Jan van der Graaf
donderdag 23 augustus 13:30
Ds. Herman Hegger, die afgelopen maandag op de leeftijd van 96 jaar overleed, was voor de oudere generatie vele jaren lang een begrip. Getuige van Christus was en bleef hij in al zijn levenswendingen.
Herman Johannes Hegger. Foto: RD
Sinds zijn spraakmakende afscheid van de Rooms-Katholieke Kerk in 1948 werd Hegger al snel een bekende persoonlijkheid. Zijn boek Mijn weg naar het licht (1955), waarin hij zijn ontdekking van het Evangelie verwoordde zoals dat in de Reformatie was herontdekt, werd een bestseller. Zijn tweede boek Moeder u klaag ik aan (1958), waarin hij ‘een profetische beschuldiging’ uitte over met de Schrift strijdende dogma’s van Rome, eveneens.
Ze werden door (vooral orthodoxe) protestanten met genoegen gelezen en door rooms-katholieken met ongenoegen. Met hartstocht gaf hij in woord en geschrift getuigenis van de drie sola’s van de Reformatie: alleen de Schrift, alleen genade, alleen het geloof. En dat alles culminerend in: alleen Christus.
Met Luther had hij op de vraag ‘Hoe krijg ik een genadig God’ het bevrijdende existentiële antwoord ontvangen: in de rechtvaardiging van de goddeloze, louter door genade.
Actief
Waar hij maar kon heeft hij zich ingezet om ruimte te scheppen voor de verbreiding van het evangelie: bij de oprichting van de stichting In de Rechte Straat (IRS, 1960), met een gelijknamig blad, bij de oprichting van de Evangelische Omroep, bij het initiatief voor Evangelisch Reformatorisch Ontwaken (ERO, 2003).
Maar naarmate hij het protestantse kerkelijke leven beter leerde kennen, werd hij daarover ook kritischer. Naar twee zijden. In de Gereformeerde Kerken waar hij predikant werd (Brussel, 1951), raakte hij teleurgesteld door het weggroeien van de reformatische principes, die hem dierbaar waren geworden.
Dat hij in 1977 toetrad tot de Nederlandse Hervormde Kerk, waar hij eveneens vrijzinnigheid of andere afwijkingen van de Reformatie aantrof, had ongetwijfeld te maken met zijn overtuiging dat hij daar toch meer aansloot bij de kerk der eeuwen. Ook meldde hij zich als lid van de Gereformeerde Bond.
Zijn tweede kritiek kwam later. Die betrof de ultraorthodoxie of ook de bevindelijk gereformeerde traditie. Had Rome een paus, bij de bevindelijken functioneerde ‘de bekeerde mens’ als zodanig. Ook daar miste hij de radicaliteit van de rechtvaardiging van de goddeloze en de pure belijdenis van de drie Sola’s.
De ‘bevinding’ was er doorslaggevend. Niet dat hij bevinding uitsloot, maar dan moest deze op het Woord gegrond zijn. Hij sprak liever van ‘Woordmystiek’.
Na zijn Moeder ik klaag u aan verscheen in 2003 Vader ik klaag u aan, waarin hij vooral de kerkelijke leiders aansprak, vooral van de Gereformeerde Gemeenten, waarmee hij ook best verwantschap gevoelde. Hij was van oordeel dat een muur werd opgetrokken tussen de mensen en Christus, ‘een verduistering van het evangelie’. Deze stellingname werd hem daar niet in dank afgenomen.
Rome weer in beeld
Hegger bleef echter in twee werelden leven. Rome bleef hem zijn hele leven bezig houden. Eerst sterk kritisch, maar allengs werd hij milder naar zijn bakermat. Theologisch werd dat al zichtbaar in zijn boek Hoe leef ik met een genadig God? (1987). Hij probeerde daarin het reformatorische ‘God met ons door Christus’ te verenigen met het meer katholieke ‘God in ons door Jezus Christus’.
In het protestantisme trof hij te weinig de vraag ‘Hoe lééf ik met een genadig God, wanneer ik Hem eenmaal heb mogen vinden?’ Daarna schreef hij zijn Bijbelse momenten bij rooms-katholieke mystici (1990).
Uiteindelijk kwam hij tot de conclusie dat in polemiek veel menselijks zit, ook in zijn eigen polemiek met Rome. In 2010 stond een interview met hem in Trouw onder de titel Ik was te fel, een gifkikker. In zijn laatste boek Een in de levende Christus (1999) schreef kardinaal Simonis een voorwoord. In de oecumene van het hart betrok hij nu ook de (orthodoxe) rooms-katholieken.
De wezenlijke verschillen tussen Rome en de Reformatie wilde hij niet verdoezelen. Maar toen ik in 2010 nog weer eens intensief contact met hem had in verband met mijn boek over Rome (Rome omsloten door de Traditie) schreef hij me dat protestanten Rome onrecht aandoen wanneer ze stellen dat je daar ‘door je natuurlijke krachten, dus zonder de genade van Christus, het eeuwige leven kunt verdienen’. ‘Ook zij leren tot op zekere hoogte het Sola Gratia.’
En uiteindelijk nam hij samen met rooms-katholieken deel aan de Stichting Evangelisch Reformatorisch Katholiek Ontwaken (ERKO, 2007), waarvan hij voorzitter werd. ‘Ik open de vergaderingen in de studeerkamer van mgr. De Korte met Schriftlezing en gebed’, schreef hij. Hij achtte dat een wonder, teken dat er ‘enorm veel’ veranderd was in de kerk waarmee hij een halve eeuw eerder had gebroken.
Persoonlijk
Hegger had een scherpe pen, maar een milde tong. In de vele persoonlijke ontmoetingen leerde ik hem kennen als een aimabel mens. Door de scherpte van zijn publicaties maakte hij niet alleen maar vrienden. Niet ieder kon hem ook altijd in zijn kerkelijk bewegen volgen. Maar in ontmoetingen werd het ijs meestal gebroken.
Hegger maakte ook nog korte tijd deel uit van het EO-zaterdagavondpannel, waarvan ik vanaf de start deel uitmaakte. Daar lag niet zijn grootste kracht. Hij bleef te lang aan een sok breien. Maar zijn passie voor het evangelie van Christus kwam ook daar helder voor het voetlicht. Getuige van Christus was en bleef hij in al zijn levenswendingen.
‘Zijn weg naar het Licht is overgegaan in aanschouwen’, meldt het overlijdensbericht, refererend aan zijn eerste boek, maar nu in het perspectief van de eeuwigheid. Hegger wordt begraven in het graf waar zijn dochtertje Desiderata Gloria Ventura ligt begraven. Ds. Arie van der Veer leidt de dienst vanuit de Parkstraatkerk van de Protestantse Kerk in Velp, waarvan hij lid was.
Dr.ir. J. van der Graaf is oud-secretaris van de Gereformeerde Bond.