Lútsen Kooistra
zaterdag 16 juni 9:38
Veel gesprekken over geloof zijn negatief van toon. De zinnen in zulke gesprekken variëren, maar hebben vaak dezelfde teneur: ‘het geloof zegt me steeds minder’.
Zo’n zin lijkt duidelijk in betekenis, maar is dat lang niet altijd. Eigenlijk is het een ingewikkelde zin in wat die wil zeggen. Wat is eigenlijk dat geloof dat mij minder zegt; is dat wat ik te horen krijg in de kerk, zijn dat discussies over geloof die ik voer of beluister? Gaat het in het geloof over wat ik denk, of over wat ik voel? Of kan het zijn dat ik ben veranderd waardoor het ‘oude’ geloof nietszeggend is geworden?
Zo zijn er nog meer vragen te stellen bij die ene zin: ‘het geloof zegt me steeds minder’. In al die vragen is een belangrijk element de verhouding tussen het geloof en mij. Het lijkt er op dat met die zin wordt uitgedrukt dat het geloof en de ik-figuur uit elkaar zijn gegroeid. Het lijken twee werelden: aan de ene kant het geloof en aan de andere kant de ik-figuur. Ooit was het geloof kennelijk iets dat mij aansprak en dat is nu niet meer het geval.
Veelzeggend
Die kennelijke gescheidenheid tussen het geloof en de ik-fguur is in zekere zin heel veelzeggend. De afstandelijkheid tussen beide wijst er op dat het geloof iets is dat zich buiten mij bevindt. Het is iets waar ik, bij wijze van spreken, naar kan kijken en dat ik kan beoordelen. De woorden; ‘zegt mij veel minder’ is dan de conclusie van het kijken en beoordelen.
Er kan een (theologische) discussie worden gevoerd over die ene zin. Want kun je ‘het geloof’ en de ik-figuur wel zo los van elkaar zien? Is het geloof wel iets uitwendigs? Of is het geloof zo in iemand verzonken dat je beide niet uitelkaar kunt halen?
Geen pakketje
Er is reden om dat laatste te denken. Geloof is niet een pakketje dat ik wel of niet kan aanpakken of naast me kan neerleggen. Geloof is weliswaar een zelfstandig naamwoord, maar het is afgeleid van het werkwoord geloven: het geloof als zelfstandig naamwoord is datgene dat ik geloof als werkwoord. De zin: ‘het geloof zegt me steeds minder’ zegt iets over mijn geloven en zegt dus iets over mij.
Met deze uitleg krijgt de zin een ander onderwerp. De aandacht gaat niet meer uit naar het geloof, maar naar mij. Dat is een grote verschuiving. In de eerste betekenis ligt het, bij wijze van spreken, aan het geloof - dat kan me steeds minder boeien. En het kan er op lijken dat ik er ook niets aan kan doen; het is nu eenmaal het geloof dat me minder boeit. In de tweede betekenis ben ik als het ware verantwoordelijk voor de vaststelling dat het geloof me steeds minder zegt.
Spannender
In die betekenis wordt de zin veel spannender; ik heb het echt over mij, onontkoombaar; het uitspreken van de zin is een hoogst persoonlijke mededeling. Die vraagt om uitleg, om precisering en om ontrafeling. Wat is er met mij gebeurd dat ik ‘mijn’ geloof niet meer zo aansprekend vind? De zin vraagt, kortom, om zelfonderzoek.
Het is niet zo gemakkelijk om dat onderzoek uit te voeren. Daarom is het goed om daar anderen bij te betrekken; persoonlijk of via geschriften. Beide kunnen helpen goed te blijven denken en voelen. En vooral: om de eerlijkheid te bewaren.
Zo’n onderzoek kan helpen zichzelf beter te leren kennen en het kan duidelijk maken dat (aspecten van) het geloof toch belangrijker zijn dan gedacht.