De ‘held met dubbele natuur’

Tjerk de Reus

Het lied in de kerk blijft zich altijd vernieuwen, maar dat is geen reden om oudere liederen af te schaffen. De erfenis van de vader van het kerklied, Ambrosius, onderstreept dit.

Op de quizvraag wie Ambrosius van Milaan was, zal niet iedereen meteen het antwoord klaar hebben. Toch is deze bisschop uit de vierde eeuw – hij leefde van 339 tot 397 – ons meer nabij dan we zouden denken. Hij was dan wel een Romein, maar groeide op in Trier, in de buurt van Luxemburg. Na een carrière als bestuursambtenaar werd hij in 374 bisschop van Milaan. Hij gaf geloofsonderwijs aan de bekende Augustinus, de man die als de belangrijkste kerkvader van het Westerse christendom geldt.

Ambrosius, die overigens ook tot de officiële kerkvaders van het Westen behoort, beschikte echter over een kwaliteit die hem onderscheidde van Augustinus. Hij was schrijver van kerkliederen en staat aan de basis van de kerkliedtraditie van het Westerse christendom. Dat is niet gering. Je hoeft maar een boekje op te slaan over de geschiedenis het kerklied, of er wordt gewezen op de grote betekenis van Ambrosius. Maar deze faam staat in contrast met wat er van zijn eigen liederen bewaard is gebleven: slechts veertien teksten! Deze zijn nu uitgegeven in het boek Zingen met het hart, samen met dertien liederen van latere dichters. Alle liederen zijn vertaald en toegelicht door Patrick Lateur.

Levendigheid

Bladerend in dit boek kom je onder de indruk van de levendigheid van de geloofstraditie. Wat Ambrosius ooit op papier zette, is op zichzelf al creatief en inspirerend. Maar je ziet ook hoe de lijn wordt voortgezet in latere liederen die aan de traditie werden toegevoegd. Hier vallen namen als die van Sedulius, Prudentius en Venantius Fortunatus, dichters uit de vijfde, zesde en zevende eeuw.

Al die dichters zijn geïnspireerd door kerkvader Ambrosius, tenminste, dat nemen we dan aan. Met zekerheid is zoiets natuurlijk niet vast te stellen. Dat blijkt ook wel uit de bekende Ambrosiaanse lofzang, het zogenoemde Te Deum, dat waarschijnlijk niet van de hand van Ambrosius is. Volgens de legende werd dit indrukwekkende lied gezongen toen Ambrosius Augustinus doopte, in het jaar 387. De versie van het Te Deum die in protestantse kerken gezongen wordt, is van de hand van Ahasverus van den Berg: ‘Wij loven u o God, belijden U als Heer’.

Een boeiend fenomeen dus, die Ambrosiaanse liedcultuur. Maar wat kom je tegen, als je deze reeks teksten leest? Bijvoorbeeld persoonlijke versregels, zoals ‘Kijk ons nu aan, wij wankelen, / herstel ons, Jezus, met uw blik. / Kijkt U ons aan, de val vervalt, / met tranen wordt de schuld gedelgd.’

Kerkelijk-theologisch

Naast dit persoonlijke aspect is er ook de kerkelijk-theologische thematiek, die vrij sterk aanwezig is. Zo zijn er tal van verwijzingen te vinden naar de grote discussie in de kerk van die dagen. Dat ging over de ‘wezensgelijkheid’ van Jezus met God de Vader. In het jaar 325 was daarover al een kerkelijk besluit gevallen, op schrift gesteld in de geloofsbelijdenis van Nicea. Tegenstanders van die belijdenis waren de Arianen, die Jezus als een ‘gewoon’ geschapen wezen beschouwden, dus niet als iemand die aan God gelijk was. Ambrosius stond ferm in de lijn van Nicea. In Splendor paternae gloriae wordt Christus als volgt aangeroepen: ‘Afstraling van uw Vaders glans, / U openbaart uit licht het licht, / U, licht uit licht en bron van licht, / U, dag der dagen die verlicht’. Hier horen we de slagzinnen van Nicea doorklinken, waar Christus omschreven wordt als ‘God uit God, Licht uit Licht’.

Dat Christus aan God gelijk was en tegelijk mens, vormde de reden om te spreken over de twee-naturenleer. Ook daarop mag Ambrosius graag op zinspelen, als het grote wonder waar het geloof aan ontspringt, bijvoorbeeld in een lied waar de maagdelijke geboorte ter sprake komt. Het gaat dan over de ‘maagdelijke buik’ die ‘opzwelt’: daarin ‘huist’ God. Best heel plastisch geschetst, dit beeld van de zwangere Maria. Ambrosius wijst vervolgens op de twee-naturen van Christus, als het gaat om de geboorte: ‘Nu kome uit dit bruidsvertrek / – de vorstenzaal der zedigheid – / de held met dubbele natuur / om opgewekt zijn weg te gaan.’

Het is een interessante wereld om in te vertoeven, deze liedteksten van lang geleden. Een beetje jammer is wel dat de vertaling van Lateur niet heel vloeiend is. De versregels zijn soms een beetje stroef. En over de vertaalkeuzes valt hier en daar ook wel een kritische vraag te stellen. Waarom kiest Lateur bijvoorbeeld voor de rare uitdrukking ‘De Prinsen van de Kerkenkrans’, als er in het Latijn iets tamelijk gewoons staat: ecclesiarum principes, dat zoiets als ‘de belangrijkste vertegenwoordigers van de kerk’ betekent? Zo valt wel vaker op dat de vertaler met iets te veel vrijheid vertaalde. Handig wel weer dat achterin het boek een toelichting staat per lied.

Zingen met ons hart. Hymnen. Ambrosius. Uitgeverij Damon. 14,90 euro