Protestantse paradox

Contrapunt
Sytze Faber

Al lang sta ik geregistreerd als orgaandonor. Was en is voor mij vanzelfsprekend. Is het niet een vorm van plichtsverzuim als je met het doneren van je organen en weefsels een medemens kunt redden en die mogelijkheid onbenut laat? Waarom deze privé-ontboezeming? Deze column schrijf ik naar aanleiding van het initiatiefwetsvoorstel van Pia Dijkstra van D66 over orgaandonatie. Een sterk persoonlijk getint onderwerp. Service voor de lezer te weten hoe ik er zelf in sta. Vandaar.

Het probleem is een oude bekende. Jaar in jaar uit sterven ongeveer 150 mensen voortijdig wegens te weinig orgaandonoren. Dat is deels te wijten aan ons systeem. Als men zich niet laat registreren als donor wordt namelijk aangenomen dat men geen orgaandonatie wenst. Nee, tenzij.

In het volle leven staan en intensief bezig zijn met de dood? Dat heeft bij velen iets ongemakkelijks. Van uitstel van donorregistratie komt daardoor vaak afstel. Met donorenschaarste als gevolg.

Het voorstel van D66, waar de Eerste Kamer binnenkort over moet stemmen, draait de zaak om. Als men zich niet als donor laat registreren wordt aangenomen dat men vóór orgaandonatie is. Ja, tenzij. Het ligt voor de hand – cijfers uit het omliggende buitenland illustreren het ook – dat deze aanpak meer donoren zal opleveren. De nabestaanden, zo heeft Dijkstra gisteren bij nader inzien aan de Kamer geschreven, houden overigens een zwaarwegende stem.

Haken en ogen

Er zitten echter nog haken en ogen aan het voorstel. Met name de CDA-fractie stelt de terechte vraag of bij laaggeletterden en mensen met een verstandelijke beperking de portee wel zal binnenkomen. Dat ze in principe als orgaandonor zullen worden aangemerkt als ze zich niet laten registreren.

Zou de donorregistratie ook niet gekoppeld moeten worden aan de uitreiking van een rijbewijs of paspoort? Bij die gelegenheid zou dan tevens een objectieve en begrijpelijke mondelinge uitleg kunnen worden gegeven over de orgaandonatie.

Een veel genoemd bezwaar is ook dat het ‘ja, tenzij’ een aanslag is op het individuele zelfbeschikkingsrecht. Als dat geopperd wordt in christelijke kringen – dat is vaak het geval – lijkt er sprake te zijn van een paradox. Enerzijds zelfbeschikking zoveel mogelijk wegduwen bij vraagstukken als euthanasie en voltooid leven, anderzijds van zelfbeschikking een dogma maken bij orgaandonatie?

Houding

Het is dunkt me vooral een protestantse kwestie. In het overwegend katholieke Spanje is orgaandonatie nauwelijks een item. Er zijn daar drie keer zoveel orgaandonoren dan in het vanouds protestantse Nederland. En 85 procent van de nabestaanden in Spanje heeft geen bezwaar tegen donatie, bij ons is dat 34 procent. De positieve houding tegenover orgaandonatie van meerdere pausen speelt daarbij uiteraard een rol.

Ook fractievoorzitter Roel Kuiper van de protestantse ChristenUnie sprak in het debat van afgelopen dinsdag lovende woorden over orgaandonatie. Noemde het een daad van naastenliefde. Desondanks zal zijn fractie unaniem tegen het wetsvoorstel van Dijkstra stemmen. Omdat volgens Kuiper het ‘ja, tenzij’ de zeggenschap over het eigen lichaam niet helemaal intact laat. Hij pleit in plaats daarvan, als zoveelste trouwens, voor een brede maatschappelijke discussie om meer donoren te lokken.

Het protestantisme kent geen pausen. Als de door Kuiper verwoorde sympathie voor orgaandonatie geen lippendienst is, zouden de CU-leidslieden dan, mede gezien de belangrijke rol die nabestaanden blijven houden, niet een duidelijk signaal moeten geven dat het uitermate belangrijk zich op te geven als orgaandonor? Omwille van die 150 medemensen, die dag in dag uit wachten op een transplantatie. Naastenliefde, nietwaar?

Reageren? fabersyma@gmail.com