Duizend pagina’s inventaris openen 120 meter archief Universiteit Kampen

Dick Vos

Een driedelig inventarisoverzicht van het archief van de Theologische Universiteit Kampen werd vrijdag gepresenteerd aan vertegenwoordigers van de universiteit, de stad Kampen en de Protestantse Kerk in Nederland. Archivaris Albert Mensema werkte er bijna zeven jaar aan.

Niet voor niets werd er in Kampen een uitgebreide studiemiddag gekoppeld aan het gereedkomen van de Inventaris van de Archieven van de Theologische Universiteit Kampen 1854-2006 samengesteld door A.J. Mensema. Dit overzicht van de inhoud van het archief van de voormalige Theologische School van de Gereformeerde Kerken ontsluit niet alleen het archief van de universiteit zelf, maar geeft ook zicht op de geschiedenis van vooral de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN). De inventaris beslaat de periode vanaf de oprichting van de school tot het vertrek van Kampen naar Amsterdam, toen de universiteit inmiddels opgegaan was in de Protestantse Theologische Universiteit.

Monnikenwerk

Uitgebreide aandacht was er deze middag voor het beheer en de ontsluiting van kerkelijke en theologische (faculteits)archieven, waarbij specialisten uit heel Nederland aan het woord kwamen. Zo vertelde dr. Jacob van Sluis iets over de wijze waarop Tresoar in Leeuwarden met archieven omgaat.

Aan het einde van de middag werd de complete inventaris aangeboden aan Mechteld Jansen, rector van de PThU, Bort Koelewijn, de burgemeester van Kampen, en Sjaak van ’t Kruis namens de Protestantse Kerk in Nederland.

Het was werkelijk monnikenwerk, blijkt uit de verhalen van Albert Mensema (72). In 2007 had hij afscheid genomen als archivaris bij het Historisch Centrum Overijssel te Zwolle, maar voor dit klusje bleek hij na zijn pensioen nog wel te porren. ,,Dat houdt je van de straat en uit het café.” Dat het niet in een paar dagen gereed zou zijn, dat wist hij van tevoren. Maar bijna zeven jaar gemiddeld zo’n drie dagen per week, had hij toch niet helemaal voorzien. Het resultaat is een inventaris van 1043 pagina’s, verdeeld over drie banden.

Het gaat dan ook over 120 meter papier, legt Mensema uit, dat nu keurig opgeborgen is in zuurvrije dozen en dat straks bij het Stadsarchief Kampen te raadplegen zal zijn. ,,Het kan nu zeker weer honderd jaar mee.” De inventaris komt ook online, zodat mensen thuis kunnen uitzoeken waarvoor ze wel of niet naar Kampen hoeven af te reizen.

Contemplatief

De archieven lagen op zolder in de gebouwen van de universiteit aan de Oudestraat en aan de Koornmarkt, vertelt Mensema. ,,Soms lagen stukken die bij elkaar horen bij elkaar, maar soms ook helemaal niet. Het begon met tachtig meter, maar toen de universiteit naar Amsterdam ging verhuizen, kwamen er kasten leeg en bureauladen, en dan kwam er weer zo’n bananendoos met ordners. ‘We hebben nog wat voor je’, was het dan.” Heel contemplatief zat hij er, naar eigen zeggen, de eerste tijd aan te werken op een zolderkamer van de universiteit. ,,Met één raampje waardoor je alleen de hemel kon zien – en dat was alles.” Na de verhuizing kon hij zijn werk vervolgen ten kantore van het Stadsarchief in Kampen. ,,Dat was toch wat aardiger, zo tussen een aantal jongere collega’s.”

Van alles kwam Mensema tegen op zijn speurtocht door de papieren. Ertussen zaten bijvoorbeeld ook archieven van studentenverenigingen die in een bepaalde tijd heel bewust kringlooppapier gebruikten. ,,Inderdaad is dat zeer goed voor het milieu, maar over honderd jaar is daar niets van over. Een gedeelte van het archief vernietigt zichzelf dus.” De studenten maakten de klus ook op andere manieren soms lastig. ,,Dan stond er boven een brief ‘vrijdagmorgen’. Tja… maar welke datum en welk jaar? En dan stond eronder: ‘Piet’.” Nee, zelfs dat soort kattebelletjes ging niet weg. ,,Dan keek ik of ik er met behulp van andere paperassen toch nog een datum aan kon plakken en of ik erachter kon komen wie Piet was. Nee, dat was geen reden om te zeggen: dat mag niet meedoen. Maar dat kostte soms wel de nodige tijd, en dan dacht ik weleens: die dekselse jongelui!”

Hij had een bijzonder kerkhistorisch en theologisch archief onder handen, weet Mensema. ,,Je komt van alles tegen, vanaf het begin van de School der Kerk. Maar ook de originele Acte van Afscheiding uit 1834 zit in dit archief. En allerlei stukken over de Vrijmaking natuurlijk. Dat lag daar gewoon op zolder – ik denk dat ze zelf niet wisten wat ze allemaal hadden.”

Egodocumentjes

Via zijn werk kreeg Mensema een bijzonder kijkje in de geschiedenis van de universiteit. ,,Als je in de negentiende eeuw naar Kampen wilde, dan moest je eerst een opstel schrijven over je beweegredenen om dominee te willen worden. Dat zijn prachtige egodocumentjes. En stel dat je overgrootvader gereformeerd dominee was en je kunt zoiets nu terugvinden. Prachtig om te lezen wat er omging in die mensen en hoe ze toen dachten. Naast verslagen van hoogleraren die vergaderden over de vorderingen van de studenten en curatoren die zich afvroegen hoe ze aan geld konden komen, kom je dus ook hele persoonlijke dingen tegen.”

In de oorlogsjaren kwam alles zo’n beetje tot stilstand, bleek Mensema. ,,Er werden uiteindelijk ook geen colleges meer gegeven.” Het had ook niet veel gescheeld of alle studenten waren in die periode met professor Schilder meegegaan met de Vrijmaking. ,,In 1943 waren er nog 135 studenten, in 1945 nog maar 50. De Vrijmaking was een behoorlijke aderlating.” Maar het kan verkeren, want in de jaren tachtig had de universiteit 430 studenten, weet Mensema. ,,En kom daar nu nog eens om bij theologie.” De universiteit zag in diezelfde tijd ook in dat studenten niet bij boeken alleen konden leven. Ze probeerde voor elkaar te krijgen dat er in de stad een bioscoop kwam.

Ook Wiljan Puttenstein, bibliothecaris en archivaris van de universiteit, onderstreept het belang van de inventaris. Voor genealogisch onderzoek is er nogal eens vraag naar, weet hij, vooral als het gaat om de negentiende eeuw. Maar hij herinnert zich bijvoorbeeld ook onderzoek naar de betekenis van kerk en universiteit voor Duitse en Hongaarse studenten.