Paus Franciscus: Vijf jaar trekken aan een taaie klus

Dichter bij de mensen
Frans Wijnands

,,Maar wilde je eigenlijk wel paus worden?”, vroeg een meisje aan Franciscus tijdens een audiëntie voor een paar duizend leerlingen van Jezuïetenscholen in de zomer van 2013. ,,Nee”, luidde het antwoord. ,,Ik wil ook niet in het pauselijk paleis wonen. Gewoon, omdat ik me beter voel tussen de mensen. Zo ben ik nou eenmaal.” Tegenzin of niet, de eerste vijf jaar van Franciscus zijn niet ongemerkt voorbij gegaan.

Franciscus, vijf jaar paus. Een mijlpaal, een moment om de stand van zaken op te maken.

De mediapriester Antoine Bodar had zijn oordeel al kort na het aantreden van Franciscus geveld: ‘Wat paus Franciscus goed doet, heeft hij niet zelf bedacht.

En wat hij zelf bedenkt, is niet goed. Lomp, volksmenner en ongezond begaan met de armen.’

Maar was de heilige Franciscus dat ook niet: ongezouten, op de bres voor de armen, de natuur, het milieu?

Indringende vragen

Wat behoudend rooms-katholieken (enigszins) geruststelt is dat Franciscus geen drammerige nieuwlichter is gebleken. Hij morrelt niet aan de leer, maar stelt er indringende vragen over. Hij nodigt kardinalen en parochianen uit om na te denken en dat is iets wat ze in de Rooms-Katholieke Kerk niet gewend zijn. Eeuwenlang werd er voor de eenvoudige gelovigen gedacht en kregen ze te horen wat ze moesten doen en laten. Daar heeft deze paus verandering in gebracht. De Vlaamse internetpastor Nikolaas Sintobin – net als de paus een Jezuïet – verwoordt het aldus: ‘Een Jezuïet zal nooit zeggen: dit moet je zien, dit moet je voelen, dit moet je denken.

Maar onze orde is kritisch en we hebben geleerd om tegen de haren in te strijken.’

De afgelopen vijf jaar heeft de paus een paar rode draden door zijn pontificaat getrokken. De belangrijkste is zijn aanhoudende oproep voor meer naastenliefde en daarmee verbonden de zorg voor vluchtelingen die hij ‘onze broeders en zusters’ noemt. Je bekommeren om mensen die uitgebuit worden, om kinderen die slavenarbeid moeten verrichten.

Liefde

De Weense theoloog Paul Zulehner zei in een interview in deze krant (mei 2014) dat het de liefde is die telt. ‘Christenen moeten zó leven dat alle mensen zien wat Gods doel met de mensheid en de schepping is: liefde.’ Of om de paus over datzelfde te citeren: ‘Gebrek aan liefde maakt ons inhumaan. Politiek zonder liefde voor de naaste en het algemeen welzijn eindigt in pure machtswellust.

Alleen de liefde kan ons redden.’

Van meet af aan heeft paus Franciscus gezegd dat hij de kerk dichter bij de mensen wil brengen. Hij streeft naar een arme kerk, een kerk voor de armen. Vanuit die instelling is het logisch dat hij egoïsme, geldbejag en carrièrezucht veroordeelt, zeker binnen de kerk. Telkens weer herinnert hij kardinalen, bisschoppen en priesters eraan dat ze ‘naar de kudde moeten ruiken’; niet bóven het kerkvolk moeten staan maar ertussenin.

Verstarring

In een paar kersttoespraken kapittelde hij de leden van de Curie op ongekend harde wijze. Hij sprak van spirituele alzheimer en mentale verstarring. Geen uitspraken om vrienden te maken.

Hij schoof invloedrijke kardinalen aan de kant en zei weinig begrip te hebben voor ‘ideologen voor wie het kerkelijk recht belangrijker is dan het Evangelie’. Eén zin typeert zijn pontificaat tot nu toe: ‘Wie ben ik om te oordelen?’ Want naast de liefde hamert de paus op het grote belang van barmhartigheid, vergevingsgezindheid wat niet in strijd hoeft te zijn met het streven naar gerechtigheid.

Meteen na zijn keuze kondigde hij aan de bestuurscultuur van de kerk, de logge bureaucratie en het gebrek aan onderlinge communicatie in het Vaticaan te zullen aanpakken. Veranderingen, reorganisatie werden de woorden die onheilspellend tot in de kleinste achterkamertjes van het Vaticaan rondzongen. Hij benoemde negen kardinalen uit alle werelddelen in een adviesraad, de K9, liet de Vaticaanse bank hervormen en stelde nieuwe secretariaten in, onder meer voor wetenschap en communicatie, voor de economie, maar ook voor de leken, de familie en het leven. Over dat thema riep hij een bijzondere synode bijeen waarvan de slotconclusies niet voor iedereen even duidelijk zijn en dus voor verwarring zorgen.

‘Maar het Vaticaanse bestuursapparaat afstoffen is zoiets als een Egyptische sfinx met een tandenborstel schoonmaken’, gaf hij toe.

Kans op mislukking

Het is een aartsmoeilijke klus. Met daarmee de kans op mislukking. Het is werk van lange adem. En de paus is de tachtig al gepasseerd. Zelf heeft hij gezegd dat hij denkt dat zijn pontificaat kort zal zijn en dat hij – net als zijn voorganger – zal aftreden als hij zich fysiek en psychisch niet langer in staat acht om de Rooms-Katholieke Kerk te leiden.

Tot nu toe werkt hij aan een kerk zoals hij die het liefste ziet: barmhartiger, meer collegialiteit, grotere bereidheid te discussiëren over zogenaamd onwrikbare standpunten, zoals het celibaat en de communie voor gescheiden en hertrouwde katholieken. Hij weet dat hij die kerk niet in z’n eentje kan vormen.

De Curie en het wereldepiscopaat moeten bereid zijn hem in die visie te volgen. Het zoeken naar gelijkgestemden leverde de afgelopen jaren alvast verrassende kardinaals- en bisschopsbenoemingen op.

Moreel gezag

Paus Franciscus is intussen een man van groot moreel gezag, zowel op het interreligieuze als politieke vlak. Hij hield indrukwekkende redevoeringen voor de VN en de Amerikaanse Senaat.

Zijn ‘groene’ encycliek Laudato si over het milieu is nu al een klassieker.

Louter pluspunten. Maar over zijn pontificaat hangt nog steeds de schaduw van het wereldwijde seksuele kindermisbruik binnen de Rooms-Katholieke Kerk.

Paus Franciscus blijft steken bij goede voornemens want zijn aanpak is te halfhartig, nog niet doortastend genoeg.