Discussie over voltooid leven stelt de kerk voor een taak

Dick Vos

De gedachte dat de mens autonoom is, is kenmerkend voor deze tijd maar laat de mens in wezen aan haar lot over. De kerk zou het als haar taak kunnen zien iets te zeggen over ‘de zin van het sterven’, stelde prof. Maarten Verkerk op een bijeenkomst van het Fries Godgeleerd Gezelschap.

In oktober 1838 kwam het Fries Godgeleerd Gezelschap (FGG) voor het eerst bij elkaar en de bijeenkomst op vrijdag 6 oktober was precies de 1500e keer, benadrukte voorzitter Cees Glashouwer in zijn openingswoord. Zo’n vijftig mensen waren aanwezig bij de openbare studiedag van het FGG in de Doopsgezinde kerk in Leeuwarden. Thema was ‘Voltooid leven’.

Hoofdspreker was filosoof professor Maarten Verkerk, eerder lid van de commissie-Schnabel. Deze commissie gaf de regering begin 2016 unaniem het advies om de wettelijke mogelijkheden voor hulp bij zelfdoding niet te verruimen. De geldende regels voor euthanasie voldoen, stelde de commissie en aan het bieden van meer mogelijkheden zijn te veel risico’s verbonden – het gaat hier om leven en dood.

Verkerk is bijzonder hoogleraar Christelijke filosofie aan de Technische Universiteit Eindhoven en aan de Universiteit van Maastricht, en is actief lidmaat van de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt in zijn woonplaats. Hij koos er bewust voor om geen expliciet christelijke argumenten in te brengen in het debat binnen de commissie, omdat die gemakkelijk het gesprek zouden kunnen doen stokken en die voor niet-christenen geen overtuigingskracht hebben.

Risico’s

Het advies van de commissie-Schnabel was een antwoord op de vraag of de overheid hulp bij zelfdoding zou moeten faciliteren, niet alleen in gevallen dat er sprake is van ‘ondraaglijk en uitzichtloos lijden’ zoals al geregeld is in de wet, maar ook als iemand om andere redenen zijn of haar leven ‘voltooid’ acht.

Als de overheid dat zou gaan doen, zouden de gevolgen amper te overzien zijn, legde Verkerk het oordeel van de commissie gisteren nog eens uit. Hulp bij zelfdoding zou dan een geaccepteerd fenomeen worden dat daarmee automatisch buiten de ethische discussie zou komen te staan – terwijl het hier toch om een onomkeerbaar gebeuren gaat van leven en dood. En hoe zou de overheid nog overtuigend vorm kunnen geven aan suïcidepreventie als tegelijkertijd het signaal afgegeven wordt: als je dood wilt, dan helpen we je? De idee zou kunnen postvatten dat mensen die niet (meer) productief zijn eigenlijk overbodig zijn; zij zouden er net zo goed niet meer kunnen zijn. En als er negatief over ze gedacht wordt, zou dat effect kunnen hebben op hun zelfbeeld. En ten slotte, als hulp bij zelfdoding een geaccepteerd fenomeen zou zijn, zou dat kunnen uitgroeien tot iets waartoe mensen overgehaald kunnen worden.

In de praktijk verschillen situaties waarop het etiket ‘voltooid leven’ wordt geplakt. Het varieert van existentiële eenzaamheid, het gevoel er niet meer toe te doen en het onvermogen tot zelfexpressie, tot moe van het leven en vrees voor afhankelijkheid. Volgens Els van Wijngaarden, die er promotieonderzoek naar deed, kan de essentie van het lijden bij voltooid leven omschreven worden als ‘een onvermogen en onwil om nog langer verbinding te maken met het leven’.

,,Achter ‘voltooid leven’ gaat een ernstige persoonlijke en maatschappelijke problematiek schuil”, vat Verkerk samen. ,,Het gaat om existentiële problemen die niet echt ‘oplosbaar’ zijn, maar waar we wel mee om moeten gaan. Zingeving is in het geding en voor de kerk is het de uitdaging dát op de agenda te zetten. Stel je voor dat je zélf moet bepalen wanneer je leven zinvol is, terwijl je daarvoor helemaal geen kader hebt.”

De zin van het sterven

Het probleem dat erachter ligt, is het postmoderne idee dat het individu centraal staat, aldus Verkerk. Eerder, zowel in het humanisme als in het christendom, was de mens vooral mede-mens. Tegenwoordig behoort de mens autonoom te zijn en bepaalt ieder individu dus zélf wat moreel aanvaardbaar is – niemand zou daar iets mee te maken hebben. ,,Er is geen universele, gemeenschappelijke ethiek meer. Dat leidt tot grote spanningen in de samenleving.”

Verkerk vindt het opmerkelijk dat die autonomie amper ter discussie gesteld wordt en dat het gesprek over voltooid leven amper verbonden wordt met God en geloof. ,,De zin van het sterven komt nauwelijks aan bod. Ook dat is echt een uitdaging voor de kerken. Het is gek dat het einde niet gezien wordt als zinvol stuk van het leven. De moderne tijd dwingt ons om het leven te zien als iets waar je uit moet halen wat erin zit, voor het sterven geldt dat helemaal niet.”

Tijdens de plenaire discussie aan het eind haalde Frans Weeda, predikant op Vlieland, Psalm 90 aan. Juist moeite en pijn wordt daarin genoemd als een aspect dat zin en waarde van het leven kan bepalen. Hij zette het af tegen de moderne gedachte dat een onbezorgd leven het summum van geluk is. Verkerk beaamt dit uit eigen ervaring. ,,Het geluk vind je niet in het beklimmen van een berg, maar in ervaringen die voortkomen uit het zien en ervaren van de diepten van het leven.”