Goede bedoelingen leiden tot groot drama

Recensie
Tjerk de Reus

Esther Gerritsen schreef een opmerkelijke roman, vol religie en menselijkheid: De trooster. Meeslepend schetst zij een religieuze binnenwereld.

De ‘trooster’ is de Heilige Geest volgens het Nieuwe Testament, maar idealiter geldt die benaming natuurlijk ook voor mensen. De ene persoon kan voor de ander een trooster’ zijn.

Maar dit kan ook dubieus zijn, zo blijkt in de nieuwe roman van Esther Gerritsen, De trooster. Ben jij, als je zo graag wilt troosten, niet tegelijk bezig jezelf te troosten? Bijvoorbeeld met het idee dat je toch wel erg menslievend bent? De roman van Gerritsen is niet helemaal aan dit inzicht opgehangen, maar het raakt wel de strekking van het hier vertelde verhaal. Dat is overigens veelkleurig en subtiel, qua emoties en verhoudingen, maar toch laat het zich gemakkelijk lezen. De verteller in deze roman is de conciërge van een klooster annex retraitecentrum: Jacob, een man van een jaar of zestig. Hij is een eenling, gaat eenzelvig te werk in klusjes en hand-en-spandiensten. Zij ene gezichtshelft is ‘scheef’, wat zijn anders- zijn accentueert. In de loop van het verhaal zal hij een poging doen om zich te ontpoppen als een ware trooster. Maar al heel vroeg in het verhaal wordt duidelijk dat hijzelf ook ontvanger van troost is – en op dat moment snap je als lezer meteen dat troost ook heel neerbuigend kan zijn, dus juist níét troostvol: ,,De mensen glimlachen naar me als naar iemand die troost nodig heeft.

Zo herinneren ze me steeds weer aan mijn gezicht met hun spiegel van medelijden.”

Thema’s

Esther Gerritsen (1972) publiceert sinds zo’n twintig jaar romans, verhalen en toneel. In 2016 verscheen haar CPNB-boekenweekgeschenk Broer. Het nu verschenen De trooster is niet de eerste roman waarin Gerritsen over geloofsthema’s schrijft. In De kleine miezerige god (2008) reikte Dominique naar een voor haar nieuw geloofsvertrouwen: zij voelde zich aangesproken door Amerikaanse gospelbands. In De trooster is dat verre Amerika stiekem ook aanwezig: via de zanger die bekendstaat als the man in black: Johnny Cash (1932-2003). De genoemde Jacob laat op een goede dag een bezoeker binnen die in retraite wil. Ze raken meteen in gesprek, terwijl Jacob zich daar doorgaans niet aan waagt. En dan begint de bezoeker opeens over Cash, die, zoals hij vertelt, ooit een boek over de apostel Paulus heeft geschreven (dat overigens in 2008 in een Nederlandse vertaling verscheen: De man in het wit). Deze bezoeker, Henry Loman, zal het toegewijde en gelijkmatige leventje van Jacob behoorlijk in beroering brengen. Opmerkelijk, want zij verschillen sterk, als persoon en wat betreft maatschappelijke positie. Jacob speelt een onaanzienlijke rol in het klooster en is diepgelovig. Henry Loman was staatssecretaris, werd ontslagen na schandalen en heeft vier kinderen bij drie vrouwen.

Hoe het verhaal zich ontwikkelt, moet elke lezer zelf maar ontdekken.

Verklappen kan ik wel dat het er dramatisch aan toegaat, en dat goede bedoelingen soms helemaal zo goed niet blijken te zijn. Een randfiguur kan uitgroeien tot een engel, mededogen blijkt niet zozeer iets wat je geeft, maar wat je krijgt.

Authentiek

Niettemin wordt in deze roman de geloofsbeleving van Jacob niet gereduceerd tot zelfingenomen motieven of wat dan ook. Jacob beleeft het geloof zeer authentiek. Ook als hij overweldigd wordt door andere belevenissen en in feite zichzelf ontrouw wordt, blijft de geloofswerkelijkheid die door deze roman is verweven helemaal intact. Duidelijk wordt wel dat het goddelijke erbarmen dat deze wereld draagt ver uitgaat boven de keuzes van mensen.

Het verhaal dat Jacob in deze roman vertelt, bevat fijnzinnige waarnemingen. De trooster lijkt even sterk in het tastbaar maken van religie, als in het peilen van de psyche van de mens die met dat geloof onderweg is. Zo leeft Jacob helemaal op als hij merkt dat hij ‘bestaat’ voor Henry Loman, dat die hem serieus neemt, meer dan wie ook. Juist dan is het de veertigdagentijd: een tijd van boete en berouw – maar wat moet de immer ernstige Jacob daar nu dan mee? Hij bedenkt: ,,Hoe kon iemand die net uit zijn schulp was gekropen, voor wie de zon zojuist was gaan schijnen, die wakker werd en zich zo welkom in de wereld wist, hoe kon zo iemand de wereld weer de rug toekeren? Hoe kon ik geloven dat het tijd was voor inkeer? Kan men een beer na zijn winterslaap weer terug zijn hol in sturen?”

Hoe psychologisch je de ontwikkelingen hier ook kunt opvatten, het is zonneklaar dat er in de stroom van het verhaal stevige brokken theologie meedrijven. De toon wordt gezet in het citaat van C.S. Lewis dat Gerritsen als motto koos voor haar roman. Lewis zegt in dat citaat aan zelfonderzoek gedaan te hebben en hij trof in zijn innerlijk ‘ontstellende dingen’ aan: ,,een dierentuin vol begeerten, een gekkenhuis vol ambities, een kleuterschool vol angsten, een harem vol gekoesterde haatgevoelens.” Jacob bedenkt, tegen het einde van de roman: ,,Een mens gaat daaraan onderdoor, of hij vlucht.” Maar bloed aan je deurposten smeren, weet hij, biedt uitkomst. En dat wordt een drama, hoe kan het ook anders.

De trooster. Esther Gerritsen. Uitgeverij De Geus, € 19,99