Christenprediker Lebuïnus stootte in de achtste eeuw in Saksenland keihard op verzet tegen zijn boodschap. Pas met geweld lukte het Karel de Grote de Saksen tot het christendom te bewegen. Henk Vreekamp voelde zich al lezend soms aan de kant van de Saksen staan.
Het moet voor Lebuïnus en andere Angelsaksische evangeliepredikers een bittere teleurstelling zijn geweest dat hun boodschap bij de Saksen, hun broedervolk, geen gehoor vond.
Knipoog
Openingszin en tegelijk toonzetting van de fraai uitgegeven pennenvrucht van de germanist, naamkundige en woordenboekenmaker Dirk Otten. De knipoog naar Geert Mak in de titel ontgaat natuurlijk niemand:
‘Hoe God verscheen in Saksenland’.
En de ondertitel is al even raak: Widukinds knieval voor Karel de Grote. In de gestalte van zijn dienaar Karel verscheen God in Saksenland, gelegen tussen Elbe en IJssel met een uitloper over de Veluwe.
De Saksen, die bepaald niet gediend waren van het nieuwe gezag en de nieuwe religie die de grote Karel met fors geweld dicteerde, moesten tenslotte op de knieën. De Friezen trouwens ook, maar hun verzet was minder sterk. De Saksische leider Widukind bezegelde de uiteindelijke knieval met zijn doop in het bijzijn van door Karel opgetrommelde Europese leiders.
Natuurkrachten
Welke godsdienst hingen de Saksen aan toen het zwaard van Karel aan hun eeuwenoude traditie een kras einde wilde maken? De Saksische religie draait om verering van de natuur, om natuurkrachten die zich aandienen in bronnen en bomen. De godsdienst van de Saksen is onlosmakelijk verweven met hun wisselvallige leefwereld van elke dag. Boeken kennen ze niet, zoiets als een dogma al helemaal niet.
Wanneer ze worden gedoopt en hen gevraagd wordt hun drie hoofdgoden Wodan, Thor en Saxnot af te zweren, doen ze dat door drie nieuwe goden te aanvaarden die de namen Vader, Zoon en Geest blijken te dragen. Trouwens als ze zich niet laten dopen, staat naar het bevel van Karel daar de doodstraf op. Ze moeten dus wel.
De eerste christenpredikers, theologisch geschoolde zendelingen, hadden geen flauw idee wat hen in Saksenland te wachten stond. Lebuïnus stootte zo keihard op verzet tegen zijn boodschap, dat als een geslagen hond hij zich moest terugtrekken.
Er was eenvoudig geen brug te vinden tussen de eeuwenoude natuurgodsdienst en de nieuwe boekreligie die in Saksische ogen totaal wereldvreemd was. Otten noemt de tocht van Lebuïnus dan ook ronduit een Mission Impossible.
Politieke brug
En toen kwam dus het geweld. Karel de Grote, bezield van het ene Europa (!), zag in zijn dromen de paus aan het geestelijke roer en zichzelf op de politieke brug. Maar – tot zijn grote ergernis was er de stam die dwars lag als het Gallische dorp van Asterix en Obelix.
De strijd tegen de Saksen duurde ruim dertig jaar, van 772 tot 804. Een bloedige strijd en een zwarte bladzijde in de geschiedenis van de kerk. Moord, deportatie, gedwongen doop. Karel schuwde geen enkel middel. Otten brengt het hele verhaal gedetailleerd in kaart, met aan het eind een eigen vertaling van gedeelten uit de ‘Annales Regni Francorum’, de Frankische Rijksannalen uit de periode 753-804.
Otten onderscheidt drie perioden in Karels gewelddadig optreden. Tussen 772 en 777 zijn het de jaren van de veldtochten tegen het Saksenvolk, soms gevolgd door onderdanige onderwerping en wederzijds gemaakte afspraken. Maar Karel had de terugtocht naar zijn paleis in Aken nog niet ingezet, of de Saksen gingen doodeenvoudig op de oude voet verder.
Tweede periode
De knik kwam in de tweede periode, vanaf 777, met de ‘bekering’ van Widukind. Daarop volgen enige jaren van rust, maar dan begint het hele verhaal van voren af aan.
Van 792 tot 804 is het weer hard tegen hard. En dan? Zijn de Saksen dan eindelijk gekerstend?
Welnee, daarna begint wat Otten noemt de tweede kerstening. En dat is de strijd op het vlak van de kennis, de inhoudelijke kennismaking met het christelijk geloof. Omstreeks 830 verschijnt van de hand van een onbekende dichter de Heliand, het evangelie voor de Saksen in de vorm van een epos.
Hier is Christus de held die in het spoor van de aloude traditie als lokaal leider met zijn volgelingen door het Saksische land trekt. Maar helaas, de Heliand bereikte het gewone volk niet. Daarvoor was de tekst te ingewikkeld, te moeilijk om voor te dragen.
Standen
Er waren – en daarmee raakt Otten een zenuw van het kersteningsverhaal van de Saksen - vier standen te onderscheiden: onvrijen, halfvrijen, vrijen en de adel. Het was de adel die de touwtjes in handen had, die al vroeg voorsorteerde op het uiteindelijk niet tegen te houden gezag van Karel de Grote en die de keizerlijke baantjes al in het verschiet zag.
Het was daarom dat de vrijen en halfvrijen de haard van het hevigst verzet vormden. Het volksgeloof en de volksverhalen van overoude tijden, die laat de Saks zich niet ontnemen. Toen niet en nu niet.
Maar was er uiteindelijk dan toch een brug tussen heidendom en christendom? Die ziet Otten in de bouw van kerken en kloosters waar een op relieken gegronde christelijke godsdienst bloeide. Relikwieën van voorouders, van heiligen, van martelaren: daar konden gezien hun voorouderverering de Saksen iets mee.
Vandaar het succes dat iemand als Ludger, de eerste zendeling van eigen (Friese) bodem, kon boeken. Hij was de missionaris die de relikwieën van heiligen in een kastje met zich meevoerde. Dat werkte.
Zwaard
Waarom raakt dit boek mij tot op het bot? Tijdens een lezing hoor ik mezelf af en toe roepen dat ik helemaal aan de kant van de Saksen sta. Als je met zoiets moois als het Evangelie wilt binnenkomen, moet je het zwaard thuis laten. Zo niet, dan ga ik ondergronds, verzin een list, maar blijf trouw aan mijn voorouderlijke geschiedenis.
Otten onderbouwt deze reactie met historische argumenten. Hij doet dit als zeergeleerde wetenschapper die tegelijk de nuchtere Drent is gebleven die hij van huis uit is. Tussen de regels door krijgt de lezer een vermoeden aan welke kant de schrijver gestaan zou hebben in het conflict tussen Karel de Grote en de Saksen.
Maar het verzet van de Saksen tegen het christendom ligt toch meer dan een millennium achter ons? Zeker, maar het duurt nog voort tot op de dag van vandaag. Nog altijd gaat binnen de muren van de bestaande kerk(en) een diepe weerstand schuil tegen de verre en vreemde God van Israël.
Wie deze analyse niet aandurft, zal van de huidige kerkelijke neergang weinig begrijpen. Otten is de bevlogen geschiedschrijver die met gegronde argumenten ons duidelijk maakt waarom ‘het proces kerstening’ nog lang niet ten einde is.
Dr H. Vreekamp (Hoevelaken, 1943) is theoloog en schrijver. Hij was vanaf 1971 hervormd predikant in twee Veluwse gemeenten, Oosterwolde en Epe. Vanaf 1984 werkte hij als predikant voor Kerk en Israël. In het kader van de ontmoeting met Joden ontdekte hij zijn Noord-Europese heidense wortels. Hij publiceerde talrijke boeken en artikelen. Zie: www.vreekamp.nl.