Koos van Houdt
donderdag 15 maart 11:52
Erkki Tuomioja, minister van Buitenlandse Zaken in Finland, bleek vorige week zaterdag een beetje boos.
Het gebeurde na afloop van informeel beraad met zijn collega’s in Kopenhagen. Vroeger was deze zogenaamde ‘Gymnich’ - genoemd naar een kasteel aan de Rijn vlakbij Bonn - een hoogtepunt binnen een halfjaarlijks voorzitterschap.
Tegenwoordig hebben we Catherine Ashton, ‘minister’ van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie. De 27 nationale ministers zijn daarmee ineen geschrompeld tot een beklagenswaardig soort politicus met nauwelijks werkelijke invloed in de eigen nationale regering.
Of is dat te somber gesteld? Minister Tuomioja beklaagde zich over het feit dat de Britten het oneens waren gebleven met een voornemen van de 26 andere ministers.
Kleine lidstaten
Het gaat over het opzetten van een commandocentrum in Brussel voor militaire operaties, die namens de Europese Unie elders in de wereld worden uitgevoerd. Catherine Ashton zou meer moeten doen om haar landgenoten te overtuigen. Maar zij overlegt alleen met Berlijn, Parijs en Londen en ziet de kleinere lidstaten (,,wel haar bondgenoten”) gewoon niet staan, zei hij.
Tien jaar geleden was er een groot debat in de Europese Unie over gemeenschappelijk buitenlands beleid. Rondom de crisis in Irak was gebleken dat de Europese Unie voor de zoveelste keer aan verdeeldheid leed en daarom weinig invloed op deze crisis kon uitoefenen.
Dat nooit meer, was het gevoel aan tafel bij de Europese conventie, die in de jaren 2002 en 2003 in alle openbaarheid een tekst voor een Europees grondwettelijk verdrag opstelde.
In het Verdrag van Lissabon, dat uiteindelijk op 1 december 2009 in werking trad, is de weerslag daarvan te vinden. Catherine Ashton werd het gezicht bij deze poging de Europese Unie te versterken met een gemeenschappelijk buitenlands beleid.
Pikant
Het is tegen deze achtergrond bepaald pikant de Finse minister nu te horen opmerken dat ,,de Europese Unie nu meer verdeeld is op het terrein van de buitenlandse politiek dan voor het Verdrag van Lissabon in werking trad”. Als hij gelijk heeft, is alle moeite tevergeefs geweest.
In die dagen, zo’n tien jaar geleden, had Hans van den Broek, invloedrijk minister van Buitenlandse Zaken tussen 1982 en 1992 en daarna vooraanstaand lid van de Europese Commissie tot 1999, een theorie.
Die theorie was in de kern de volgende: de grootste verdeeldheid binnen de Europese Unie zie je, als het gaat om vraagstukken van internationale vrede en veiligheid. Je moet op zulke momenten proberen ervoor te zorgen dat de drie grootste lidstaten Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk het met elkaar eens worden. Je zult zien, zo doceerde hij in die dagen, dat het resultaat van het compromis dan door alle lidstaten kan worden gesteund.
Verschil in visie
Hier rijst dus een verschil in visie. Is de Europese Unie nu meer verdeeld op het terrein van het buitenlands beleid dan vóór 2010? Daar kun je genuanceerd over oordelen. Maar de theorie van minister Tuomioja loopt net andersom dan die van zijn voormalige Nederlandse evenknie Van den Broek.
De Finse minister wil dat Ashton de kleinere lidstaten meer betrekt bij het zoeken van een oplossing. Van den Broek zou haar waarschijnlijk hebben geadviseerd, een compromis te zoeken met de Duitsers, Fransen en Britten samen.
De oplossing van de Finse minister verdient sympathie. Zo houden ook de kleinere lidstaten hun waardigheid ten aanzien van het buitenlandse beleid. Maar de oplossing van Van den Broek is realistischer. Je krijgt wat je wilt, als de drie grootste lidstaten het samen eens zijn.