Onrechtvaardigheidsgevoel is de basis van radicalisering

Pieter Anko de Vries

De terugkeer van geradicaliseerde moslimstrijders en of hun kinderen is in ons land een heikel politiek punt. Waarom zijn ze zo extremistisch geworden? En kunnen ze ooit gederadicaliseerd worden?

Radicalisering zie je bij moslim-extremisten, mensen met ultra-rechtse denkbeelden en aanhangers van extreemlinkse standpunten. En er is één grote gemene deler: ze vinden allemaal dat ze onrechtvaardig worden behandeld. En daarover worden ze boos. Niet gewoon boos, zoals door de bank genomen vredelievende, democratisch denkende burgers, maar blijvend boos. Ze willen dingen rechtzetten, onrecht bestrijden, en het gebruik van geweld wordt daarbij een optie waarvoor niet wordt teruggeschrokken. Ze kunnen hun gevoelens niet beteugelen.

Hoogleraar sociale psychologie en empirische rechtswetenschap aan de Universiteit Utrecht Kees van den Bos heeft in zijn onlangs verschenen boek Waarom mensen radicaliseren onderzocht hoe radicaliserende mensen denken en hoe zij de wereld waarnemen. Hij heeft onder meer de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) geadviseerd over manieren waarop radicalisme kan worden aangepakt.

Bij de groep mensen aan de uiterste linkerkant is vooral het verondersteld maatschappelijk onrecht dat hen naar een radicale, gevaarlijke hoek laat drijven. Zij zetten zich bijvoorbeeld meedogenloos in voor de rechten van dieren of voor sociale gerechtigheid. Daarvoor is geen middel te zwaar. Zo vonden leden van de RAF in de jaren zeventig in Duitsland dat politiemensen konden worden gedood omdat die maar ‘zwijnen’ waren. Bij radicale moslims richt het gevoel van onrechtvaardigheid zich met name tegen de overheid. Zij vinden dat die niet goed genoeg voor hen opkomt. Maar ook bijvoorbeeld werkgevers zoals de bazen van supermarkten moeten het ontgelden omdat ze problemen hebben met het dragen van hoofddoekjes.

Serieus genomen

Rechts-extremisten denken met name dat zij oneerlijk behandeld worden vergeleken met nieuwkomers. Voor immigranten wordt gezorgd, die krijgen de banen en de huizen, terwijl de autochtone bevolking zich maar op eigen kracht moet zien te redden. Alle drie de groepen worden verteerd door een gevoel van serieus te willen worden genomen, iets wat in hun ogen niet gebeurt.

Het onderzoek van Van den Bos naar de oorzaken van radicalisering is helder als glas, maar als het aankomt op de bestrijding ervan zegt hij zelf dat dit een ingewikkelde zaak is. Het meeste heil ziet hij in preventie van radicalisering. Dat houdt in dat de autoriteiten vermeende en echte gevoelens van onrechtvaardigheid (ook vermeende gevoelens kunnen in de perceptie van degenen die ze hebben als ‘echt’ worden ervaren) weg proberen te nemen. Een voorbeeld dat Van den Bos (verklaard atheïst) zelf geeft: waarom is het Suikerfeest geen officiële vrije dag en tweede pinksterdag wel. Niet dat hij daar expliciet voor pleit, maar dit is een van de vragen die de samenleving zich moet stellen en waarover moet worden nagedacht, zo stelt hij.

Nog moeilijker (maar het kan wel) is mensen die al geradicaliseerd zijn van hun heilloze weg af te brengen. Er zijn hiervoor vanuit de psychologie talloze programma’s bedacht waarvan het ene succesvoller is dan het andere. Centraal moet staan dat ze hun gevoelens leren te beteugelen. En dat ze leren dat hun waarheid niet de enige waarheid is. Dat is een ingewikkelde psychologische leerweg die bij de een makkelijker verloopt dan bij de ander. Maar veel anders hebben we niet.

Waarom mensen radicaliseren. Kees van den Bos. Prometheus, 17,99 euro