Hans van Borselen
dinsdag 28 februari 13:33
Het is precies vijf jaar geleden dat de WMO (Wet Maatschappelijke Ondersteuning) in werking is getreden. Na het eerste lustrum is het tijd om een blik terug te werpen en te kijken naar de toekomst.
De voorzieningen vanwege de WMO zijn bedoeld voor mensen met een beperking. Foto: ANP
De WMO is de opvolger van de Wet Voorzieningen Gehandicapten (WVG) die in 1994 is ingevoerd. In 2007 werd de WVG verbreed tot de WMO , met de voorzieningen uit de Welzijnswet en de huishoudelijke hulp voor mensen met een beperking , een nieuwe term voor lichamelijk gehandicapten.
De huishoudelijke hulp is vanuit de AWBZ overgeheveld naar de gemeenten. De gemeentelijke regeling rondom de huishoudelijke hulp - onderdeel van de thuiszorgorganisaties - is in de beginjaren van de WMO moeizaam tot stand gekomen.
Onduidelijkheden
Er waren veel onduidelijkheden rondom de inhoud, organisatie, financiering en aanbesteding van deze hulp. Er waren veel verwijten vanuit de aanbieders en de cliënten dat de gemeente er alleen op uit was om de hulp zo goedkoop mogelijk te krijgen en dat de kwaliteit van dit werk niet op de eerste plaats kwam.
De situatie is sindsdien in veel gemeenten in zekere mate bijgesteld. De huishoudelijke hulp werd voor het overgrote deel georganiseerd door grote regionale instellingen voor thuiszorg, met betrekkelijk hoge kosten voor organisatie, staf en management.
Vandaar dat er steeds kleinschaliger wordt gewerkt en ook nieuwe organisaties zijn ontstaan zoals Buurtzorg. Hierdoor wordt met minder bureaucratie efficiënter gewerkt en met meer persoonlijke aandacht voor cliënten.
Verzorgingsstaat
De WMO is niet alleen een regeling van gefinancieerde voorzieningen. Het gaat ook om een andere, nieuwe manier van denken en handelen van de gemeente, instellingen, burgers, cliënten en patiënten met betrekking tot de verzorgingsstaat op het plaatselijk vlak.
Enkele jaren na de start van de WMO ontstond de term Welzijn Nieuwe Stijl (WNS). Een van de centrale gedachten bij WNS is dat niet het aanbod van diensten van instellingen centraal staat maar de vragen van de cliënten, vraaggericht werken dus.
Het gaat hierbij dan niet om een oppervlakkige vraag, maar om de achterliggende vraag en analyse, wat is dus het echte probleem? Bij veel problemen van burgers zijn vaak meerdere instellingen betrokken.
In het kader van vraaggericht werken en problemen oplossen moeten de desbetreffende organisaties met elkaar gaan samenwerken en dat proces gaat steeds meer ingang vinden. Die WNS is niet alleen een zaak van beroepskrachten.
Vraaggericht
Juist bij vraaggericht werken is de actieve betrokkenheid in de vorm van participatie en medezeggenschap van de burgers en cliënten onmisbaar. Dat valt onder meer te bespeuren bij cliëntenraden in gemeenten en instellingen.
De WMO en WNS bestrijken diverse aandachtsgebieden voor beleid , zoals onder meer jeugd, ouderen, maatschappelijke zorg, leefbaarheid in dorpen en wijken. Een belangrijke voorziening is het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) dat sinds 2011 elke gemeente heeft, of moet gaan inrichten.
Het CJG is een centrum voor informatie, advies en ondersteuning op het terrein van voorkomen van problemen bij de jeugd, het gezin en de opvoeding.
Kenmerk van dat centrum is dat alle organisatie op dit terrein (jeugdwerk, maatschappelijk werk, zorginstellingen, politie, scholen en gemeente) met elkaar samenwerken en inspelen op jeugd- en gezinsproblemen, waarmee jongeren en ouders komen. Betrokkenheid van de doelgroepen en samenwerken met hen staat ook hier centraal.
Beperking
De voorzieningen vanwege de WMO zijn bedoeld voor mensen met een beperking. Deze hulp en zorg worden voor een belangrijk deel door beroepskrachten uitgevoerd.
Om inhoudelijke en financiële redenen wil de overheid dat de verantwoordelijkheid van de burgers voor hun welzijn vergroot wordt en dat men niet in eerste aanleg direct kijkt naar beroepskrachten en gefinancierde voorzieningen.
Vandaar de nadruk die gelegd wordt op het stimuleren van zelfzorg, informele zorg, mantelzorg en vrijwilligerswerk. De lokale overheid zal deze vormen van inzet van burgers ook moeten waarderen en ondersteunen.
Gemeenten zullen ervoor - moeten - waken dat er niet te veel gevergd wordt van deze niet-professionele inzet. Er is een bovengrens aan de inspanningen van haar inwoners, temeer daar dezelfde overheid wil dat vrouwen meer gaan studeren en werken. En juist vrouwen vormen een belangrijk deel van deze maatschappelijke ondersteuning.
Complex
De WMO en het WNS is een breed en complex proces. Vooral de aansturing is niet eenvoudig. Zou de gemeente alleen te maken hebben met door haar zelf gefinancierde voorzieningen (welzijn ,onderwijs en sociale zaken) dan is dat nog betrekkelijk eenvoudig te doen.
Zijn er grote en belangrijke niet-gemeentelijke partners bij betrokken, zoals de gezondheidssector en de wooncorporaties, dan wordt er veel gevraagd van de regierol van de gemeente. Er is reden voor gerede twijfel of gemeentebesturen en ambtenaren die kwaliteiten - voldoende - in huis hebben.
De WMO komt na vijf jaar op stoom, maar is nog niet geheel uitgekristalliseerd. De uitvoering wordt sterk onder druk gezet door de aanstaande ingrijpende bezuinigingen van het rijk op de gemeenten vanaf 2013 tot 2015.
Zware klussen
Tegelijkertijd komt er de volgende jaren nog meer werk aan voor de lokale overheden. Ten eerste in 2013 de Wet Werken Naar Vermogen ( Bijstand, WSW en de Wajong ), het jaar daarop de dagbesteding en begeleiding voor mensen met een beperking, overgedragen vanuit de AWBZ en in 2015 de Jeugdzorg.
Zware klussen voor de gemeenten, met als prangende vraag: kunnen ze dat inhoudelijk, financieel en organisatorisch aan? Want er komt zoveel meer in korte tijd op de gemeenten af en bovendien hevelt het rijk budgetten naar de gemeenten over, maar altijd wel met een ‘kennismakingskorting’. Zware en lastige tijden voor gemeentebesturen.
Hans van Borselen is ambassadeur Landelijk Contact Gemeentelijk Welzijnsbeleid