Hans Bouma
zaterdag 15 september 10:00
Onlangs wierp de Wageningen Universiteit de knuppel in het hoenderhok: we hebben de bio-industrie nodig om aan onze voedselbehoefte te voldoen. Of we moeten minder vlees gaan eten. Hans Bouma vraagt zich af of daarmee het laatste woord gezegd is en bespreekt principes van Albert Schweitzer over de omgang met de natuur.
Een dier moet kunnen leven naar zijn aard. Foto SXC Erik Jager
In welke opzichten ze ook van elkaar verschillen, alle godsdiensten gaan ervan uit dat deze aarde ontspringt aan een goddelijk initiatief. Van hogerhand is ertoe besloten, er zit een Schepper achter, een wel zeer creatieve God.
Dat de aarde een goddelijke creatie is, geeft haar een eigen kwaliteit, een intrinsieke waarde. Of het nu gaat om een boom, een dier, een mens, alles wat existeert heeft z’n eigen unieke recht. Het is werk van Gods handen, oeuvre van Gods hart.
Bio-industrie
Hoe ga je nu om met wat van goddelijke oorsprong is? Landbouw moet een kwestie zijn van zorgvuldige, vruchtbare samenwerking. In het bijbelboek Genesis valt de term ‘bewerken en bewaren’.
Interessant is dat het Hebreeuwse woord voor bewerken de notie ‘dienen’ bevat. Voorwaarde voor veehouderij is dat het dier, geschapen als het is naar zijn aard, ook moet kunnen leven naar zijn aard. Er moet de garantie zijn van een soorteigen gedrag. In de bio-industrie is dat uitgesloten.
Creatief beheer
Ondertussen krijgt de mens in Genesis de opdracht te heersen over de aarde. Dat woord roept associaties op met onderdrukking, vernedering. Maar de heerschappij van de mens is wel een gekwalificeerde heerschappij. Niet zomaar, maar als beeld van God zal de mens moeten heersen. En hoe heerst God? Scheppend, bevrijdend. De heerschappij van de mens komt neer op creatief beheer.
In alle religies draait het om verhoudingen, relaties. Het woord religie komt van het Latijnse religare: vastbinden, een relatie aangaan. Op zichzelf is de mens maar een fragment. Om goed te functioneren zal hij zich moeten verbinden aan zijn medemensen, aan de aarde en aan zijn Schepper.
Schweitzer
Kort vóór zijn dood, 4 september 1965, zette de negentigjarige filosoof, theoloog, musicus en medicus Albert Schweitzer een zinnetje op papier dat we als de kern van zijn geestelijk testament kunnen beschouwen: ‘Godsdienst is gepraktiseerde eerbied voor het leven’.
Eerbied voor het leven betekent bij Schweitzer in de eerste plaats respect voor het leven dat je zelf gestalte geeft. Aandachtige zorg voor je eigen lichaam. Schweitzer begint dicht bij huis. Pleeg geen roofbouw op jezelf. Kijk uit met wat je eet, met wat je drinkt.
Amnesty
Uit die aandacht voor het leven komt ook medemenselijkheid voort. Op die weg hebben we in de loop van de geschiedenis forse stappen vooruit gezet. Allerlei grenzen zijn verschoven. Niet enkel voor onze vrienden en familie, ook voor de verre naaste hebben we oog.
We voelen ons betrokken bij mensen die we helemaal niet kennen. We spreken over mondiale gerechtigheid. Fraaie uitingen van ons toegenomen ethisch besef: Amnesty International, Artsen Zonder Grenzen.
Vuile poten
Maar wat hebben de ons bekende religies nu aan ethiek te bieden wanneer het dieren betreft? Weinig. En dat geldt ook voor heel onze cultuur. De morele horizon reikt niet verder dan medemensen. Alleen soortgenoten tellen ethisch mee, alleen hún rechten verdedigen we. Dieren, representanten van een andere soort, vallen buiten alle ethiek.
Albert Schweitzer schrijft ergens: ‘Zoals de huisvrouw die de kamer geveegd heeft, ervoor zorgt dat de deur dicht blijft zodat de hond niet kan binnenkomen en met z’n vuile poten haar werk kan bederven, zo passen Europese denkers ervoor op dat er geen dieren in hun ethiek rondlopen’.
Renaissance
Schweitzer noemt de noodzaak van een nieuwe Renaissance, een nog veel beslissender omwenteling dan die waarmee we ons aan de Middeleeuwen ontworstelden. Niet alleen dieren, ook onszelf doen we tekort wanneer we blijven steken in de medemenselijkheid. Gerechtigheid, eerbied, mededogen en solidariteit zijn inclusieve begrippen. Ook voor dieren hebben ze het nodige te betekenen.
Allerlei tekenen wijzen erop dat de Renaissance waarover Schweitzer sprak al begonnen is. Ogenschijnlijk heeft de gangbare, antropocentrische ethiek het nog volledig voor het zeggen. De ethiek die achteloos voorbijgaat aan het lijden van dieren in de bio-industrie, in laboratoria, circussen, de jacht, de visserij, enzovoort. Maar deze ethiek verliest aan geloofwaardigheid. In het bewustzijn van steeds meer mensen voltrekt zich een spirituele revolutie.
Initiatief
Het zo miskende, geknechte dier verdient eerherstel, morele rehabilitatie. Het heeft recht van bestaan. Religieus gezegd: het is een initiatief, een creatie van God.
Godsdienst is gepraktiseerde eerbied voor het leven. Maar ook humaniteit, échte humaniteit, is gepraktiseerde eerbied voor het leven.
Je hoeft er niet religieus voor te zijn om je morele horizon te verruimen en partij te kiezen voor het dier. Van ieder mens mag je dit verwachten. Maar helemaal en in de eerste plaats van de godsdienstige mens.