar leeglopen maar dat veelkleurige religie - mooi toch? - het toneel komt vullen.
Zelden of nooit, roept hij in zijn lezing ‘Spreken bij volle maan’ uit 2008, kom je de analyse tegen dat we heidenen zijn van nature, dat het christelijk geloof ons in wezen dus vreemd is, dat we in onze tijd de kans krijgen revanche nemen en dat we dus gewoon weer heiden willen worden.
Hoezo opleving van godsdienst? Beseffen we dan niet dat de God van Israël achter onze horizon is verdwenen? Geen organisatorische of spirituele doekjes voor het bloeden zullen deze diepe wond kunnen stelpen.
De mentor van zijn gymnasiumklas in Harderwijk riep in de tiener Wim Dekker de vraag wakker.
Provo-theologie
Die mentor, de gedoopte Jood Salco Herman Spanjaard, (hij was ook mijn leraar godsdienst enkele jaren eerder in Amersfoort), schreef eind jaren zestig het vlammende pamflet Provo-theologie, vierkant in verzet tegen de onbeschaamde provocatie dat God dood zou zijn. Als God dood is, hoe zal in godsnaam de mens dan nog leven?
Wim studeerde in Utrecht theologie, werd predikant in dorp en stad en ging in eigen land de zending in. De Spanjaard-vraag trok mee om tot op het bot getest te worden, met name aan het missionaire front.
Afgelopen jaar kregen de beproevingen van Dekker stem in het opschuddende boek Marginaal en missionair. En nu is daar met Afwezigheid van God de wetenschappelijke handtekening onder gezet. Het heeft voordelen op latere leeftijd te promoveren.
Met verworven wetenschappelijk inzicht mengt zich opgedane levenservaring. Het boek is voluit pastorale dogmatiek, om met Noordmans te spreken. Meeslepend geschreven, autobiografisch getoonzet, een weldaad om te lezen.
Maar het vraagt nachtelijke uren om alleen al de titel van de studie,
De Afwezigheid van God, te doorgronden. De dissertatie klonk me in de oren als een smeekgebed met voetnoten.
Oerverbondenheid
Drie theologische gesprekspartners kruisen het zoekpad van Dekker. De lutheraan Wolfhart Pannenberg (geb. 1928), de hervormde Kornelis Heiko Miskotte (1894-1976) en de Rooms-katholieke Anton Houtepen (1930-2010).
Pannenberg wil ons laten zien dat juist voor de mens in de eeuwen na de Verlichting – ‘niet de meest gezellige eeuwen’, aldus Dekker - het geloof een aannemelijke optie is. Zonder God komt de mens niet tot zijn recht en de geschiedenis evenmin. God zal afwezig blijven zolang de getuigen van Hem zullen zwijgen.
Miskotte, met wie Dekker zich het meest verwant voelt, peilt de afwezigheid van God in kerk en cultuur tot op de bodem van het niets. Uiteindelijk komen religie en nihilisme op hetzelfde neer. Een verrassende ontmoeting met God in de Schriften, dat is waarop we hopen mogen.
Agnosme
Houtepen zoekt in confrontatie met het door hem zo genoemde ‘agnosme’ herstel van de verbroken band tussen christendom en cultuur. Daarbij gaat hij uit van een bestaande oerverbondenheid tussen God en mens, tussen God en wereld.
Na een grondige bespreking van de drie meet Dekker de bestaande onderlinge verschillen niet breed uit. Daarvoor zijn de tijden te ernstig. Hij buigt de drie juist naar elkaar toe en zoekt gespannen hoe ze elkaar kunnen versterken in hun antwoord op de afwezigheid van God.
In blijvend gezelschap van de drie partners is Dekker in gesprek met de agnostische tijdgenoot. Niet in de laatste plaats met de agnost binnen de kerk, die bijvoorbeeld door de verkondiging van hemelvaart gesticht kan zijn maar intussen feitelijk leeft met een gesloten wereldbeeld. Dan is duidelijk dat het geloof in de hemelvaart van Jezus ‘nog slechts het kortstondige leven van snijbloemen is beschoren’.
Basisgevoel
Waar komt Dekker tenslotte uit? ‘Wanneer het basisgevoel, dat geloven intrinsiek bij het mens-zijn hoort, niet terugkomt, zal ook het christelijk geloof in Europa niet meer tot bloei komen’.
Maar tekenen wijzen er op dat dit basisgevoel weer terug is. Dan is de vraag opnieuw: wie is de ware God?
Dekker bepleit een missionaire aanpak in twee fasen. Het openbreken van het gesloten wereldbeeld is de eerste stap. Daarin proeft hij trouwens al iets van het heil dat God bedoelt, namelijk in de rol die de Geest hier speelt. Het horen van het unieke Woord dat in Israël heeft geklonken, is de tweede fase.
Bij deze stap heeft Dekker twee dingen op het oog: de God van Israël herontdekken en het christelijk geloof hervinden.
Dekker schreef een rijk boek over een schokkend onderwerp. Ik merkte dat ik bij twee voetnoten de pas inhield en de schrijver iets wilde vragen. In een noot (141) citeert Dekker de Joodse denker Emmanuel Levinas in een uitspraak over de Holocaust.
Angstaanjagend
Hier is op de meest verschrikkelijke wijze de radicale afwezigheid Gods duidelijk geworden. De consequenties van die afwezigheid gaan angstaanjagend ver. Bestaat er wel een goddelijke voorzienigheid? Een doelgerichte geschiedenis?
De promotor van Dekker, Bram van de Beek, ziet eveneens het probleem van het godsbestuur als de meest existentiële aanvechting. Deze aanvechting is onuitsprekelijk verhevigd door de ervaring van de Tweede Wereldoorlog en de moord op de Joden.
De vraag die bij me opkwam: is de ervaren afwezigheid van God in Auschwitz in onze eeuw niet gevolgd - alleen God weet hoe - door zijn kennelijke aanwezigheid in de terugkeer van het Joodse volk uit de ballingschap?
De dissertatie van Dekker is een klassiek theologisch mannenboek. Het register bevat de namen van 221 mannen en 9 vrouwen. Op dit ongelijk verdeeld-zijn maakt de auteur zelf opmerkzaam in een cruciale voetnoot (502).
Dekker beschrijft hoe hij ooit door het lezen van een boek over de laatste dagen van Jezus zijn geloof in de opstanding bijna was verloren. Bijna. Dat geloof kreeg hij weer terug door het horen van het paasverhaal van Maria Magdalena, het lezen van een stuk van Désanne van Brederode en het spellen van een gedicht van Ida Gerhardt. Drie vrouwen.
Vrouwen
En in het voorwoord van zijn boek noemt Dekker met dankbaarheid zijn moeder - mede aan haar gebeden is het te danken ‘dat ik het geloof heb mogen behouden’ -, zijn echtgenote - voor haar is ‘de verschijning van dit boek een beschaming van door mij veroorzaakt ongeloof’ - en zijn dochters.
De vraag die hier opkomt: herkennen vrouwen niet eerder dan mannen de afwezige God van Goede Vrijdag als de Aanwezige op de Paasmorgen?
Dekker promoveerde op de dag na de vierde adventszondag. Vanouds klinken die zondag de woorden uit Exodus 16: ‘Morgen zult gij de heerlijkheid des HEREN zien’.
Ze doen me denken aan een passage uit Wachten op Godot van Samuel Beckett: ‘Meneer Godot zal vanavond niet komen, maar vast en zeker morgen’. Morgen dus.
Zo ook klinken de slotwoorden van Martin Buber’s Godsverduistering, woorden van hoop die het aangrijpende wetenschappelijk gebed van Wim Dekker kernachtig samenvatten.
‘Natuurlijk is ieder tijdperk een voortzetting van het voorafgaande. Maar een voortzetting kan een bevestiging, doch ook een weerlegging zijn. Er vindt iets in de diepte plaats, dat nog geen naam behoeft; morgen reeds kan het gebeuren, dat het een wenk van omhoog ontvangt, over de hoofden der aardse archonten heen. De verduistering van het Godslicht is geen uitdoven; morgen reeds kan wat tussenbeide trad geweken zijn’.
Dr. H. Vreekamp is oud-predikant voor Kerk en Israël in de Protestantse Kerk in Nederland