Het goede leven
zaterdag 09 juni 9:30
De Leidse hoogleraar Herman Philipse is een van ’s lands bekendste atheïsten. In een onlangs verschenen boek wil hij de wereld opnieuw overtuigen van de wetenschappelijke onzin van het bestaan van God.
De strijd van Philipse tegen het geloof in God heeft iets vermoeiends. Foto ANP Gerald van Daalen
In het nieuwe boek
God in the Age of Science? gaan de redeneringen vooral uit van (natuur)wetenschappelijkheid. Die is de toetssteen voor onderzoek naar waarheid/werkelijkheid.
God is niet te bewijzen binnen de wetenschappelijkheid; noch biedt de aanname dat God bestaat grond voor een theorie die iets verklarends of voorspellends zegt over de werkelijkheid.
De strijd van Philipse tegen het geloof in God heeft iets vermoeiends. Voordat de strijd begint weet je al waar Philipse uitkomt, ook al gebruikt hij andere wapens. Maar het zou onverstandig zijn om de aanvallen van Philipse te negeren. Iedere gelovige kan namelijk iets van Philipse leren. Bijvoorbeeld omdat Philipse een actief lezer is; hij brengt zijn lezers veel literatuur onder ogen.
Winst
Maar de echte winst is dat Philipse de gelovige aan het denken zet. Weliswaar minder over de (theoretische) redelijkheid om in God te geloven, en meer over de vraag: als ik in God geloof, wat betekent dat geloof voor mijn leven? Of: wat zijn de pretenties van de kerk en hoe wordt de invulling daarvan zichtbaar?
De strijd tegen het godsgeloof wordt zo een oefening in het kritisch doordenken ván het geloof. Dat denken is om allerlei redenen van belang. Er is een puur materiële reden: ieder jaar verliest de kerk leden, het aantal te sluiten kerken bedraagt zo langzamerhand honderden.
Werkelijkheid
Wat is dat voor geloof waarvan heel veel mensen afscheid nemen en wat is dat voor kerk die alsmaar leger wordt? Bijna dagelijks verschijnen in deze krant berichten en verhalen over individuele gelovigen en over geloofsgemeenschappen die zichzelf vragen stellen over de betekenis van God in het leven.
De antwoorden getuigen vaak van twijfel, onzekerheid en van schuchterheid. Ook al kan iedereen vrij gemakkelijk heen om Philipses stellingen over God die niet bestaat, het is iets anders om te laten zien dat God een werkelijkheid is in het leven.
Dat laten zien is lastig, zo blijkt uit de ervaringen van velen. God is geen vanzelfsprekendheid voor gelovigen. En het lijkt alsof God steeds verder wordt teruggedrongen uit het centrum van het dagelijks leven. Als God ter sprake komt, is dat vaak aan de randen van het bestaan -bij het begin en het einde van het leven.
Zintuiglijk
In het volle leven is Hij maar moeilijk ter sprake te brengen en is Hij afwezig. Ook letterlijk: wie brengt God ter sprake in, bijvoorbeeld, zijn beroep?
Dat heeft ermee te maken dat de gelovige een ‘gewoon’ mens is, die leeft in een wereld waarin het geestelijke lijkt te zijn verdwenen.
De mens leeft in de wereld die om hem heen is in het zichtbare, het zintuiglijke en in het gemakkelijke streven naar consumptie, bezit, en in de bevrediging van soms heel primitieve gevoelens en wensen.
Voorbeeld
Het onzichtbare, waarover bijvoorbeeld de apostel Paulus spreekt, is ook figuurlijk onzichtbaar geworden. Dan telt alleen wat zichtbaar is -en God dus niet.
Voor gelovigen is niet Philipse met zijn atheïstische standpunt het probleem, maar de dreiging dat ze een leven leiden dat voor Philipse kan dienen als voorbeeld van een atheïstisch leven.