Het goede leven > Geloven > Columns > Praten over geloofsvragen goed voor de ziel
Sipke Draisma
Praten over geloofsvragen goed voor de ziel
Afgelopen zondagavond raakten we in het dorpshuis van Ferwoude maar niet uitgepraat over de toekomst van geloof en kerk. Ik was daar uitgenodigd in het kader van het ‘zondagavondcafé’, een activiteit georganiseerd door de PKN-gemeente Gaast-Ferwoude.

Om in de stemming te komen, las ik een stukje uit het pas verschenen boek De bijbel voor ongelovigen van Guus Kuijer. De auteur beschrijft daarin het scheppingsverhaal vanuit de figuur van Adam die ermee worstelt of hij nu een creatie van God is of God een creatie van hem.
Kuijer speelt daarbij prachtig met uitdrukkingen. Als Adam tegenover God klaagt dat hij alleen is en er iemand bij wil hebben, waarschuwt God dat zo iemand voortaan wel een rib uit zijn lijf zal kosten.
Kerkelijke achtergrond
Toen ik het gedeelte gelezen had waarin Kuijer de aanloop tot de zondeval beschrijft (het is zo saai, waarom gebeurt er nooit iets spannends) was de eerste vraag van een van de deelnemers naar de achtergrond van Kuijer. Hij is vooral bekend als kinderboekenschrijver, zei ik, maar dat werd niet met de vraag bedoeld.
Wat was de kerkelijke achtergrond? Een interessante vraag: maakt het uit wat de achtergrond van de auteur is voor de vraag of we zijn boek meer of minder ernstig moeten nemen? Kuijer noemt zichzelf een ongelovige. Maakt dat zijn boek dan ongeloofwaardig voor gelovigen? Nee, dat hoeft niet, was het oordeel van de meesten. Bovendien, wat is precies gelovig en ongelovig?
Wonderen
En zo zaten we bijna meteen in een stevige discussie maar daar was het nog niet de tijd voor. Eerst werd er in tweetallen enkele stellingen bediscussieerd als ‘wonderen bestaan (niet)’, ‘God bestaat alleen in je gedachten’, ‘God is liefde - liefde is God’, ‘voor geloven is geen kerk nodig’ en ‘alles in de Bijbel is waar gebeurd’.
Leed
De bar zou pas aan het eind van de gespreksavond, om tien uur, opengaan maar ik bracht in dat naar goed rooms gebruik dat ook wel een uurtje eerder mocht en zo zaten we om negen uur al met een glaasje voor ons rond de tafel om de stellingen te bespreken.
De stelling ‘God is liefde’ gaf veel gespreksstof, met name omdat de stelling meteen werd omgedraaid: als God liefde is, waarom is er dan zoveel leed? Ik probeerde als gespreksleider het gesprek weer terug te brengen naar de stelling op zich: is God liefde voor jou?
Maar het langst bleven we toch praten over de toekomst van de kerk als gebouw en de kerk als gemeenschap. Zonder kerk is een dorp dood, zei iemand. Met wat er zondags in de kerk zit kun je hooguit een woonkamer vullen, zei een ander. Waarom blijf ik zondags liever uitslapen dan dat ik naar de kerk ga, vroeg een derde zich af.
Het liep al tegen elf uur toen we concludeerden dat we nog steeds meer vragen dan antwoorden hadden maar dat het met elkaar praten over deze geloofsvragen onze ziel ook al goed deed. Wordt dus vervolgd, in Ferwoude of elders.