Nels Fahner
zaterdag 13 oktober 11:00
Schrijfster Rebekka Bremmer debuteerde dit jaar met de roman Eb over vissersvrouw Geeske die wacht op haar man die op zee is. In het boek spelen verhalen uit het Oude Testament een prominente rol. Eb oogstte veel lof onder recensenten en werd pas voor de derde keer herdrukt.
Rebekka Bremmer: “Ik ben niet kerkelijk. Misschien was dat anders geweest als er meer vrouwelijke predikanten zouden zijn.”
We ontmoeten elkaar aan de overkant van het Amsterdamse Centraal Station, aan het IJ, in café De Pont, een klein gebouwtje dat zich staande houdt aan de voet van het imponerende Eye-museum. Het water schittert terwijl de veerdiensten af en aan varen.
Roots
Ook in
Eb, de roman waarmee Rebekka Bremmer (1977) debuteerde schijnt de zon, boven een vissersdorp op een niet nader genoemd Waddeneiland. Het verhaal draait rond Geeske die wacht op haar man Johannes. Johannes is al drie dagen niet thuisgekomen, en het is de vraag of hij nog leeft.
De roman ademt een sfeer die doet denken aan
Eilandgasten van Vonne van der Meer, maar ook aan Herman Heijermans’
Op Hoop van Zegen. Eb speelt rond 1900, de wereld is klein en godsdienst vanzelfsprekend.
Rebekka Bremmer zelf studeerde een tijdlang in de Verenigde Staten en woonde in Chili, waar haar man vandaan komt. Waarom dan nu zo’n oerhollands boek? “Misschien komt dat Hollandse juist wel doordat ik veel in het buitenland ben geweest. Mijn boek is een onderzoek naar roots, naar de mogelijkheid om ergens te wortelen. Kun je de plek waar je vandaan komt voor altijd achter je laten? Ik denk dat dat heel lastig is.”
Op reis zijn en thuis zijn, dat is één van de grote tegenstellingen in Eb. Met wie voel je je het meest verwant, de reiziger of de thuisblijver?
“Ik ben steeds meer op de thuisblijver gaan lijken. Vroeger was ik altijd de reiziger, in die zin dat ik dacht dat het elders leuker en interessanter zou zijn. Maar gaandeweg ben ik meer verankerd geraakt.“
Geeske, de hoofdpersoon van Eb is iemand die tussen hoop en vrees leeft. Ze wacht op haar man en weet niet of hij terugkomt. Hoe kwam je op het idee om een boek over haar te schrijven?
“In het Spaans heb je één woord voor wachten en hopen. Dat is iets wat me fascineert: is het zo dat als je ergens op wacht, dat je er dan tegelijkertijd op hoopt? Of kun je ook wachten zonder te hopen?
Als je wacht hang je ergens tussenin. Het is een soort weegschaal, een balans, je hebt alle tijd om de balans op te maken. Je bent eigenlijk nergens, niet in het verleden en niet in de toekomst. Dat geeft veel tijd om over dingen na te denken, voor herinneringen. Ja, ik ben zelf ook nogal reflectief. Ik denk graag na, ik leg graag verbanden.”
Geeske heeft uiteindelijk één kind gekregen, hoewel ze er wel meer had gewild. Moederschap is een belangrijk thema in Eb. Waarom wilde je daarover schrijven?
“Ik wilde altijd graag moeder worden, maar dat is ergens raar, als je erover na gaat denken. Kun je iets willen terwijl je niet eens weet wat het betekent? Waar komt dat verlangen, die hoop vandaan? Is dat omdat zoveel mensen het willen? Je weet pas wat het is als het kind er echt is.
Na mijn eerste kind leek het me erg om er niet nog één te kunnen krijgen. Ik was bang dat het niet mogelijk zou zijn en het was een opluchting dat het wel kon. Ik zie dat ook wel om me heen bij vrienden, die zelf enig kind zijn. Over mensen die geen kinderen kunnen krijgen hoor je veel. Maar als je één kind hebt en je had er wel meer gewild, dan praat je daar niet over. Dat wilde ik onder de aandacht brengen.
Mijn boek heeft ook met moederschap te maken omdat ik niet alleen moeder wil zijn. Ik moet ook mijn eigen werk kunnen doen, me ergens op kunnen richten. Zoals Geeske dat in het boek doet, zo leven, dat zou ik niet kunnen, zeker niet als je bedenkt dat ze ook zeven of acht kinderen had kunnen krijgen.
Waarschijnlijk waren er dan een paar overleden. Die vrouwen vroeger kregen veel voor hun kiezen. Of je nu kinderen kreeg of niet, in beide gevallen had je een zwaar leven.”
Op een gegeven moment loopt Geeske op het strand. Ze denkt aan de vrouw van Lot, die omkeek en een zoutpilaar werd en aan Sara, die zoveel nageslacht zal krijgen als het zand van de zee. Waarom zo’n prominente rol voor bijbelverhalen in het boek?
“Omdat de Bijbel überhaupt een grote rol speelde in elke protestantse vissersgemeenschap in die tijd. En ook om te benadrukken dat die verhalen voor Geeske het enige referentiekader is dat ze heeft. De verhalen worden haar uitgelegd door haar man en door de dominee, er is geen ruimte voor eigen interpretatie.
Toch probeert ze die verhalen op zichzelf te betrekken. Als ze die voorgelezen krijgt door een vrouw, Gezientje, dan krijgen ze een nieuwe betekenis voor haar. Ik weet niet of je opgevallen is dat de bijbelverhalen op een gegeven moment vanuit een ander perspectief verteld worden: Geeske leeft zich zo in dat ze zich vereenzelvigt met Sara en Lots vrouw.”
Je toont veel inlevingsvermogen met het geloof van Geeske en haar twijfels. Ben je zelf gelovig?
“Ik kom uit een familie waarin het geloof een grote rol speelt. Mijn opa Bremmer was dominee, mijn vader godsdienstwetenschapper. Het is onmogelijk dat dat in mijn werk geen plek zou hebben. Maar iedere generatie gaat er weer anders mee om. Ik ben niet kerkelijk. Misschien was dat anders geweest als er meer vrouwelijke predikanten zouden zijn.
Ik ben blij dat die er steeds meer komen. Voor mij als jong meisje was het lastig om me te identificeren met de man die op de preekstoel stond, misschien ook omdat de verhalen niet vanuit vrouwelijk perspectief werden geduid. Ik geloof vooral in christelijke waarden. Mensen met respect behandelen, zoals je zelf ook behandeld zou willen worden. Maar ik geloof niet in een man met een baard in de hemel. ”
Is het belangrijk om in iets te geloven, of kun je maar beter zo min mogelijk illusies hebben?
“Nee, ik denk dat het veel beter is om vertrouwen te hebben. En acceptatie. Het is goed als je ergens in kunt geloven, maar het moet je niet in de weg gaan staan. Je moet de hoop ook los kunnen laten.”
De titel Eb verwijst naar een getijde, en je stijl dwingt tot langzaam lezen. In het klooster heb je ook getijden, momenten van bezinning. Heb je een meditatief boek willen schrijven?
“Wel in de zin dat het boek zich niet leent om vluchtig te lezen. Als Geeske bijvoorbeeld schoonmaakt, heb ik geprobeerd dat zo precies mogelijk te beschrijven. De druppels water die van een doek vallen. Ze doet alles met heel veel aandacht. Ik denk dat dat tegenwoordig bijna onmogelijk is. Doordat haar man er niet is en haar kind al volwassen is, heeft ze tijd voor reflectie. Je moet wel meedoen in haar tempo. Hopelijk zet dat de lezer aan het denken.”