‘Er zijn al te veel bijzondere kerken verdwenen’

Jan Auke Brink

Tussen 1800 en 1970 zijn ruim zesduizend kerken gebouwd in Nederland, meer dan duizend daarvan zijn al gesloopt. Herman Wesselink verdedigt vandaag zijn promotieonderzoek naar deze gebouwen. ,,Er is veel moois verloren gegaan. Dat moet in de toekomst anders.”

,,Ik ben altijd al geïnteresseerd in kerkgebouwen. Rond mijn tiende gingen we ieder jaar op vakantie naar Vlieland. Tijdens de autorit vanuit Zuidlaren in Drenthe speurde ik de horizon af naar kerktorens. Ik las er ook veel over.”

,,Ik weet nog dat ik graag de Sint-Martinuskerk van Sneek wilde bekijken. Mijn vader nam me toen een keer mee, op de terugweg van Vlieland. Mijn moeder reed met mijn broertje en zusjes door naar huis, wij bekeken deze bijzondere kerk, gebouwd door Pierre Cuypers. Dat bezoek met mijn vader heeft veel indruk op mij gemaakt.”

Beginpunt

Het beginpunt van zijn interesse in kerkbouw kan Wesselink niet meer terughalen. ,,Volgens mijn vader sleepte ik mijn ouders al mee naar iedere kerk als we ergens op bezoek waren, zelfs toen ik nog niet kon praten. Zelf denk ik dat het te maken heeft met de interesses die ik van huis uit heb meegekregen. De familie van mijn vaders kant is praktiserend gereformeerd, en ik ben ook met het geloof opgevoed. Mijn moeder is altijd geïnteresseerd geweest in kunst en cultuur. Ik denk dat mijn interesse uit die twee achtergronden voortkomt.”

Het onderzoek waarop Wesselink promoveert aan de Vrije Universiteit (VU) richt zich op kerkgebouwen uit de periode 1800 en 1970. ,,Als kind vond ik de negentiende-eeuwse kerken van Cuypers heel mooi. Later verschoof die interesse meer naar de twintigste eeuw. Hobbymatig legde ik een heel documentatie- archief aan van kerken uit deze eeuwen. Dat is een heel interessante periode, omdat er na eeuwen van overheersing door de protestantse kerk godsdienstvrijheid kwam in Nederland. De katholieken begonnen weer te bouwen en met de afscheiding van 1834 en de doleantie van 1886 ontstonden ook nieuwe protestantse stromingen die kerken lieten bouwen.”

Zoals andere kinderen dromen van carrières als profvoetballer of brandweerman, wilde Wesselink koster of architect worden. ,,Ik ben gedoopt in de Westerkerk in Amsterdam, daar kerkten we ook, ik vond dat prachtig. Later maakte ik tienertoerreisjes naar plaatsen om kerkgebouwen te bekijken. Zo ben ik ook met de trein naar Leeuwarden gegaan, speciaal voor de Bonifatiuskerk.”

Omzwervingen

Na de havo begon Wesselink aan de opleiding Bouwkunde en civiele techniek, want koster kwam niet door zijn beroepskeuzetest: ,,Ik ontdekte dat je daar geen geld mee kunt verdienen. Ik ben later wel nog een paar jaar vrijwillig koster geweest. Ik wilde dus architect worden, maar ik kwam er al snel achter dat de architectenwereld over-gecommercialiseerd is. Je moet echt heel goed zijn om daar iets in te bereiken. En daarbij wilde ik graag kerken ontwerpen, maar het bleek dat er nauwelijks meer kerken gebouwd worden.”

Na wat omzwervingen startte Wesselink een aantal jaar later de opleiding kunstgeschiedenis. ,,Ik besloot nu niet te kijken naar carrièrekansen, ik wilde me echt verdiepen in de geschiedenis van kerkgebouwen. Daarbij droomde ik wel van een wetenschappelijke baan.”

Na zijn afstuderen in 2008 leken er kansen te liggen om te promoveren. Zijn onderwerp werd geschikt bevonden en er waren potjes. Maar de crisis brak uit, waardoor ook de universiteiten moesten bezuinigen. Wesselink bleef zoeken naar mogelijkheden. Uiteindelijk heeft hij met behulp van meerdere investeerders in 2012 een promotieplek aan de VU kunnen bemachtigen.

Kansen

Wesselinks onderzoeksperiode start in 1800, omdat er aan het begin van de negentiende eeuw veel veranderde in Nederland: Napoleon veroverde Europa en in Nederland werd diens broer Lodewijk Napoleon koning. ,,De katholieken kregen toen weer veel meer kansen. Maar om religieuze onrust te voorkomen, reguleerde Lodewijk Napoleon de kerkbouw. In gebieden waar de katholieken de meerderheid vormden, dus vooral in het Zuiden, moesten de protestanten de grote middeleeuwse kerken teruggeven aan de katholieken. Daarvoor werden de protestanten wel gecompenseerd, ze kregen geld en mochten nieuwe kerken bouwen. Die noemen we napoleonkerkjes.”

De Franse overheersing van Nederland duurde tot 1813. Daarna kreeg Nederland achtereenvolgens de koningen Willem I, II en III. De overheidsbemoeienis met kerkbouw bleef tot 1848, waarna de scheiding tussen kerk en staat werd geïntroduceerd. Kerkbouw werd vrijgelaten, maar bleef verbonden aan regionale ontwikkelingen. In nieuwe wijken kregen kerken vaak een centrale plaats. ,,In de periode tussen 1800 en 1970 zijn ongeveer zesduizend kerken gebouwd. Die waren allemaal nodig, omdat de bevolking groeide en omdat Nederland een religieus land bleef. Maar in de jaren zestig van de twintigste eeuw begon de ontkerkelijking. Sindsdien zijn steeds meer van die kerken leeg komen te staan.”

,,De middeleeuwse kerk werd dan vaak bewaard, en de kerken uit de negentiende en de twintigste eeuw zijn gesloopt. Dat is wel te begrijpen, omdat de middeleeuwse kerken meer historische en culturele waarde hebben, maar zo zijn toch heel mooie en bijzondere kerkgebouwen verdwenen. Zoals in Jirnsum, waar een heel gaaf negentiende-eeuws kerkje is verbouwd tot woonhuis. Prachtige interieurkenmerken zijn daar verloren gegaan. Dat vind ik heel jammer.”

Waarderingsmethodiek

In zijn onderzoek heeft Wesselink een waarderingsmethodiek ontwikkeld. Door kritisch te kijken naar interieur en exterieur van de kerk, kan daarmee worden bepaald of een kerk grote cultuurhistorische waarde heeft of niet. ,,Ik onderscheid vier groepen. In groep D vallen kerken die geen bijzondere kenmerken hebben. Die mag je van mij wel slopen als ze niet meer als kerk gebruikt worden. In de groepen B en C vallen kerken die wel bijzondere kenmerken hebben, dus die je moet proberen te behouden, bijvoorbeeld door herbestemming als dorpshuis. En in groep A valt de topcategorie. Dat zijn bijzondere kerken met een waardevol interieur.

Die moeten eigenlijk bewaard blijven voor de eredienst. Die mogen als het aan mij ligt zeker niet gesloopt worden. Dat is natuurlijk niet in honderd procent van de gevallen te realiseren, maar we moeten wel voorkomen dat nog meer belangrijk erfgoed zomaar verdwijnt.”