Inhoudsloze China-strategie past naadloos in de Nederlandse traditie

Achtergrond
Pieter Anko de Vries

Er klonk deze week harde kritiek op de China-nota van minister Stef Blok van Buitenlands Zaken. Ook van de collegepartijen: een slap en vaag plan, een lege huls, geen concrete maatregelen.

Vriend en vijand van het kabinet waren het er deze week over eens. De China-strategie van minister Stef Blok van Buitenlandse Zaken blinkt niet echt uit door helder geformuleerde en concrete doelstellingen. Van voorgenomen beleid is niet echt sprake. Een analyse is het en niet eens zo scherpe of verrassende.

Het is ook tekenend dat alleen de werkgevers welwillend tegenover de nota staan. De toekomstig grootste economie ter wereld moet je niet teveel voor het hoofd stoten met onwelgevallige waarheden. Als het al zo is dat de koopman en de dominee samen het buitenlandse beleid van Nederland bepalen, dan is de preek ver te zoeken in de gepresenteerde China-nota.

Een dominee-onderwerp als de onderdrukking van Tibet komt niet ter sprake, evenmin als de slechte positie van christenen. De situatie van de moslimminderheid van de Oeigoeren wordt wel, maar oppervlakkig genoemd. En een ander niet-materieel onderwerp – de spionage door wereldmacht China is handig weggepoetst door een commissie te benoemen die een en ander nog moet onderzoeken.

Koopman

Het is vooral de koopman die in de China-nota aan het woord is en dat is niet zo vreemd, gezien het landsbelang. De open Nederlandse economie die voor een groot deel drijft op export is gebaat bij een China dat niet teveel geïrriteerd moet raken. Het kan met andere woorden uiterst negatief uitpakken China ‘voor de laatste keer te waarschuwen’.

Op een enkeling na (bijvoorbeeld toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Max van der Stoel, PvdA 1973-1977; 1981-1982) zijn er weinig collega’s geweest die in de diplomatieke praktijk in alle openheid de rol van dominee op zich hebben genomen in de internationale politiek, hoe vaak er ook met hoge woorden op werd aangedrongen in de Tweede Kamer. De bewindslieden komen altijd weg met het argument dat ‘zaken tijdens de gesprekken zijn genoemd’. En dat moet je maar geloven, want die gesprekken worden nooit openbaar.

Raison d’état, het staatsbelang prevaleert altijd en dat is makkelijk te begrijpen. De wetten waaraan de internationale politiek en de daar aan hangende diplomatieke praktijk moeten voldoen zijn zo’n 370 jaar geleden geijkt. Zij ontstonden na de Vrede van Westfalen in 1648, waar werd afgesproken dat ieder land soeverein en verantwoordelijk is voor zijn eigen politiek (destijds met name godsdienst), en dat openlijke inmenging met interne aangelegenheden van andere landen uit den boze is. Dat principe moest wrede (godsdienst)oorlogen in de toekomst voorkomen.

Horen, zien en zwijgen

Een van de logische gevolgen ervan was en is een wijdverbreide houding van horen, zien en zwijgen. Pogingen om deze praktijk te veranderen door volkenrechtelijke organisaties op te richten zoals de VN hebben slechts tot povere resultaten geleid.

Internationale politiek heeft geen geheugen en geen geweten. De vriend van vandaag kan morgen de vijand zijn en andersom. Voor een handelsnatie als Nederland is het dus van belang je talen te kennen, oorlog te vermijden, zee en lucht vrij (lees: geen handelsbelemmeringen) en veel landen te vriend te houden.

Traditie

De vaagheid van de China-nota staat in een eeuwenoude traditie van de Nederlandse diplomatieke gewoonten: in het parlement een hoge morele toon aanslaan, terwijl in de onderlinge relatie met de buitenlanden zelf wordt gezwegen en lucratieve handjeklap wordt bedreven.