Peter Bergwerff
donderdag 11 oktober 11:30
Voor velen was en is theoloog Klaas Schilder hoogstens de kerkelijke extremist die door middel van de Vrijmaking van 1944 zijn eigen kerkje van mededwarsdrijvers organiseerde. Maar de werkelijkheid is aanmerkelijk ingewikkelder. En boeiender.
Als voor íémand geldt dat zijn theologie wordt bepaald door zijn biografie, dan wel voor Klaas Schilder. Foto: RD
Er zijn maar weinig mensen die hem, anders dan op de klank af, nog kennen:
Klaas Schilder (1890-1952), gereformeerd theoloog in het interbellum en de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog.
Gekend en erkend
Als voor íemand geldt dat zijn theologie wordt bepaald door zijn biografie, dan wel voor Schilder. Hartstochtelijk wilde hij gekend en erkend worden. Daarachter lag miskenning door en diepe teleurstelling over het kerkelijk en theologisch establishment van zijn dagen.
Klaas Schilder was, hoewel hij met zijn eruditie menigeen in zijn omgeving diep in zijn zak stak, niet goed genoeg. Zoon van een wasvrouw! Daarom moest de relatie met het meisje van zijn liefde, een domineesdochter, onder druk van zijn aanstaande schoonfamilie beëindigd worden. Daarom ook wilde het maar niet boteren met de gereformeerde elite.
Zijn diepste strijd hield daar verband mee. Klaas Schilder worstelde een eenzame worsteling om de God aan wie hij zijn jawoord had gegeven, niet zó teleur te stellen als hij zelf teleurgesteld was. Wat zijn medemensen hem niet of maar zeer ten dele konden bieden, vond hij bij God.
Ontdekking
Ook in Kampen, waar de door hem gestichte universiteit staat, springen theologische harten al lang niet meer op bij het vernemen van zijn naam. Laat staan dat hij er nog veel gelezen wordt. Althans tot voor kort, want daar is voorzichtig verandering in gekomen.
Vorig jaar namen studenten het initiatief tot de uitgave van een
bundel over hem. Ze waren nieuwsgierig geworden: waarom zijn we eigenlijk gereformeerd én vrijgemaakt? Zo kwamen ze bij Schilder uit. Het werd een bijzondere ontdekkingstocht.
Traditioneel beeld
De tijd dat er in vrijgemaakte kring slechts hagiografisch over ‘KS’ kon en mocht worden geschreven, is lang voorbij. Hoewel er in de diverse publicaties waarin nieuwe vrijgemaakte generaties het verleden van hun voorgeslacht kritisch evalueerden, altijd wel achting bleef voor Schilder, gingen bij hen toch vaak vooral het traditionele beeld van de vuurvreter en kerkelijke diehard en zijn specialité de la maison - het beruchte vrijgemaakte isolationisme en kerkisme - onder het mes.
Maar die beeldvorming was en is op z’n minst eenzijdig, ingegeven als zij is door wat allereerst ‘versmallende’ epigonen, maar ook ‘synodale’ kerkelijke tegenvoeters van hem overleverden. Het is een verminkt beeld dat nuancering behoeft.
Het is de voornaamste verdienste van deze ‘studentenbundel’ dat die nuancering, hoewel niet voor het eerst, wordt geboden. Dat geldt met name twee hoofdstukken die Schilders spiritualiteit en zijn mystieke kant belichten. Ad de Bruijne en Jaap Schaeffer tekenen daarvoor.
Mystiek
Schilder was een existentialist en als zodanig ook kind van zijn tijd. Ook in zijn verzet tegen andere existentialisten, Nietzsche met name. In zijn grote woorden weerspiegelt zich zijn behoefte aan precisie en concreetheid, maar vooral ook zijn emotionele betrokkenheid en intensiteit, die hem (Schaeffer duidt hier op zijn ingewikkelde taalgebruik) ‘soms in tongen doet spreken’ (222).
Daarbij had de rebel die Schilder was ook geen last van de natuurlijke geshockeerdheid van de conservatieven of juist de idealisten in zijn omgeving over de aanvallen van de Nietzsches op de metafysische zekerheden van de westerse cultuur.
Schilder kruipt existentieel door het werk van de godontkenners heen en - verrassend! - spant zich in om aan te tonen dat God onze zekerheden en kerkelijke heilige huisjes nog veel radicaler afbreekt dan Nietzsche dromen kan.
Geloofsogen
En dat raakt zijn spiritualiteit, die verbonden is met zijn leven coram Deo, het bewustzijn dat de werkelijkheid die voor ogen is tegelijk en vóór alles Gods werkelijkheid is: ‘God verbergt zich achter het gewone’. Je moet als gelovige je geloofsogen gebruiken, wil je de wereld kennen en onderkennen wat er gaande is. God staat centraal en dat betekent, allerlei kleinmenselijkheid ten spijt (ook bij Schilder zelf), de doodsteek van alle geestelijk egocentrisme, ook al vermomt zich dat in uiterlijke vroomheid.
God is, als bij Barth, ook voor Schilder de Gans Andere. Misschien nog wel meer dan bij Barth, die slecht uit de voeten kan met Gods donkere ‘schaduwkanten’.
Maar Schilder wil daarvoor niet weglopen: hij schaamt zich niet voor een God die hij niet (altijd) begrijpt en die zijn voorstellingen van goed en kwaad overstijgt. Het laatste wat Schilder in zijn leven schreef, was: ‘Ik wil mij niet generen voor mijn hemelse Vader, Stuurder van zo’n ráre wereld’ (255). Aan die God geeft Hij zich zonder intellectuele of emotionele reserves over. Als een kind.
Terecht stelt Schaeffer de voor vandaag zeer spannende vraag: was Schilder tijdens zijn leven, maar ook vandaag niet juist dáárom zo eenzaam? ‘Kunnen we inmiddels eigenlijk niet meer uit de voeten met een spiritualiteit die zo theocentrisch is als de zijne?’ (249).
Niet generen voor God
Schaeffers bijdrage is wat mij betreft de meest omvattende en opvallende van de veertien bijdragen in deze bundel. Maar dat betekent niet dat de rest de moeite niet waard is. Ze bevatten soms verrassende inkijkjes in Schilders leven en werk en in dat van zijn (formele geestelijke) nageslacht.
Boeiend is het door George Harinck en Anne Jacob van Omme geannoteerde verslag van Schilders hand van zijn reis naar de VS in 1939. Dat geldt ook voor de bijdrage van de rooms-katholieke kunstenaar Toine Moerbeek over kunst in de godsdienst van Schilder. Hij ontmoette Schilder via internet.
Maakbaarheid
In Schilders denken zat ook een element van (moderne) maakbaarheid: het heil is - vandaag! - tastbaar en moet dat ook zijn. Ook in het voldoen aan de ‘eisen des Verbonds’.
Henno Smit heeft eerder voor die soms naar doperse actie neigende en door navolgers gemakkelijk in wetticisme vertaalde kant van Schilders erfenis aandacht gevraagd. Koert van Bekkum analyseert in zijn bijdrage de daaraan verbonden ‘wereldse bevinding’ die de vrijgemaakt-gereformeerde kring nog altijd tot op zekere hoogte kenmerkt.
Dat bouwen aan een christelijke cultuur kreeg bij Schilder, anders dan bij de neogereformeerden onder aanvoering van Kuyper, echter niet de trekken van een maatschappelijk herkersteningsprogramma. Sterker nog: alle handelen van de gelovige staat bij Schilder onder een sterk eschatologische en kosmologische spanning van de komst van het Rijk in volheid na de wederkomst van Christus.
Brandend actueel
Van Bekkum meent dat door het accent op de tastbaarheid van het heil vrijgemaakte volgelingen van KS niet zo vatbaar zouden zijn voor de evangelische versmalling van het heil tot een woord voor de ziel. Dat moge waar zijn, spannende vraag blijft wel of er in het activistische heiligingsklimaat en plichtsbesef dat het vrijgemaakte denken kenmerkt(e) niet juist een invalspoort ligt voor nieuw, nu evangelisch-personalistisch gestempeld wetticisme.
Noordmans pleidooi bij Schilder voor vreemdelingschap en een terughoudende opstelling tegenover alle menselijke maakbaarheid blijft - om het eens schilderiaans te zeggen - ‘brandend actueel’.
Peter Bergwerff is hoofdredacteur en directeur van het Nederlands Dagblad.