Stephen Hawking, de oerknal en God

Opinie
Clemens van Brunschot

Vorige maand overleed Stephen Hawking, de kosmoloog die zo beperkt was in zijn lichaam, maar bepaald niet in zijn geest. Zijn verklaringen over het ontstaan van de ruimtetijd zijn vaak onwaarschijnlijker dan het geloof in een Schepper.

Hawking leidde het bestaan van ons universum terug tot een big bang, ruim13,7 miljard jaar geleden. Dit zette hij uiteen in zijn boek Grand Design, waar ook een documentaire over verscheen, dat veel stof deed opwaaien onder gelovigen. In die ‘oerknal’ zou uit een oneindig dicht punt niet alleen de materie ontstaan zijn, maar ook ruimte, tijd en onze natuurwetten.

In het boek zegt hij dat het geen zin heeft om je af te vragen wat er daarvóór was, want er is geen daarvóór, dus ook geen Schepper. Hawking wil laten zien dat er betere verklaringen zijn voor het ontstaan van ons universum dan een Schepper.

Maar zo’n verklaring geeft hij niet.

Theoretisch model

Wat hij wel geeft is een theoretisch model, met een beschrijving van wat er gebeurd kan zijn. Maar zoals vaak met wetenschappers verliest hij de beperkingen van wetenschappelijke kennis uit het oog. Met zijn model wordt omtrent de schepping niets werkelijk verklaard, alleen hypothetisch beschreven. In de wetenschap probeert men theorieën sterker te maken door na te gaan of de voorspellingen die eruit afgeleid worden overeenstemmen met de werkelijkheid.

Maar het blijven theorieën. En die verklaren misschien wel hedendaagse verschijnselen, maar niet het begin der dingen.

Kritiekloos omarmt Hawking de snaar- en M-theorieën, die maar liefst tien dimensies nodig hebben om natuurkrachten met elkaar te verenigen, dus ver boven de vier van onze vertrouwde ‘ruimtetijd’. Maar het komt niet in hem op dat juist God wellicht in andere dimensies verblijft dan de onze, dat Hij wellicht de baas is over alle dimensies.

Donkere materie

Hawking vermeldt niet dat de kosmologie worstelt met het fenomeen dat het universum voor zijn eigen theorie veel te weinig materie vertoont en dat de uitdijing van (de grens van) het heelal een versnelling lijkt te vertonen. Zogeheten ‘donkere materie’ moet de oplossing voor beide problemen zijn, maar het bestaan daarvan blijft al heel lang niet meer dan een hypothese.

Kosmologen mogen dus speculeren, gelovigen worden meteen ‘irrationeel’ genoemd.

Hij meldt dat onze werkelijkheid zelf een model is, een model dat de hersenen maken op basis van indrukken van onze zintuigen. Zelfs laat hij de mogelijkheid open dat die indrukken en heel onze werkelijkheid gemanipuleerd worden met een supercomputer van een superieure intelligentie, waarmee dus Hawkings wetenschap wellicht een model is van een gesimuleerde werkelijkheid die los van ons niet bestaat. Is het niet minder ver gezocht dat God aan de bron staat van de ontwikkeling van de zintuigen en daarmee van onze zintuiglijke werkelijkheid?

Wereldbeeld

Mij vervullen al deze gedachten met zo veel ontzag voor de grootsheid en complexiteit van onze schepping dat ik alles prima met het bestaan van God kan rijmen.

Alleen al de ruimte waarin wij bewegen is een ondoorgrondelijk iets, bijvoorbeeld als je met Hawking bedenkt dat die een begin in de tijd en een uitdijende begrenzing heeft.

Jezus sprak niet over kosmologische zaken. Het paste niet bij het wereldbeeld van die tijd.

Clemens van Brunschot is auteur en dichter.