100 jaar Bond van Nederlandse Predikanten: biblio-obesitas en passie

Lodewijk Born

De Bond van Nederlandse Predikanten (BNP) viert maandag het honderdjarig bestaan in Nijkerk. Ter gelegenheid daarvan verschijnt de bundel Preektijgers, pastores, pioniers.

Honderd jaar BNP; er had gekozen kunnen worden voor een boek over een eeuw geschiedenis. Maar omdat dit bij eerdere jubilea van de Bond van Nederlandse Predikanten al was gedaan, heeft de jubileumbundeleen andere opzet: de verhalen vormen een ‘dwarsdoorsnede en een doordenking van het predikantschap zelf’. Onder redactie van Rein Brouwer, Jasja Nottelman, Sjaak Verwijs en Liuwe H. Westra leidde dat tot veelkleurige portretten onder de titel Preektijgers, pastores, pioniers. Predikantschap in de 21ste eeuw. Pastores uit het veld vertellen in het boek over hun vak en de nieuwste ontwikkelingen daarin, zoals predikant-pioniers en tent making ministers – wat zoveel wil zeggen als werken in de geest van de apostel Paulus.

Het is aan ds. Jan Dirk Wasssenaar, predikant in Hellendoorn, goed besteed om het openingshoofdstuk voor zijn rekening te nemen. Hij diept de historie uit van de bond.

Vakorganisatie

Tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog begon het idee van een eigen vakorganisatie onder predikanten te leven. De slechte salariëring maakte hen daarvoor ontvankelijk.

‘Door de inflatie was het leven veel duurder geworden. Veel predikanten zaten nog met een vooroorlogs traktement, waarvan in de meeste gevallen het leeuwendeel door het rijkstraktement werd gevormd. Veel kleine, arme gemeenten konden met geen mogelijkheid zelf voor een redelijk traktement zorgen’, constateerde de Vereniging van Kerkvoogdijen in 1920.

In 1917 kwam in kerkelijke bladen een oproep te staan tot sympathiebetuiging met betrekking tot het oprichten van een predikantenbond.

Ongeveer tachtig predikanten gaven daar gehoor aan. In het voorjaar van 1918 werd een voorlopig comité gevormd. Dat bepaalde dat een nieuwe predikantenbond zich allereerst moest inzetten voor traktements- en pensioenregelingen en voor de verzorging van weduwen en wezen. Op 3 oktober 1918 werd de eerste algemene vergadering van de Bond van Nederlandse Predikanten gehouden in Utrecht. M.J.A. de Vrijer uit Odijk werd de eerste voorzitter en D. Boer uit Grooteboek secretaris. Binnen twee jaar hadden zich al meer dan twaalfhonderd predikanten aangesloten.

Regeling

De bond boekte resultaat. Op 15 januari 1921 trad een nieuwe regeling in werking. De gemeenten werden verplicht tot een aanvangstraktement van 2500, 3000 of 3500 gulden. De pensioenkwestie was in 1926 geregeld.

Wassenaar besteedt veel aandacht aan de rol van de hervormde theoloog Oepke Noordmans die in april 1921 in het hoofdbestuur werd gekozen. Noordmans meende dat de geïsoleerde, ambtelijke positie van de predikant op den duur niet houdbaar was. Hij stelde dat maatschappelijke, zedelijke en politieke oriëntatie óók belangrijk was voor dominees.

‘Hij wil dat de predikant als een mens, en niet als een functionaris werkt’, aldus Wassenaar.

Tweede loopbaan

Een belangrijke hedendaagse ontwikkeling is dat een fulltime predikantspost steeds vaker onbetaalbaar wordt voor gemeenten.

Predikanten moeten dus soms kiezen voor een tweede loopbaan. Jan Scheele-Goedhart (1982) bijvoorbeeld werkt bij onderzoeks- en adviesbureau RIGO in Amsterdam en is daarnaast predikant in Zeist, via de mobiliteitspool van de Protestantse Kerk in Nederland. ‘Twee banen betekent druk van twee kanten, en voortdurend schakelen tussen twee aandachtsvelden’, vertelt hij.

Het blijkt nog niet zo gemakkelijk om het evangelie van Jezus ook buiten de context van de kerk geloofwaardig te laten klinken, zoals op zijn kantoor bij RIGO. ‘Met de meeste collega’s ben ik na twaalf jaar behoorlijk vertrouwd geworden, en nog steeds merk ik dat het mij niet lukt om daar iets van het evangelie te laten horen. In de kerk is, of lijkt, dat gemakkelijker, in de veiligheid van de vormen en gebruiken die iedereen kent en die als vanzelf betekenis geven aan de woorden, of zelfs aan hét Woord.’

Onderwerpen

Uit het overzicht van de Predikantendagen – die sinds 1992 worden gehouden – blijkt dat veel verschillende onderwerpen worden behandeld. Een greep: Communicatie in de verkondiging (1984), Economie en ecologie/geloof, zingeving, maakbare samenleving (1999), Het imago van de kerk (2009) en Predikanten tussen bevlogenheid en burn-out (2015).

Frans Willem Verbaas schrijft beeldend over wat je ziet in menige pastorie: goedgevulde boekenkasten.

Hij kon het zelf ook niet laten om – mede dankzij de goede regeling dat je boeken belastingtechnisch kon aftrekken – flink te kopen.

Bij ‘pastorie nummer 4’ had hij er veel te veel. ‘Ik concludeerde dat ik aan biblio-obesitas leed. Ik moest afvallen. Een klasgenoot van mijn oudste zoon, een student theologie, liet ik kiezen wat van zijn gading was.’

Kunst van het bewaren

Er ging nog een rits boeken naar collega’s, naar een antiquariaat en liefst 1500 overbodig verklaarde boeken naar kringloopwinkels en rommelmarkten, of rechtstreeks naar de papiercontainer. ‘Sic transit gloria theologiae’.

Zo’n predikantenstudeerkamer vol boeken, waarvan minstens de helft nooit gelezen is of zelfs maar geraadpleegd, is volgens Verbaas ‘een icoon van de protestants-christelijke geloofstraditie, die zich kenmerkt door een eeuwenoude rijkdom van theologische stromingen, ontwikkelingen en opvattingen.’

Jonge predikanten zijn steeds minder geneigd tot het volstouwen van hun boekenkast. ‘Woordenboeken, concordanties, naslagwerken, commentaren, preekhulpen, theologische bestsellers: tegenwoordig is vrijwel alles via internet te raadplegen.’

Verbaas denkt dat het niet tegen te houden is. Hij heeft wel een ludiek alternatief. ‘Ik adviseer jonge predikanten die het vooral van hun computer of e-reader moeten hebben om portretten van hun theologische helden in hun studeerkamer op te hangen. Of als screensaver te installeren. Als oefening in de kunst van het bewaren.’

Fulltime

Hoe kijkt de nieuwe generatie aan tegen het ambt? Zet een groep jonge predikanten om een tafel en je krijgt een prachtig gesprek met onthullende antwoorden. Zoals van Douwe de Roest (1991), die zich in 2018 beroepbaar hoopt te stellen als predikant. ‘Ik vind het bijzonder en mooi om predikant te worden.

Mensen vragen wel: ‘Is dat een fulltime baan?’ Het blijkt kennelijk een hardnekkig beeld dat een dominee alleen op zondag werkt. Een andere vraag die hij vaak hoort: hoe kan zo’n leuke, vlotte jongen dominee willen worden? ‘Veel mensen zijn overigens wel heel benieuwd en positief als ik over dit werk vertel.’

Zijnsberoep

Gerard van Zanden, sinds 2017 fulltime predikant in de Gereformeerde Kerk op Urk, vertelt dat predikant voor hem echt een ‘zijnsberoep’ is – dus niet iets wat je alleen in werktijd doet. ‘Ik bén het gewoon, altijd. En daarin ben ik ook mezelf.’

Hij vertelt hoe je als predikant veerkrachtig moet zijn. ‘Ik heb verschillende beginnende predikanten gezien die binnen een paar maanden sneuvelden. Een van de dingen die mij staande houden, is het contact met collega’s. Het is belangrijk dat je dingen kunt delen met mensen die snappen waar je mee bezig bent.’

Evelien Plaisier (1990), predikante in Uitgeest en Akersloot, houdt kerkgangers en predikanten een mooie spiegel voor: ‘Het is eigenlijk gek dat de kerk vol moet, omdat hij leeg is. Dat is de verleiding van de grote getallen. Als het echt om de mensen gaat, dan moeten we nadenken over wie dan en hoe, en niet gaan voor evenementen en succes.’

Preektijgers, pastores, pioniers. Predikantschap in de 21ste eeuw. Onder redactie van Rein Brouwer, Jasja Nottelman, Sjaak Verwijs en Liuwe H. Westra. Boekencentrum, € 15,99