Op duidelijkheid heb ik het niet erg begrepen, nee

Jos Wouters

De nieuwe generaal abt van de Orde van de Norbertijnen is Jos Wouters. Dat betekent dat hij zijn geliefde boerderij en ruimte onder de rook van Leuven verruilt voor het drukke Rome. Maar dat geeft niet, zo lang hij kan doen wat hij belangrijk vindt: luisteren. En zijn motto onderhouden: leven naar de geest. Oftewel: ,,Radicale openheid, nederigheid en mededogen bewaren en cultiveren. Dat is voor elke christen van belang.”

Vertegenwoordigers van de Orde van de Norbertijnen (gesticht in 1121 door Norbertus van Xanten, ook wel Van Gennep genoemd, naar zijn geboorteplaats in Noord- Limburg) uit de hele wereld kozen deze zomer de Vlaamse norbertijn Jos Wouters tot hun generaal abt.

Dat gebeurde tijdens het zogeheten generaal kapittel, dat elke zes jaar wordt gehouden. Deze keer vond de vergadering plaats in het Limburgse Rolduc. De norbertijnen zijn ook bekend als premonstratenzers en worden ook wel ‘witheren’ genoemd vanwege hun witte habijt.

Wereldwijd zijn er ongeveer 1200 Norbertijnen. In Nederland heeft de orde gemeenschappen in Heeswijk, Hierden (bij Harderwijk) en er is een klooster van norbertinessen in Oosterhout (Noord-Brabant).

Tot voor kort was Jos Wouters de abt van de eeuwenoude abdij van Averbode (1134), niet ver van Leuven. Vanwege zijn nieuwe functie van generaal abt vertrekt hij naar Rome. Hoewel hij daar bepaald niet elke dag te vinden zal zijn. „Ik schat dat ik ongeveer een derde van het jaar op reis ben.

Want er zijn 39 huizen van mannen en daarnaast een stuk of tien gemeenschappen van zusters in alle werelddelen. Het meeste werk is eigenlijk dat de generaal abt wordt gevraagd bij elke feestelijke gelegenheid. Daar zit natuurlijk een valkuil: je komt altijd in een gemeenschap die feest. Ik Daar moet ik doorheen kijken. Niet om te controleren, maar veeleer om aan te voelen hoe het echt gaat. En dan toch op zo’n manier aanwezig te zijn dat ik kan luisteren naar wat er omgaat, vooral luisteren naar de overste ter plaatse om te zien of hij wat extra steun kan gebruiken.”

Luisteren zal uw belangrijkste taak zijn?

„Ja, of het opvangen van signalen die wijzen op problemen. In een orde zoals die van ons is de opdracht het ondersteunen van de autonomie en de zelfstandigheid van de gemeenschappen. De generaal abt moet er zoveel mogelijk toe bijdragen dat de gemeenschappen op eigen benen kunnen staan. En dat is nog niet zo dom, ik zou het niet anders willen.”

In hoeverre verschillen de norbertijnen van andere kloosterorden?

„Wij zullen altijd met grote nadruk zeggen dat we geen monniken zijn, omdat we de gerichtheid op de samenleving en het pastoraat in veel vormen als een wezenlijk onderdeel van onze levenswijze zien.

Toch zijn er in de vormgeving van ons leven heel wat elementen die vergeleken kunnen worden met de levenswijze van monniken: het getijdengebed, het habijt en ook het fenomeen ‘abdij’, hoewel dat in Latijns-Amerika minder uitgewerkt is dan hier. De broeders wonen daar samen in een huis dat qua uitstraling en sfeer helemaal niet te vergelijken met hetgeen wat u hier in Europa ziet. Het zijn dikwijls meer grote pastorieën. De broeders in Latijns-Amerika zijn ook sterk op apostolaat gericht. Waarschijnlijk komt dat ook omdat hun leeftijd lager is. Jongere mensen zijn vanzelf al ambitieuzer en ze hebben dus graag een grote parochie of een sociaal project waar ze zich op kunnen werpen. Als je daar op bezoek komt, ontkom je er niet aan om van het ene project naar het andere te rijden.”

Toen u intrad had u waarschijnlijk niet voor ogen dat u ooit generaal abt zou worden?

„Nee, het zou heel merkwaardig zijn als je dan aan zo’n exotische functie denkt. Het leven in gemeenschap en de gemeenschappelijke liturgie trokken mij aan. En de mogelijkheid tot stilte en gebed. Norbertijnen doen aan pastoraat in verschillende vormen en dat zag ik ook als component van dat leven.”

Die combinatie van actief en beschouwend leven zag hij bij zijn ouders. Zijn moeder was maatschappelijk actief, zijn vader meer beschouwend. „Mijn vader was zonder dogmatisch te zijn een heel diepgelovig man. Het geloof bepaalde zijn dagelijks leven. Dat een mens die tracht naar het evangelie te leven ook gelukkig is, zag het als het bewijs van het bestaan van God. En hij hield van stilte en rustig bezig zijn. Ik denk dat ik die twee polen van mijn ouders tot op zekere hoogte wat geïnternaliseerd hebt.”

Wat voor werk bent u na uw intreden gaan doen?

„Ik ben eerst in Rome gaan studeren en daarna heb ik hier enige tijd in Averbode in het bezinningscentrum gewerkt. Vanuit de abdij ben ik parochiepriester geweest en heb ik nogal wat individueel pastoraat gedaan, counseling zo u wilt, wat ook weer luisteren is eigenlijk. Daarnaast werkte ik voor de kerkelijke rechtbank en ben ik hier de laatste twaalf jaar de abt geweest.”

Wat voor werk doen de broeders van Averbode nog meer?

„Er zijn nog enkele missionarissen in Denemarken en Brazilië en er is nog een broeder die voltijds leraar is. Dan zijn er allerlei bezinnende en vormende activiteiten en lezingen. De abdij levend en levendig laten zijn, kun je ook zien als een vorm van pastoraat. Het is een gemeenschap die zich op bepaalde momenten openstelt, met het gastenverblijf en de vieringen van de liturgie op zondag. Dat kunnen ook contactmomenten zijn. Het bewaren van zulke kernen van duidelijk christelijke gemeenschappen is eigenlijk al een dienst aan de ruimere kerk.”

Gaat u Averbode missen als u naar Rome gaat?

„Dat denk ik wel ja. Maar ik zal daar andere dingen beleven. In Rome is er geen boerderij waar ik ’s avonds nog kan gaan kijken. En ook niet zo veel ruimte. Het huis zal heel anders zijn, maar ik ken het gelukkig omdat ik er ook verbleven heb toen ik student was. Dat geeft natuurlijk een voorsprong.”

Uw motto als abt was ‘Leven naar de Geest’.

„Inderdaad: Spiritu ambulate, uit de Galatenbrief. Tijdens het generaal kapittel hebben we nogal flink gewerkt aan de statuten. Tijdens mijn afsluitingswoordje heb ik gezegd dat wetten geen problemen oplossen, maar problemen creëren omdat ze de mensen niet veranderen. De mens veranderen dat kan de mens tot op zekere hoogte zelf, want de echte grote verandering gebeurt eigenlijk in het scheppende, levengevende contact dat wij allemaal met God hebben. Dan is ‘leef naar de geest’ eigenlijk die radicale openheid, nederigheid en mededogen bewaren en cultiveren. Dat is denk ik voor elk christelijk leven van fundamenteel belang, a fortiori voor religieuzen. En dan nog eens extra daar bovenop voor hen die aan hun broeders op een of andere manier leiding moeten geven.”

Hierin hoor ik iets van paus Franciscus die ook benadrukt dat regels niet voorop staan en die soms het verwijt krijgt dat hij onduidelijk is over wat er wel of niet mag.

„We herkennen ons als pastoraal werkenden in paus Franciscus omdat hij zegt en doet wat wij aan de basis allang zeggen en doen. Het leven is niet duidelijk, dat is het nooit. Men moet zich eigenlijk voortdurend de vraag stellen: ‘wat is in deze omstandigheden goed’. Ik heb het niet erg begrepen op duidelijkheid, nee. Er zijn natuurlijk een aantal dingen: laten we ons alstublieft houden aan de afspraak dat we rechts rijden en dat we stoppen voor rood licht. Maar als je advies moet geven aan ouders van een puberende zoon – die trouwens ook rechts moet rijden – moet je je ook afvragen: wat is goed in dit geval.”

Ook als hij zegt ik ben homo en ik ga samenwonen met een vriend?

„Dan zeggen we… Enfin, dan zeggen we niets. Punt. Het is van kapitaal belang dat de ouders in alle omstandigheden ouders blijven van hun kinderen. Dat lijkt me de voornaamste opdracht.”

De Rooms-Katholieke Kerk krijgt het verwijt dat er te weinig controle is geweest en dat daardoor bijvoorbeeld de misbruikaffaires konden ontstaan.

„Er is te weinig controle geweest? Er was er te veel! Het is een heel complex probleem met nogal wat facetten en ik kan dat niet volledig analyseren. Maar een aspect is zeker dat als een ideaal alleen wordt getoetst aan concrete uitwendige gedragingen, dan kan ik me voorstellen dat iemand die bij de club wil horen zich uiterlijk conformeert en dan een soort dubbelleven gaat leiden. Als er nu een beetje meer ruimte geweest was en wat meer wijsheid, dan had misschien een en ander ter sprake kunnen komen. Maar dat is maar één aspect. Een ander aspect is natuurlijk de machtspositie die de Kerk veel meer had in die tijd. Naar het seminarie of naar een klooster gaan was een van de weinige manieren voor mensen van minder welgestelde komaf om zich naar boven te kunnen werken. In het spreken was het wel evangelie en naastenliefde wat de klok sloeg, maar in de praktijk ging het om macht. Macht is goed als het gaat om de mogelijkheid tot handelen. Maar macht die domineert niet.”

Hoe heeft de abdijgemeenschap zich in de twaalf jaar dat u abt was, ontwikkeld?

„Wat betreft aanwas en verjonging zijn het geen topjaren geweest. Er is er slechts één die de opleiding heeft afgerond en gebleven is; op dit moment is er een aantal jonge mensen in opleiding.”

In economisch opzicht gaat het wel goed met de abdij?

„Met die rijkdom op zich heb ik nooit een probleem gehad. Wat je ermee doet is bepalend. Ik heb het altijd zo gezien dat we met het zelf onderhouden van dit complex en deze site een maatschappelijke taak vervullen. Als cultuurgoed is dat gemeenschappelijk bezit. Ook vond ik het sociaal aspect van tewerkstelling toch altijd belangrijk, de gerichtheid op de omgeving, op de streek. Dat de mensen die hier in de omgeving wonen er iets aan hebben.”

Hoeveel werkgelegenheid biedt de abdij?

„Ik denk dat het alles bijeen om een tweehonderdtal mensen gaat, van wie een twintigtal rechtstreeks. We werken samen met organisaties die werkgelegenheid bieden aan mensen die er op de reguliere arbeidsmarkt slechts met grote moeite tussen raken.”

Om wat voor activiteiten gaat het?

„Een uitgeverij, een melkveebedrijf en een winkel met abdijproducten en horeca-activiteiten.”

Maar toch kan er een einde komen aan het bestaan van de abdijgemeenschap?

„Dat kan zijn, ja. Ik heb wel eens gezegd: het gaat niet over de abdij van Averbode, maar om de realisatie van het Rijk Gods. Onze rol daarin is abdij te zijn en zo goed mogelijk te doen waar we voor staan. Maar we zijn niet het uiteindelijke doel.”