Yke Reinders Boarnstra’s visie op uit Friesland vertrekkende dominees

Jan Dirk Wassenaar

Het was afgelopen week 75 jaar geleden dat de Friese dichter Yke Reinders Boarnstra (1907-1943) overleed. Dr. Jan Dirk Wassenaar staat stil bij zijn betekenis aan de hand van zijn eigen vertrek uit Friesland.

Het werk van Yke Reinders Boarnstra is niet erg bekend. In de domineeswereld komt echter nog wel eens een copla van zijn hand ter sprake. Deze: Party dûmny’s mienden it Fryslân: ‘Trijeris wé oer de healen en laksen!’ Mar do kaem de dei fen in ‘better’ birop, Do bikearden hja alsaljeaf Saksen.

Dr. Bernard Smilde stuurde mij deze pennenvrucht in december 2003 toe. Ik was toen predikant van de Hervormde Gemeente Workum en de Samen op Weg-gemeente It Heidenskip en had het beroep van de Protestantse Gemeente (in wording) te Hellendoorn aangenomen. Voor hem was dat een verrassing, want dat ik ooit uit Friesland zou vertrekken, daar had hij blijkbaar niet op gerekend. Yke Reinders Boarnstra bleek het in zijn tijd ook moeilijk te vinden om mensen te zien gaan uit It Heitelân. In de dichtvorm die hij koos, kon hij aan dat ‘ongenoegen’ een stem geven.

Copla

Een copla is een uit de Spaanse volkspoëzie afkomstige versvorm, meestal van vier regels van elk acht lettergrepen. In het Nederlandse taalgebied werd de copla vooral bekend door de Groninger Hendrik de Vries, die ze in de jaren twintig en dertig verzamelde en vertaalde. Later schreef hij ze ook zelf.

De inhoud van de copla is vaak ‘ondeugend’. De copla’s van Boarnstra zijn evenwel eerder door bitterheid bepaald. Een recensent schreef: ‘Hierin doet een teleurgesteld, maar desondanks trouw-gebleven man zijn wekroep horen, maar het is jammer dat hij zichzelf overschreeuwt en zijn toon ‘te dik’ is.’

Deze karakterisering past mijns inziens beter bij de copla’s van Boarnstra dan de opmerking van een andere scribent dat daarin sprake zou zijn van een bijzondere combinatie van het puntig-verstandelijke en het week-gevoelige van deze dichtkunst, die aansluiting vond bij Boarnstra’s door weemoedige wijsheid, aforistische beknoptheid en scherpte in het typeren van karakters gekenmerkte geest.

Levensloop

Hoe daarover ook geoordeeld moge worden, bitterheid spreekt onmiskenbaar uit de copla die Smilde mij toestuurde. Om de bitterheid van Boarnstra te kunnen begrijpen, moet je iets over zijn levensloop weten. Hij werd als Yke Reinders Boonstra geboren in Nijega bij Drachten. Hij was heel jong toen zijn vader overleed. Daarna vertrok zijn moeder met hem naar Suwâld, waar zijn grootvader woonde. Later kreeg Yke een nieuw ouderlijk huis in Zuidwolde in de provincie Groningen.

In de stad Groningen bezocht hij de Kweekschool met de Bijbel. In 1927 haalde hij de onderwijzersakte. Daarna studeerde hij Duits, waarin hij ook enkele akten verwierf. Vanaf 1931 stond hij in Groningen, Hoogezand en weer Groningen voor de klas. Tenminste, als zijn gezondheid dat toeliet. Hij was niet sterk: hij leed aan een longkwaal.

D.A. Tamminga laat weten dat het besef van het Fries-eigene bij Yke Boarnstra al vroeg opgekomen is: door de lectuur van de Fryske Rubryk in het Friesch Dagblad, door de studie van de moderne talen en door de omgang met zijn halfbroers. Ook de heimwee naar ‘it heitelân’ zal een rol gespeeld hebben. Hoe dat ook zij: Boarnstra raakte betrokken bij de strijd van de Friese Beweging.

Dat betekent niet dat hij zich daar geheel aan uitleverde. Uiteindelijk ging het hem om het Koninkrijk van God. Zijn laatste houvast was altijd een kinderlijk-vroom, naar het mystieke zwemend openbaringsgeloof.

Felle strijder

Terug naar de copla van Boarnstra over de predikanten die Friesland voor een beter beroep verlieten. Boarnstra’s bitterheid daarover is te illustreren met wat hij terloops in een lezing over de lyriek van Fedde Schurer zegt. In de bijdrage kwalificeert hij Schurer als ‘een felle strijder voor Friesland’. Zijn liefde tot ‘it heitelân’ is onverdacht.

Daar voegt hij het volgende aan toe: ‘Om Fries te worden, had hij de ballingschap niet nodig, zoals die honderden andere Friezen wél, die op een dag, op een dag, zeg ik, net als de Joden naar Babel of eigenlijk naar alle hoeken van de aarde verdreven moesten worden, en weet wat ze verloren hadden en zie hun eigen blindheid. Dan zouden ze zeggen: ,,Laat ons in Friesland sterven” en dan, niet eerder zouden ze het een keer waardig zijn.’

Positie

Dat het om een terloopse passage gaat, wordt uit het vervolg duidelijk: ‘Maar ik dwaal af. Schurers liefde tot Friesland is in den vreemde zeker geactiveerd, toch is Friesland (…) niet alfa en omega van zijn liefde.’ In dat verband spreekt Boarnstra over ‘de kosmopoliet in hem’. De spreker besluit zijn bijdrage als volgt: ‘Toen Schurer onlangs Friesland verliet om elders te gaan wonen, hebben heel wat Friezen gedacht dat we weer eens een dichter verloren hadden, verloren aan Holland, verloren aan wat men eufemistisch politiek noemt. Maar wij zijn beschaamd. De dichter zegt zelf: ‘Hier ben ik weer, de lang verloren zoon.’ Wij hopen dat hij nog lange jaren vóór Friesland en zo mogelijk ook in Friesland mag leven.’

Uit de geciteerde passage uit de lezing over de lyriek van Schurer is op te maken dat Boarnstra het vertrek uit Friesland om een betere positie hekelde, maar niet specifiek het vertrek naar het Saksenland veroordeelde. Schurer was immers naar Holland vertrokken.

Als ik kijk naar mijn eigen geschiedenis – en hoe ik destijds Friesland verliet voor Hellendoorn – dan doet het mij beseffen hoe nauw mijn band met Friesland nog altijd is. Een band die sterker is dan een provinciegrens. In taal én in gevoel. In die zin had Yke Reinders Boarnstra gelijk: het is een liefde die je niet kunt wegstoppen.

Dr. Jan Dirk Wassenaar is predikant van de Protestantse Gemeente te Hellendoorn. Hij is sinds kort scriba van de nieuwe classis Overijssel-Flevoland.