Door een knipoog van de Heilige Geest werd het de gemeente Trynwâlden

Lodewijk Born

Veel predikanten maken in de loop van hun ambtswerk van dichtbij kennis met Friesland. Hoe is het om hier predikant te zijn? Voorgangers vertellen over hoe hun levensverhaal een verbinding kreeg met Friesland en de Friezen. Deze keer ds. Wiebke Heeren uit Oentsjerk.

Als ik het erf van Wiebke Heeren (56) op stap, ben ik iets te vroeg voor het interview. Maar het lijkt de Duitse – die net op klompen de was ophangt – niet te deren. Misschien is het tekenend voor de PKN-predikante van de Protestantse Gemeente te Trynwâlden. Ze is zichzelf – in werk en privé. Puur. Ja, iemand met een eigen levensverhaal. Net als de vele mensen bij wie ze sinds november vorig jaar, toen ze hier begon, al aanschoof voor een kennismakingsgesprek – dikwijls gewoon aan de keukentafel. ,,Ik voel me hier welkom, ben heel vriendelijk ontvangen”, zegt ze met een Duits accent.

Wiebke Heerens wortels liggen in Noord-Duitsland. Ze werd geboren in een ziekenhuis in Wilhelmshaven, maar is getogen in Lüneburg. Die stad staat van oudsher bekend om haar rijkdom, ooit opgebouwd door de zouthandel. Tegenwoordig is Lüneburg een geliefd uitje van de toeristen die verblijven op de Lüneburger Heide. Vele Nederlandse dienstplichtigen waren in het verleden in deze regio ingekwartierd.

Haar jeugd kleurde haar leven, van jongs af aan. ,,Ik ben een buitenechtelijk kind en groeide daarom op zonder vader. Mijn opa en oma hebben mij opgevoed.” De opvoeding in het christelijke gezin was streng, ook omdat haar grootouders vrij moralistisch waren. ,,Altijd heeft er daardoor een soort schuldgevoel en schaamte bestaan bij mijn moeder, dat het ‘niet had gemogen’ dat ik uit een niet-huwelijksrelatie was geboren.” Ze heeft achteraf gezien veel bewondering voor haar grootouders die op hun zestigste – ze zijn geboren in 1899 en 1905 – nog een kind groot brachten. ,,Dat zal niet gemakkelijk geweest zijn…”

Vader

Wiebke wist vanaf het begin dat er geen vader in haar leven was. ,,Gelukkig had mijn moeder wel foto’s van hem. Die bekeek ik als kind regelmatig.” Op haar achttiende ontmoette ze haar vader voor het eerst. ,,Die ontmoeting was een grote teleurstelling.” Pas op haar vierenveertigste volgde de tweede keer, samen met haar man. Toen ging het weer mis. ,,Pas in 2009, toen ik zelf in een crisis zat, heb ik het nog een keer geprobeerd. Toen was het goed. In de jaren daarna hebben we een goed contact opgebouwd.” Nog waardevoller bleek die stap toen haar vader na die derde ontmoeting – waar ook een mate van verzoening plaatsvond – vrij snel overleed. Het herstelde contact zorgde er voor dat ze er ‘ineens’ veel familie bijkreeg: er bleken zeven broers en zussen te zijn. ,,Met hen heb ik nu ook goed contact.”

Haar kerkelijk thuis was de Reformierte Kirche, zeg maar de zusterkerk van de Nederlandse Hervormde Kerk. ,,Mijn grootouders zagen al vroeg dat ik predikante zou worden. Zelf wist ik het op mijn vijftiende, zestiende jaar. Dat kwam doordat we een heel bijzondere predikant in onze gemeente hadden. Hij was iemand die voor die tijd vrij liberaal was. Hij verbond echt het geloof met het dagelijks leven. Álles was bespreekbaar, bijvoorbeeld tijdens de catechesebijeenkomsten. Ik vond dat zó geweldig. Toen dacht ik: dit wil ik ook.’’

In de jaren zestig was in Duitsland ‘de revolte’ begonnen van het ‘weer durven praten’. Durven praten in een land waar een naoorlogse generatie opgroeide met het onverwerkte trauma van de Tweede Wereldoorlog. Zelf noemt ze zich een echt kind van de Bondsrepubliek Duitsland. ,,De DDR, dat kenden we niet. In mijn schooltijd ben ik wel een keer met de klas naar Oost-Duitsland geweest. Toen hebben we ook Berlijn bezocht. De sfeer weet ik me nog precies te herinneren: beklemmend.”

Amsterdamse School

Na het gymnasium besloot Wiebke theologie te gaan studeren in Hamburg. ,,Die stad vond én vind ik geweldig, maar de universiteit was niet wat ik zocht. Het was er vooral vol – héél vol. Met tweehonderd studenten tegelijk college, ik leerde er niks… Tegenwoordig worden studenten voorbereid op zelfstandig studeren en dergelijke, maar wij moesten het maar uitzoeken.” Na drie jaar besloot ze daarom de grens over te trekken, naar Amsterdam, in 1983.

,,Toen ik me meldde bij de receptie van de studentenadministratie werd ik bij mijn naam aangesproken! Een verademing. Ik was iemand en niet een nummer, een van de velen, zoals ik me in Hamburg vaak gevoeld had.” Ze woonde in het huis van theoloog Frans Breukelman (1916-1993), de drijvende kracht achter de theologische visie van de Amsterdamse School. ,,Hij had een boerderij in Friesland waar hij in de zomer met zijn vrouw verbleef en hij verhuurde kamers in zijn grachtenpand aan de Bloemensingel.”

Een groepje van tien Duitse theologiestudenten studeerde in dat jaar in Amsterdam. Dat zorgde voor een bijzondere band. Regelmatig troffen ze elkaar. ,,We kregen contact met rabbijn Yehuda Aschkenasy die verbonden was aan de B. Folkertsmastichting, nu Stichting Pardes. Hij was een overlevende van concentratiekamp Auschwitz.” Met deze hoogleraar Talmudica voerden ze als jonge Duitse studenten indringende gesprekken over ‘hoe je kon geloven na Auschwitz’. ,,Voor ons was dat heel bijzonder. Ook wat hij ons zei: jullie zijn daar niet schuldig aan want jullie waren daar niet bij; maar jullie dragen wel verantwoordelijkheid. Daarmee bedoelde hij verantwoordelijkheid voor hoe we met die geschiedenis omgingen als nieuwe generatie Duitsers.”

Van Aschkenany kreeg ze ook de liefde mee voor het bestuderen van de Schrift op de Joodse wijze. Het lernen, vragen stellen, zonder oordeel de tekst lezen. Die manier van kijken naar de wereld nam ze mee in haar predikantswerk.

Duits-Nederlands-Fries

Op de UvA leerde ze Wolf Jöhlinger kennen, een Duitser die ook theologie studeerde. ,,We zijn in onze studententijd met de kano vanaf Lemmer door heel Friesland getrokken. Die herinnering is me altijd bijgebleven. Door noodweer kwamen we in contact met een boerenfamilie uit Exmorra. Zij boden ons onderdak.”

Samen besloten ze de kerkelijke opleiding af te ronden in Duitsland. Ze werd vikaris in Loppersum-Canhusen in Ostfriesland, haar man maakte zijn opleiding in Düsseldorf af. Het jonge paar kwam er achter dat het moeilijk bleek om in Duitsland beroepen te worden binnen hun kerkverband. ,,Er waren te veel theologen voor te weinig vacatures. Wij moesten ook een inkomen hebben met ons eerste kind, net geboren.” Ze werden door Nederlandse oud-studenten getipte om daarom weer over de grens te kijken. ,,Hier zaten ze te springen om voorgangers.”

Wiebke volgde het pad van haar man en kwam zo in 1992 voor het eerst in Friesland terecht. ,,Hij werd predikant in de Hervormde Gemeente van Sumar. Ik ging daar ook één keer per maand voor en preekte daarnaast veel in andere Friese gemeenten.’’ Wiebke Heeren voelde zich direct thuis op het Friese platteland. ,,Dat komt misschien wel omdat het zo op Ostfriesland lijkt. Met de prachtige luchten, het vele water waar ik zo van hou.’’ Ze hadden in Sumar fijne buren waar een vriendschappelijk contact mee ontstond. De Friese taal probeerde ze zich direct vanaf het begin aan te leren – passief wel te verstaan, via een cursus van de AFUK. ,,‘Frysk prate’ doe ik maar niet. Als ik ‘Readtsjerk’ zeg, is het een soort combinatie van Duits-Nederlands-Fries. Maar iedereen kan gewoon Fries tegen mij spreken.”

Wiebke Heeren leert door haar vele preekbeurten ook snel de verschillen in Friesland kennen. Op de klei had je de rijke, grote boeren van stand, in de Friese wouden had je kleinere ‘boerespultsjes’ met veel minder vee en grond. ,,Daarom is de aard van de mensen in de Friese wouden ook anders, socialer.” Opeinde-Nijega en De Tike wordt voor Heeren een tussenstation vóór het predikantsechtpaar een beroep aanneemt naar de protestantse gemeenten van Nieuw-Beerta en Finsterwolde, die nu inmiddels gefuseerd zijn tot Reiderland. ,,Daar heb ik ontdekt hoe groot het verschil is tussen Friezen en Groningers. Friezen zijn trots en fier, niet in het minst op hun taal. Groningers hebben toch een soort minderwaardigheidsgevoel, zeker op het platteland – onterecht overigens.” De plek waar ze beroepen worden is bijzonder, vanwege de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog. Nieuw-Beerta is de gemeente waar ds. Bastiaan Jan Ader predikant was, een landelijk bekende verzetsstrijder die op 20 november 1944 door de nazi’s gefusilleerd werd. ,,Voor ons was het natuurlijk heel wat dat wij daar mochten werken.’’

Knipoog

Heeren heeft gemerkt in het pastoraat dat iedereen eigenlijk wel een verhaal met zich meedraagt. ,,In Groningen hadden wij militairen in de gemeenten die gevochten hebben in Nederlands-Indië, maar ook Javanen en Ambonezen. Verhalen van oorlog en geweld waar ik dan als ‘buitenstaander’ ook op kan reflecteren. Gewoon door te luisteren, zonder te oordelen.” Daar kwam in haar persoonlijk leven een nieuw verhaal bij. Haar huwelijk bleek het niet te houden en een predikantschap in Delfzijl werd daardoor getekend. Dat maakte dat ze ging solliciteren en nadrukkelijk weer over de provinciegrens keek. ,,Ik wilde eigenlijk altijd al terug naar Friesland.” Door een knipoog van de Heilige Geest werd het de Trynwâlden. ,,Het wonderlijke was dat ik bij de sollicitatie niet eens wist dat het zo dicht bij Sumar lag.” Het voelt voor haar als een thuiskomen, een beetje al als Heimat. Ondanks dat ze hier nu alleen woont. Haar beide volwassen kinderen wonen in Schotland en Duitsland.

Wiebke Heeren heeft inmiddels een ‘opvouwkano’. Die ligt nog ongebruikt bij huis, maar in de zomer is er wellicht tijd voor vaartochtjes. Het verkennen van de Grote Wielen. ,,Net als vroeger; Friesland ontdekken.”