Tjerk de Reus
maandag 27 augustus 10:30
Terug naar de kern van het christelijk geloof: vergeving van zonden. Dat is de boodschap van het dit jaar verschenen boek van ds. Henk de Jong. ‘Zonde is dat wij God op het hart trappen.’
De inzet van Barth werd bejubeld, maar na enkele decennia toch weer losgelaten. Foto: FD
In een van zijn boeken over het Nederlandse protestantisme beschrijft prof. Eginhard Meijering hoe theologen in de afgelopen eeuw afstand namen van de erfenis van
Karl Barth (1886-1968). Deze Zwitserse theoloog had Christus radicaal in het centrum van de theologie geplaatst.
De inzet van Barth werd bejubeld, maar na enkele decennia toch weer losgelaten. Christus verdween weer uit het centrum, om plaats te maken voor de ‘gelovig existerende mens’, die ‘vooral in zichzelf geïnteresseerd is’.
Als gevolg hiervan raakten een reeks klassieke theologische thema’s in de marge, zoals ‘de vergeving van de zonde’ - toch een van de artikelen uit de Apostolische Geloofsbelijdenis. Dit ‘geloofsartikel’ stelt de menselijke autonomie onder kritiek en belooft een confrontatie met een goddelijke maatstaf. Dat verdraagt zich niet goed met een theologische sfeer waarin de ervaring van de gelovige in het middelpunt staat.
Pleidooi
Niemand zal ds. Henk de Jong, nestor van de Nederlands Gereformeerde Kerken, ervan verdenken de theologische erfenis van Karl Barth weer leven in te willen blazen. Toch valt De Jongs pleidooi ten gunste van ‘de vergeving van zonden’ prima te plaatsen in de ontwikkeling die Meijering signaleert.
In zijn nieuwe boek, getiteld:
Vergeving - De kern van het christelijk geloof, schrijft De Jong dat in de Nederlandse kerken heel lang de schijn werd opgehouden dat ‘de kerk eigenlijk hetzelfde bedoelde als alle goedwillende mensen’. Die overtuiging brengt echter schade toe aan de unieke boodschap van de kerk.
De Jong: ‘Geloven wilde zeggen dat God van je hield, dat je er als mens mocht zijn, dat je streefde naar politieke gerechtigheid en dat je voor het behoud van de groene aarde was.’
Geen voordeel
Maar het uitdragen van deze afgezwakte christelijke boodschap heeft de kerken geen voordeel gebracht, alleen al niet in numerieke zin. Volgens De Jong wordt het ‘tijd dat we terugkeren naar de kern van ons geloof die bestaat uit het feit dat God ons om Christus’ wil de zonden vergeeft’.
Wat is zonde precies? Dat wij God ‘op het hart trappen’: ‘Hij wil een verbond met ons en wij wijzen Hem af, terwijl in dat verbond niets minder dan ons leven gelegen is.’
De Jong werkt zijn thema uit in drie forse hoofdstukken. Allereerst bekijkt hij de geschiedenis uit het bijbelboek Exodus 32-34, waar wordt verhaald over het gouden kalf, het beeld dat Israël begon te vereren toen Mozes lang verbleef op de berg. De Jong legt uit dat hier het verbond tussen God en Israël vrijwel teloor ging.
Om de relatie te kunnen handhaven kwam de offercultus tussen God en het volk te staan. In deze cultus stond de vergeving van God in het centrum van de aandacht.
Zandlopermodel
Vervolgens komt Jeremia 31 in beeld, waarin de vernieuwing van het verbond aan de orde is. Volgens de Jong heeft dit hoofdstuk cruciale betekenis in de overgang van het Oude naar het Nieuwe Testament. Daarop heeft hij een eigen kijk ontwikkeld die hij al vaker in zijn publicaties heeft uiteengezet: het zandlopermodel.
Aan het begin van de bijbel wordt breed ingezet. Het gaat om mens en wereld, in omvattende zin. Gaandeweg het Oude Testament versmalt het perspectief zich: het draait om Israël, nauwelijks nog om andere volkeren. Later is een kleine groep ‘vromen’ bepalend, die JHWH trouw blijven.
Uiteindelijk loopt de geschiedenis uit op één mens, Jezus Christus. Hij ontpopt zich als de hersteller van het verbond. Ná Hem waaiert het weer breed uit en komt de gehele wereld in beeld. Ook in dit hoofdstuk, dat je kunt plaatsen in het smalste stuk van de zandloper, staat de vergeving centraal.
Gewetensvraag
Na zijn twee oudtestamentische exercities legt De Jong in het slothoofdstuk de focus bij het Nieuwe Testament. Hij schrijft uitvoerig over de betekenis van Jezus en diens plaatsvervangende dood. De insteek is hier pastoraal: De Jong wil houvast bieden met het oog op de verontruste gewetensvraag of God onze zonden echt vergeeft en ook voorgoed ‘vergeet’.
Hij concludeert dat de vergeving die God biedt ‘niets goedkoops heeft en (...) aan elk gezond rechtsgevoel voldoening geeft’. Hij sluit af met de constatering dat ‘we met de prediking van dit evangelie, van verzoening door Jezus Christus, veel krachtiger staan in de kerk en de wereld dan wij voor mogelijk houden’. Of die these houdbaar is, zal elke lezer zelf moeten afwegen, maar het lezen van De Jongs heldere betoog zal deze afweging sterker maken - hoe die ook uitvalt.