Ad den Besten: Hoe de oorlog zijn kijk op poëzie veranderde

Ellen Stikkelbroeck

Neerlandicus en boekrecensent van het Goede Leven Tjerk de Reus (1971) is al jaren gefascineerd door Ad den Besten (1923-2015). De dichter, essayist en uitgever van poëzie is bij het kerkelijke publiek vooral bekend van zijn bijdragen aan het Liedboek voor de Kerken (1973). Literatoren kennen hem als schrijver van Stroomgebied (1954), het eerste boek dat ooit verscheen over de literaire beweging de Vijftigers. En als uitgever van de poëziereeks De Windroos waarin jonge dichters debuteerden. Dinsdag 2 oktober promoveerde De Reus na jarenlang onderzoek op een deelbiografie van Den Besten. Een onderzoek dat pas echt op stoom kwam, toen hij brieven uit diens nalatenschap onder ogen kreeg.

Zijn ogen beginnen te glimmen als Tjerk de Reus de brieven van Ad den Besten laat zien. Ze staan allemaal ingescand op zijn computer. ,,Kijk, dit zijn brieven die hij schreef aan zijn moeder. Deze telt wel zeven kantjes! En hier, deze schreef hij aan zijn vriendin: ‘mijn lieveling’. In de veertien oorlogsmaanden dat hij in Berlijn verbleef in het kader van de Arbeitseinsatz, heeft hij zo’n honderdtachtig brieven naar huis geschreven. Ik ben wel een jaar aan het lezen geweest voordat ik alles een beetje kon overzien.”

Niet alleen zijn Den Bestens eigen brieven bewaard gebleven; ook de correspondentie áán hem is zorgvuldig bewaard. De Reus trekt een la van zijn bureau open. ,,Kijk, ik heb hier gewoon originele brieven liggen van dichters Jan Hanlo, C. Buddingh’ en Paul Rodenko en een correspondentie met theoloog Willem Barnard.”

Erfenis

Het moment waarop hij de nalatenschap van Den Besten onder ogen kreeg, was bijzonder. ,,Ik was al heel lang met hem bezig en het idee voor een dissertatie lag er al jaren, maar daar had ik nog maar weinig aan gedaan toen ik in 2011 een telefoontje kreeg van de dochters van Ad den Besten. Hun vader ging naar een verpleeghuis en zij vroegen mij om advies wat ze aan moesten met zijn literaire erfenis: al zijn brieven, paperassen, boeken, mappen met spullen.”

Hij trok een paar dagen uit om de literaire nalatenschap te beoordelen en verdeelde die in vier stapels: een voor het Literatuurmuseum in Den Haag, een voor het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (HDC) aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, een voor het K. H. Miskotte Archief van de bibliotheek van de Universiteit Leiden en een met documenten die hij zelf zou willen gebruiken voor zijn proefschrift. ,,Alles wat ik wilde gebruiken, mocht ik lenen. Omdat mijn dissertatie zich beperkt tot de periode 1923-1955 viel er voor mij heel veel af. Zo zijn er dózen vol naar het Literatuurmuseum gegaan. Afijn, toen ik zijn brieven kon bestuderen, kreeg mijn onderzoek een impuls en ben ik echt gaan schrijven. Nu mijn dissertatie voltooid is, zal ik alles weer afstaan, bijvoorbeeld aan het Literatuurmuseum. En Den Bestens persoonlijke brieven uit de oorlog gaan allemaal terug naar de familie.”

In verband

Tjerk de Reus raakte gefascineerd door Ad den Besten tijdens het derde jaar van zijn studie Nederlandse taal-en letterkunde aan de Universiteit Leiden. Hij las toen zijn boek Dichten poëzie (1973). ,,Wat mij trof was dat Den Besten vanuit een levensbeschouwelijke oriëntatie bezig was met literatuur; en dan op een interessante manier. Op een manier die mij overtuigde. Hij was heel serieus in gesprek met allerlei dichters. Hij bracht poëzie, levensbeschouwing en theologie met elkaar in verband. Dat deed hij frank en vrij.”

,,Kijk, in de christelijke traditie is het altijd weer de vraag: hoe verhoud je je tot de moderne literatuur? In de katholieke traditie resulteerde dat in een lijst met boeken die je niet mocht lezen. In de protestantse traditie werd gezegd: je moet eerst ethisch vragen of een boek goed is en dan mag je het pas esthetisch waarderen. Als er bijvoorbeeld in een boek wordt gevloekt, mag je het in bepaalde kringen niet lezen. Of als het weinig hoopvol afloopt, moet je in de recensie schrijven: gelukkig weten wij dat er hoop is dankzij het geloof. Uit die wereld kom ik óók, maar daar voelde ik me niet prettig bij. Want dat betekent dat je vanuit een geloofsstandpunt de cultuur niet serieus neemt.”

,,Ad den Besten was vanuit een christelijk besef juist wél volop betrokken bij de (seculiere) cultuur en kon erin mee denken. Dat boeide mij. Sindsdien heb ik altijd sterk geloofd in de samenhang tussen kunst, literatuur, theologie, filosofie. Dat zijn allemaal perspectieven op hetzelfde: op de basisvragen van de mens.”

De Reus besloot af te studeren op de poëzie en poëtica van Den Besten. Al snel ontstond het idee voor een proefschrift. ,,Ik heb eerst voor het literaire tijdschrift Bloknoot, waarvan ik redacteur was, een themanummer over hem samengesteld. Dat verscheen in1998. Daarin staat onder meer een levensbeschrijving van hem. Welnu, die klopt niet. Ik heb toentertijd wel veelvuldig contact met hem gehad, maar inmiddels weet ik dat hij in interviews over de oorlogsjaren heel andere dingen heeft verteld dan uit zijn correspondentie blijkt.”

Duits

Adrianus Cornelis den Besten (roepnaam Adri, later door hem zelf afgekort tot Ad) werd in 1923 in Utrecht geboren als oudste zoon in een hervormd gezin met uiteindelijk drie kinderen. Zijn vader was jurist en curator en bestuurslid bij het Christelijk Gymnasium in Utrecht. In het gezin heerste een pro-Duitse sfeer. In hun verlovingstijd waren Adri’s ouders betrokken geweest bij de hulp aan Duitse kinderen in de Eerste Wereldoorlog. In die tijd ontstonden vriendschappen met verschillende Duitse families en er kwamen geregeld Duitse ‘ooms’ en ‘tantes’ over de vloer. Adri raakte zo bekend met de Duitse taal. Doordat er bij zijn vader verschillende schrijvers over de vloer kwamen, onder meer om hun echtscheidingen te regelen, kwam Adri in aanraking met poëzie.

Zijn ouders scheidden toen Adri negen jaar oud was. Hij ging met zijn broertje en zusje bij hun moeder wonen. Zijn vader moest vanwege de scheiding zijn functie bij het gymnasium neerleggen. Hij zegde in 1933 zijn lidmaatschap van de CHU op en werd lid van de NSB. Adri ging na de lagere school naar het gymnasium. ,,In het tweede jaar werd hij geraakt door de poëzie in de bloemlezing Goldene Worte Deutscher Dichter waaruit de leerlingen gedichten moesten reciteren.” Toen begon hij zelf ook met het schrijven van gedichten. Hij kreeg verkering met Agnes van der Wedden, met wie hij in 1947 zou trouwen. Hij werd lid van de literaire schoolvereniging Ars et Amicitia en op zestienjarige leeftijd debuteerde hij als dichter in het christelijke letterkundige tijdschrift Opwaartsche wegen. Redacteur Roel Houwink van dat blad, die later collaboreerde, werd als een mentor voor hemen Adri zag hem op een gegeven moment als een soort pleegvader.

Binnen de NSB had vader Den Besten allerlei functies. In 1941 werd hij benoemd tot burgemeester van Apeldoorn. In datzelfde jaar begon Ad den Besten aan een studie theologie bij de Rijksuniversiteit van Utrecht.

Loyaliteitsverklaring

In het voorjaar van 1943 besloot Ad de zogeheten loyaliteitsverklaring te ondertekenen, een verklaring waarin studenten toezegden om geen handelingen te doen die in strijd waren met het Derde Rijk. ,,Hij schreef er zelf bij ‘voor zover in overeenstemming met mijn geloof in Jezus Christus’.” Wie de verklaring niet ondertekende, mocht geen colleges meer volgen en moest zich melden voor Arbeidseinsatz in Duitsland.

,,Ad den Besten heeft de verklaring wél ondertekend, maar zich vervolgens toch gemeld voor de Arbeitseinsatz”, zegt De Reus. ,,Hij wilde geen bevoorrechte positie hebben ten opzichte van andere studenten en bovendien vond hij op religieuze motieven dat hij de overheid moest gehoorzamen. De overheid was toch Gods dienares. Later heeft hij in interviews altijd beweerd dat hij min of meer gedwongen werd door zijn NSB-vader, maar uit zijn brieven uit die tijd blijkt dat niet. In werkelijkheid stond hij tijdens de Tweede Wereldoorlog behoorlijk sympathiek tegenover Duitsland.”

In de veertien maanden dat Ad den Besten uiteindelijk in nazi-Duitsland verbleef, schreef hij wekelijks drie à vier brieven naar huis. ,,Daaruit blijkt dat hij het zwaar had: de levensomstandigheden waren niet altijd goed, hij had geldgebrek en er was verveling en wanhoop. Maar hij ervoer het ook als een groot avontuur.”

Sympathieën

Vlak voordat hij naar Duitsland ging, deed hij belijdenis in de Nederlandse Hervormde Kerk en in zijn brieven is regelmatig te lezen dat God ‘onder alle omstandigheden’ weet ‘wat het beste voor ons is’. Ook omschreef hij zijn verblijf wel als ‘boven verwachting goed’.

,,Als je al die brieven leest, kom je tot de conclusie dat Ad den Besten sympathie had voor het onderliggende profiel van het nazisme. Hij werd aangetrokken door een soort mystiek die georiënteerd is op volk, vaderland en natuur. Maar hij was geen fan van Hitler. Hij was ook niet antisemitisch, maar hij relativeerde lange tijd de misstanden in Duitsland en gaf de Duitsers het voordeel van de twijfel.”

Hoewel hij Duitse sympathieën had, kun je volgens Tjerk de Reus niet zeggen dat hij daarom ‘fout’ was. ,,Hij was ambivalent, maar heeft in de oorlog geen kwaad gedaan. Hij heeft zichzelf naderhand ook grondig herzien. Hij zat door zijn omgeving in een bepaald tunneltje en dat heeft hij allemaal verwerkt met een grote mate van zelfkritiek. Hij heeft zichzelf echt binnenstebuiten gekeerd. Ik heb in het archief lezingen opgedoken die hij in de jaren 1945-1950 hield en daarin zie je zijn ontwikkeling. Hij is daarin impliciet heel kritisch over zichzelf.”

Ommekeer

De Reus vindt het jammer dat Den Besten er nooit een expliciete verklaring over heeft afgelegd. ,,Hij heeft in de jaren zeventig in een interview verteld dat hij al voor 1940 inzag dat het nazisme slecht was, maar uit zijn brieven blijkt dat dat besef pas aan het eind van de oorlog kwam. Ik denk dat hij zich daarvoor heeft geschaamd. En misschien heeft hij ook wel dingen verdrongen uit zijn geheugen. De wegen die hij naderhand heeft bewandeld maken in elk geval dat ik geloof in zijn oprechtheid.”

De ommekeer in zijn biografie zie je tegelijkertijd terug in zijn opvattingen over poëzie, concludeert Tjerk de Reus in zijn proefschrift. ,,In 1944 kon Den Besten het wel waarderen als poëzie een spreekbuis was van ‘bloed en bodem’. Poëzie verwoordde voor hem een mystieke natuurervaring, waartoe ook volk, land en het eigene behoorden. Met een bepaalde verrukking las hij die poëzie. Maar hij zag gaandeweg in, zo tussen 1945 en 1950, dat dat bloed-en-bodemverhaal anti-humanistisch is. Want blijkbaar kan dat ertoe leiden dat mensen worden uitgesloten en zelfs vergast. Hij concludeerde dat de verheerlijking van eigen land en volk echt heilloos is en vanuit het evangelie geredeneerd niet mag.”

De dichter kreeg dus een kritische houding ten opzichte van natuurmystieke poëzie. ,,En tot zijn verbazing ontdekte hij dat de Vijftigers het juist zochten in de natuurmystiek. Niet nazistisch georiënteerd, maar in de zin van: de ratio heeft schipbreuk geleden, dus wij vinden onszelf terug in een soort ‘onbesmet ik’, in een soort primaire natuurlijkheid.” Hij werd dus weer met die natuurmystiek geconfronteerd. ,,Zijn opvatting werd dat poëzie die natuurervaringen weliswaar onthult, maar dat ze daar een kritisch woord over spreekt. Poëzie is een daad: een ja of nee. Het woord brengt goed en kwaad in beeld. Mijn proefschrift eindigt daarmee bij de man die liedteksten voor het Liedboek is gaan schrijven.”

Tjerk de Reus verdedigt dinsdag 9 oktober zijn proefschrift aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Vanaf dan ligt ook zijn boek in de boekhandel.
Ad den Besten. Deelbiografie 1923-1955. Oorlogstijd de Vijftigers. Tjerk de Reus Skandalon € 35,00