Jelle Zijlstra en de populariteit van Financiën

De Haagse week
Henk van der Laan

Een constante in de Nederlandse politiek is dat de minister van Financiën steevast populair is. De belangrijkste taak van een minister van Financiën is nee zeggen, zei Willem Duisenberg, minister van Financiën tussen 1973 en 1977, tegen Gerrit Zalm toen die in 1994 naar Financiën ging. ,,De enige keer dat je ja mag antwoorden, is op de vraag: ‘Zei je nee?'”

Wie minister van Financiën is, moet er op letten dat er niet te veel geld wordt uitgegeven en dat er voldoende geld binnenkomt. Voor zijn collega’s is de minister van Financiën daarom een niet-toeschietelijke zuinigerd, in de ogen van veel Nederlanders – voor wie zuinigheid nog altijd een deugd is – een verstandig man (nog nooit bekleedde een vrouw dit ambt) die ervoor zorgt dat ‘ons’ geld niet wordt verkwist.

Er is waarschijnlijk geen minister van Financiën geweest die zo populair was als Jelle Zijlstra (1918-2001). Zijlstra, geboren en getogen in Oosterbierum, was al jong even scherpzinnig als ambitieus en maakte na het halen van zijn economiebul in Rotterdam pijlsnel carrière. Op zijn dertigste was hij hoogleraar en vier jaar later minister van Economische Zaken namens de ARP. Dat bleef hij negen jaar, waarna hij vier jaar Financiën deed. En na drie jaar hoogleraarschap keerde hij, terwijl hij eigenlijk al benoemd was al president van De Nederlandsche Bank, in 1966 voor even terug om in een onrustig politiek Den Haag een half jaar lang premier te zijn van een interim-kabinet.

Over Zijlstra is gisteren een biografie verschenen van de historicus Jonne Harmsma: Jelle zal wel zien. Die titel slaat op het liedje dat cabaretier Wim Kan bij zijn oudejaarsconference in 1966 zong op de melodie van Yellow submarine. Uit de tekst van dit slotlied (Waar we heen gaan/Jelle zal wel zien) sprak een groot vertrouwen in Zijlstra.

Technocraat

Zijlstra zag zichzelf als een apolitieke bewindsman die wetenschappelijk handelde en wiens carrière hem ook maar overkwam. Harmsma laat zien dat dat wel iets anders ligt. Zijlstra was ambitieus en omdat de economische wetenschap voor Nederland in 1945 even nieuw als invloedrijk was, kon hij zich vroeg in de kijker spelen. Dat deed hij vooral door zich te mengen in discussie over politiek-economische vraagstukken. Zijlstra was van mening dat de overheid een sturende rol in de economie had, maar dat de staat een terughoudend begrotingsbeleid moest voeren en inflatie bestreden moest worden. Dit idee, schrijft Harmsma, is altijd de leidende draad geweest in Zijlstra’s loopbaan. Door zich als economisch deskundige te presenteren, en minder als partijpoliticus, kreeg hij het imago van technocraat. Dit beeld had hij volgens Harmsma nodig om zich van draagvlak voor zijn beleid te verzekeren. Het leverde hem ook veel gezag op binnen en buiten zijn partij, tijdens en ná zijn politieke loopbaan.

Ook de huidige financiënminister Wopke Hoekstra is een van de populairdere ministers. Dat Hoekstra van buiten de politiek komt, zal hierbij helpen. Dat hij in Europees verband een noordelijk front tegen Franse eurozoneplannen aan het opwerpen is, helemaal. De kans dat hij bejubeld wordt in een liedje in een oudejaarsconference lijkt daarentegen wel klein. Dat doet niemand Zijlstra meer na.