Hoe jongeren je preek niet saai vinden

Wim Warnar

Veel jongeren denken bij de preek meteen aan ‘saai’. Kan dat ook anders? Hoe betrek je jongeren erbij? Die vraag stond centraal op een studiebijeenkomst in Sliedrecht.

Dat de vraag leeft bleek wel uit de grote opkomst: zo’n honderd predikanten en kerkelijk werkers die voorgaan in diensten waren op de bijeenkomst afgekomen. ,,De sleutel ligt misschien wel in het samen ploeteren” stelde Nelleke Plomp. Volgens haar ligt de verantwoordelijkheid niet alleen bij voorgangers maar ook bij jongeren zelf. Je moet samen moeite doen om de preek te laten ‘werken’. Plomp, zelf als specialist Vieren verbonden aan JOP, de jongerenorganisatie van de Protestantse Kerk, deed onderzoek naar de vraag hoe jongeren van 15 tot 20 jaar betrokken raken bij de preek. Zij lichtte de bevindingen uit haar onderzoek toe tijdens de studiebijeenkomst die werd georganiseerd door JOP, de Hervormd Gereformeerde Jeugdbond (HGJB) en Areopagus van de Inwendige Zendingsbond (IZB).

Plomp deed haar onderzoek in de Hervormde Gemeente Sliedrecht waar Johan Sparreboom predikant is. Sparreboom vond het wel spannend om zo onder de loep genomen te worden, maar is blij dat hij mee heeft gewerkt aan het onderzoek. Hij herkent de verlegenheid die volgens hem velen hebben: ,,Het lukt maar mondjesmaat om jongeren te raken.”

Iemand die je kent

Waarin hij zelf door het onderzoek is veranderd, is dat hij nu vaker bewust ‘je’ zegt in zijn preken. Daarnaast is hij opnieuw stilgezet bij het belang van het kennen van de jongeren. Een jongere uit het onderzoek gaf aan beter naar Sparrebooms preken te luisteren sinds het moment dat de predikant bij de jongere op bezoek was geweest toen die in het ziekenhuis lag.

Dat onderstreepte ook Rik de Waard, die meedeed aan het onderzoek: ,,Je luistert beter naar iemand die je kent.” De leerling uit vwo 6 noemde ook de eigen verantwoordelijkheid van de jongeren. Als je zaterdagnacht om half drie thuiskomt, kun je niet verwachten dat de dominee zo goed is dat die je op zondagochtend wel aanspreekt en raakt.

Naast Plomp gaf ook Kees van Ekris een lezing, als studieleider bij Areopagus – de tak van de IZB gericht op de toerusting van predikanten. Ook hij benoemde de verantwoordelijkheid van de hoorder. In elke preek kun je volgens hem ‘het Godswoord kapot luisteren, of tevoorschijn luisteren.’

Rollen

En ouders moeten zich ook zelf verantwoordelijk voelen om voor hun kinderen een toepassing van de preek te maken. Maar omdat de bijeenkomst bedoeld was voor voorgangers, richtte Van Ekris zich vooral op hun rol. Hij onderscheidde er vier.

Ten eerste die van ‘soulmate’: dat je laat zien dat je in contact met hen staat, met een geestelijke en sympathieke nieuwsgierigheid. De tweede rol is die van mede-pelgrim, waarbij jouw levenservaring een gidsfunctie kan hebben. Je moet begrijpen waarom mensen bepaalde geloofsovertuigingen hebben. Je moet ook weten hoe je geloof uit elkaar kan vallen. De derde is die van theoloog. Je moet toegang hebben tot het grote verhaal van God en in staat zijn om grote thema’s te ontsluiten. Ten slotte is er de rol van ambtsdrager: iemand die niet altijd alles maar gladstrijkt, maar dingen durft te benoemen.

Je moet het tegengeluid van het evangelie hoog durven houden, tegen de kwade machten in. De kracht van de prediking gebeurt volgens Van Ekris in het uitoefenen van deze verschillende rollen. Het gaat mis als een van die rollen onontwikkeld blijft.

Plomp benadrukte dat je als predikant toegankelijk moet zijn. ‘Warmte’ en ‘echtheid’ zijn sleutelbegrippen, die Plomp ontleend aan een Amerikaans onderzoek getiteld Growing young. Daaruit blijkt dat jongeren vooral behoefte hebben aan echte contacten en dat warme banden cruciaal zijn voor het overbrengen van een boodschap. Daarom is het volgens Plomp belangrijk dat je als predikant ook jezelf durft te laten zien. Uiteindelijk gaat het niet om het leuker maken. Het gaat om samen werken. Het begint met wederzijdse openheid van predikant en jongeren voor elkaar en het Woord, aldus Plomp.