De liberale wind door de Raad van State

De Haagse week
Henk van der Laan

In de inleiding van het jaarverslag van de Raad van State schrijft de vicevoorzitter altijd een kritische beschouwing. Omdat dit het eerste jaarverslag is van de nieuwe vicevoorzitter Thom de Graaf was vooraf de vraag waar hij zijn eerste pijlen op zou richten. Het werden de akkoorden.

Het is al een paar jaar een politieke trend om beleid te maken door akkoorden te sluiten. We hebben het Woonakkoord gehad, het Sociaal Akkoord, het Klimaatakkoord en wie weet binnenkort een pensioenakkoord. Het recept is simpel: om een ingrijpende beleidswijziging te maken nodigt een minister zo veel mogelijk belanghebbende partijen uit om aan overlegtafels te gaan zitten. Dit leidt tot een pakket maatregelen. En dat wordt beleid.

Typisch polderpolitiek: iedereen moet meepraten en uiteindelijk moet er iets liggen waar zoveel mogelijk partijen zich zoveel mogelijk in terug zien.

Eigen belang

De Graaf vindt echter dat wetgeving door de wetgever moet gebeuren: dat zijn de regering en het parlement samen. Maar ‘de wetgever leunt steeds vaker en intensiever op andere partijen om tot wetgeving te komen’. Op zich wel een goed streven, maar een wet mag niet ‘louter een product zijn van een of meer groepen in de samenleving’ laat staan dat de wetgever slechts de taak overhoudt om de akkoorden af te stempelen tot wet. Want het grootste bezwaar is dat al deze belanghebbende partijen niet het algemeen belang voor ogen hebben, maar hun eigen belang. Terwijl regering en parlement juist wel zijn verkozen om het algemeen belang te dienen, elk vanuit een eigen ideologische invalshoek.

Het is een verhaal dat beter past bij de vrijzinnig-liberaal De Graaf (D66) dan bij Piet Hein Donner, zijn voorganger. Donner is CDA’er, de partij bij uitstek die sterk gelooft in overleg met het maatschappelijk middenveld. Liberalen als De Graaf hebben veel minder op met de polder.

Goed voorbeeld was het ministerie van Landbouw in de Paarse jaren (1994-2002). Voorheen was Landbouw een bolwerk waar CDA-politici en boerenbelangorganisaties dicht op elkaar zaten en samen het landbouwbeleid bepaalden. De VVD-minister Jozias van Aartsen beperkte de macht van dit zogeheten ‘Groene Front’ door ook andere organisaties, zoals natuur- en milieuclubs, uit te nodigen.

Taaier dan gedacht

Het was overigens de enige liberale aanval op het maatschappelijk middenveld die in de Paarse jaren lukte. VVD en D66 wilden maar wat graag af van allerlei adviesorganen onder het mom van ‘het primaat van de politiek’. Maar dat lukte, behalve op Landbouw, nauwelijks. De overlegstructuur was taaier dan gedacht. En coalitiepartij PvdA werkte ook niet mee. Daar was Wim Kok, de premier van de Paarse kabinetten, niet rouwig om. Als oud-vakbondsleider was Wim Kok natuurlijk gepokt en gemazeld polderman.

De reactie van de liberaal Mark Rutte op De Graaf was gisteren opmerkelijk. Zo lang het sluiten van akkoorden maar functioneel is, vindt de premier het goed, als maar wel duidelijk is wie welke rol heeft. Maar hij heeft niet de indruk dat er zo veel gepolderd wordt dat dit niet meer het geval is. Sterker nog: Rutte is misschien wel de enige liberaal die de polder prijst: ,,Het is traditie om draagvlak te zoeken,” zei hij. ,,Bij die traditie voel ik me thuis.”