Documentatiecentrum neemt afscheid van Harinck

Jan Auke Brink

Elf maanden na zijn vertrek bij het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (HDC) werd 29 november aan de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam eindelijk afscheid genomen van voormalig HDC-directeur George Harinck (1958).

Op een feestelijk mini-symposium werd Harinck in stijl uitgezwaaid. Onder zijn leiding verwierf het instituut faam door de vele symposia die het organiseerde. Die bijeenkomsten werkten als een vliegwiel, blikte Harinck terug: ,,Wij lieten zien dat we echt iets deden met de archieven die we in beheer kregen. We onderzochten ze, we publiceerden er over en we organiseerden symposia. Die bijeenkomsten werden altijd goed bezocht en we kregen als gevolg daarvan weer nieuwe archieven binnen. Of we kregen geld van ondernemers die vonden dat we goed werk verrichtten. Van dat geld konden we dan een publicatie maken.”

Geoliede machine

Harinck was sinds 1985 verbonden aan het HDC, toen hij als pas afgestudeerd historicus aantrad. In 2004 werd hij directeur van het instituut, tot 2013 liep dat volgens Harinck als een geoliede machine: ,,We hebben als klein HDC zo miljoenen binnengehaald”, constateerde hij niet zonder trots. De nieuwe directeur Bart Wallet noemde Harinck bij het afscheid een onovertroffen fundraiser: ,,Hij wist zelfs bij de jezuïeten geld te halen. Dan weet je dat de Tachtigjarige Oorlog echt voorbij is.”

Maar de laatste paar jaren kwam er zand in Harincks machine. Drie jaar voor zijn vertrek werd het HDC tijdens de reorganisatie in tweeën gesplitst: het archief vertrok met archivaris naar de universiteitsbibliotheek, van het HDC bleven nog de directeur en twee wetenschappelijke medewerkers over. Dat zinde hem niet; de kracht van het HDC lag volgens Harinck juist in de samenwerking binnen het kleine team.

In het universiteitsblad Advalvas zei Harinck een jaar geleden dat hij er alles aan had gedaan om de naam van het centrum in die nieuwe omstandigheden hoog te houden. ,,Bijvoorbeeld door veel congressen te organiseren. Ik wilde naar buiten toe laten zien dat we nog erg druk en dynamisch waren.”

Grijze haren

Al die congressen organiseerde hij vrijwel in z’n eentje, terwijl er vanuit het bestuur van de universiteit steeds minder waardering kwam. ,,Op den duur was er zelfs een bestuurder die kritiek had op te publiek. Hij zei: ‘Kijk eens om je heen George, ik zie alleen maar grijze haren. Dat moet veranderen.’ Maar die man begreep niet dat er steeds weer nieuwe mensen met grijze haren kwamen. Interesse in geschiedenis begint nu eenmaal op latere leeftijd. En ik heb nog nooit geld gekregen van een ondernemer van 30, degenen die geld geven zijn altijd minimaal 60.”

De onvrede over het beleid van het universiteitsbestuur stapelde zich op bij Harinck, waarna hij per januari 2018 een baan aannam als hoogleraar- directeur van het nieuwe instituut voor de studie van het neo-calvinisme aan de Theologische Universiteit Kampen.

Harinck blijft nog wel aan de VU verbonden als hoogleraar neo-calvinisme. Een van de activiteiten in die colleges is dat hij zijn studenten negentiende- eeuwse brieven uit de archieven van het HDC laat transcriberen. ,,Dat vinden ze fantastisch om te doen, vaak is het een van de weinige momenten dat ze met een echte historische bron werken. Maar er zit ook een keerzijde aan het werken met studenten geschiedenis: ze weten niets van de materie waar de brieven over gaan. Zo wordt ‘doop’ gewoon als ‘drop’ opgeschreven.”

Met researchmasterstudent Wouter Kroese bewerkte en bundelde hij transcripties van brieven van Henry Dosker (1855 – 1926) aan Herman Bavinck (1854 – 1921) in het boek Men wil toch niet gaarne een masker dragen. Dat is als afscheidscadeau uitgegeven in de Donum-reeks van het HDC.