Nels Fahner
zaterdag 25 augustus 12:00
In het pas vertaalde Poolse meesterwerk Steen op steen uit 1984 wisselen herinneringen uit de oorlog en de tekening van een intiem dorpsleven elkaar af. Het is een roman waar je de tijd voor moet nemen, maar dan heb je ook wat.
Mysliwski herinnert aan de tijd dat het land nog zonder machines werd bewerkt. Schilderij van Camille Pissarro (1830–1903). Foto: Wikicommons
En dan te weten dat je als jongeman over diezelfde weg, als je van een feest naar huis terugkeerde, soms een hele nacht deed. De hanen kraaiden een keer, dan nog een keer, en daarna nog een keer. Hongerige koeien in de stallen begonnen te loeien. De emmers bij de putten rammelden.
In je hoofd jubelde het feest nog, de muziek speelde, dus stampte je de maat op de weg als op de planken van de loods en begon je te zingen wat je te binnen schoot. ‘Steen op steen, op steen een steen!’.”
Actie en reflectie
Steen op steen, van de Poolse schrijver Wieslaw Mysliwski is zo’n boek om op vakantie mee te nemen. Het bevat actie, stof tot reflectie, én het is dik, je kunt er weken mee vooruit. Het plattelandsleven neemt bovendien een grote plaats in en dat voert automatisch een soort vakantiewind mee: onbekende geuren en beelden waar je de tijd voor moet nemen, die je doordeweeks niet hebt en waar zelfs een weekend te kort voor is.
Toch is het een rauw boek, het boerenleven wordt nergens verheerlijkt. Het is ook een omslachtig boek. Steen op steen is stevige kost, met zijn 524 pagina’s. Dat ligt met name aan de breedsprakige manier van vertellen van Mysliwski, die in één lange stroom zijn verhalen over je uitgiet. Eén scène beslaat soms wel tien of meer pagina’s.
Hoofdpersoon is Szymek Pietruszka (‘Simon Peterselie’), een veteraan die kort na de Tweede Wereldoorlog terugkeert naar zijn geboortedorp en de boerderij van zijn vader. Hij wordt overspoeld door herinneringen aan de tijd voor de oorlog toen de machines nog nauwelijks hun intrede hadden gedaan in het boerenleven. Gaandeweg wint het verhaal aan spanning door bijvoorbeeld een scène waarin Szymek vertelt hoe hij in de oorlog werd achtervolgd door de Duitsers.
Maar de meeste indruk maakt toch de tekening van een intiem dorpsleven dat nu bijna niet meer voor te stellen is. Eén van de redenen waarom Steen op steen zoveel melancholie oproept, is dat het laat zien hoe concrete veranderingen in de infrastructuur een hele reeks gewoonten om zeep kunnen helpen.
Asfaltweg
Neem de komst van de asfaltweg. We zijn eraan gewend, maar in Mysliwski’s boek groeit de nieuwe weg uit tot een symbool van de vernietiging van de dorpscultuur. Voorbij was de tijd dat je even naar de overkant van de weg liep om een vuurtje te vragen van de buurman. De buren werden ‘die van de overkant’. De vertrouwde relaties tussen mensen werden door de vooruitgang onder de voet gelopen.
Steen op steen leert niet alleen iets over het verleden maar geeft ook stof tot reflectie op het nu. Je kunt elk moment op Facebook, maar de buren spreek je bijna nooit meer. Dat is een logisch gevolg van een nieuwe opvatting van leven waarbij de plaats waar je feitelijk bent, moet concurreren met je virtuele aanwezigheid op het net.
Regenbui
Terug naar Steen op steen. Eén van de meest ontroerende scènes, die niet voor niets op de cover van de Nederlandse vertaling is afgebeeld, vindt plaats tegen het onheilspellende decor van een naderende regenbui. Een rij hooiwagens, getrokken door paarden, moet de nieuwe weg oversteken, maar een onafzienbare stroom auto’s verspert hun de weg.
Stoplichten zijn er nog niet, natuurlijk. De paarden zijn bang en het regenwater dat het hooi kan bederven, is dichtbij. Hoofdpersoon Szymek probeert de impasse te doorbreken door zijn paard de weg op te sturen, in de verwachting dat de automobilisten respect zullen hebben voor het transport van de boeren. Het loopt niet goed af.
Dat lijkt een scherp beeld voor de botsing tussen moderniteit, techniek en vooruitgangsgeloof en traditionele waarden en gewoonten, waarbij die laatste het veld moeten ruimen.
Rozenkrans
Toch is Steen op steen geen somber boek en dat is te danken aan de volkse, anekdotische stijl van Mysliwski. Veel van de schoonheid daarvan moest wel verloren gaan in de vertaling, maar hier en daar schemert nog iets door van zijn rauwe taalgebruik, bijvoorbeeld als de emoties bij de wachtende boeren hoog oplopen: “Verbliksemd nog aan toe! Alleen de dissel er nog uit en erop los rammen!”
Een van de redenen dat Steen op steen je blijft boeien is de beschrijving van het katholicisme als richtsnoer voor het alledaagse leven. Wat dat betreft is deze dialoog tussen twee opgewonden boeren, wachtend op de voorbijrazende auto’s veelzeggend: “Hier heb je mijn rozenkrans, ga wat bidden en je zult zien dat je boosheid vanzelf overgaat. Bij mij gaat het dan altijd over.
Als ik ergens heen ga om iets te regelen, naar de gemeente, naar de coöperatie, neem ik altijd een rozenkrans mee, ik haal hem tevoorschijn en dan doe ik kraaltje voor kraaltje, kraaltje voor kraaltje, al moet ik ik-weet-niet-hoe-lang wachten, dan is het net of ik helemaal niet hoef te wachten. Wil je het proberen?”
De ander antwoordt: “Je kunt m’n rug op met je rozenkrans!”
Waarop de één weer: “Niet zo vloeken, straks maak je nog dat God Zich van ons afkeert. En Hij is de enige die we nog hebben.”
Zo blijft de tragiek van de geschiedenis telkens onderhuids, verborgen in alledaagse zinnetjes, in dit lang uitgesponnen verhaal over het Poolse platteland, de oorlog en de onherroepelijke moderniteit.