De wrange erfenis van vierhonderd jaar koloniaal verleden

Amber Striekwold

Vierhonderd jaar kolonialisme heeft tot op de dag van vandaag sporen nagelaten in onze samenleving. Toch blijven veel Nederlanders ontkennen; ze menen dat racisme nauwelijks voorkomt in ons land. Hoe komen we verder?

Een zwarte mannelijke universiteitshoogleraar verzorgt met zijn witte mannelijke assistent-onderzoeker-in-opleiding een cursus. In het evaluatieverslag dat studenten schrijven worden de rollen omgedraaid: veel van hem nemen aan dat de blanke wetenschapper de universiteitshoogleraar is. Het is een van de voorbeelden die volgens de Surinaams-Nederlandse cultureel antropoloog en prof. dr. Gloria Wekker laat zien dat ras nog steeds een belangrijke basis van ongelijkheid is. De oorzaken daarvan moeten we zoeken in vierhonderd jaar imperialisme en kolonialisme.

,,Ras bestaat niet, maar racisme wel”, zei Gloria Wekker in een lezing die ze onlangs in Utrecht hield. Het is de wrange erfenis van ons koloniaal verleden. Een raciale fictie, in het leven geroepen om een westers imperialistisch systeem van ongelijkheid te legitimeren dat vierhonderd jaar lang bestond. Wie tegenwoordig naar de Nederlandse samenleving kijkt, moet toegeven dat racisme nog steeds aan de orde van de dag is. Hoewel het kolonialisme formeel voorbij is, leeft de onderliggende logica dus nog steeds voort. Hoe kan dit?

Historisch bepaald

Volgens Wekker heeft Nederland in al die jaren een cultureel archief opgebouwd: een verzameling historisch bepaalde ideeën, houdingen en gevoelens tegenover mensen van kleur. Het concept komt van de Palestijns-Amerikaanse literatuurwetenschapper Edward Saïd. Hij bestudeerde tal van westerse bronnen uit de koloniale tijd (romans, schilderijen, kranten, etc.) en zag hoe die erop gericht waren de gekoloniseerde volken als minderwaardig neer te zetten.

Een voorbeeld is het gedicht The White man’s burden uit 1899 van de Britse schrijver Rudyard Kipling. Dit beroemde gedicht beschrijft de zware last op de schouders van de witte man om beschaving te brengen naar de koloniale gebieden en onderschrijft de diepe structuur van raciale ongelijkheid waar het imperialisme op leunde.

Hoewel we graag willen geloven dat ons koloniale verleden geen sporen heeft nagelaten in onze taal, cultuur en in de manier waarop wit en zwart met elkaar omgaan, speelt het culturele archief volgens professor Wekker wel degelijk nog altijd een rol in de huidige maatschappij. Het zit nu tussen onze oren en we putten er nog steeds uit als we het over etnische minderheden hebben.

Dat uit zich onder andere in automatische associaties en gevoelens die witte Nederlanders hebben als ze mensen van kleur zien, zoals de leerlingen die aannemen dat een professor wit is en een assistent zwart. Die ongelijkheid van vandaag heeft haar wortels in het koloniale verleden.

Witte onschuld

Toch wordt er vaak gedacht dat racisme in Nederland nauwelijks voorkomt. Veel Nederlanders zien het als een buitenlandse aangelegenheid, een probleem dat uit Amerika is komen overwaaien. Die ontkenning is typisch voor hoe Nederland met zijn culturele archief omgaat, stelt Wekker.

Het is een mythe die Wekker ‘witte onschuld’ noemt, in stand gehouden door de trotse verhalen die we van jongs af aan horen, op school en in de politiek. Wekker: ‘We zijn een klein landje. Gastvrij tegenover minderheden, tolerant tegenover de LGBTQ-gemeenschap (gemeenschap van ‘lesbian, gay, biseksual, transgender en questioning’) en blind voor kleuren – wij doen niet aan ras.” Dat dit beeld niet helemaal strookt met de historische realiteit gaat er bij veel witte Nederlanders niet in.

Die witte onschuld zien we volgens Wekker terug in een paar pijnlijke paradoxen. Nederlanders houden graag het positieve zelfbeeld van een tolerant en niet-racistisch land in stand, maar reageren ronduit racistisch als dit beeld wordt bekritiseerd, zoals in het Zwarte Pieten-debat.

Zelfbeeld

Een tweede paradox komt naar voren in de afwezigheid van het koloniale verleden in ons zelfbeeld. Veel Nederlanders zijn trots op de grote imperialistische aanwezigheid in de wereld – zoals historicus J.A.A. van Doorn in 1994 zei: ‘Indië was Nederlands grootste avontuur.’ Maar waarom weten we er dan zo weinig vanaf? We vieren de mentaliteit van de VOC, maar zwijgen liever over wat ze daadwerkelijk deed.

Een derde paradox betreft de dominante rol van de holocaust in onze collectieve geheugen. Die herinnering zorgt ervoor dat Nederlanders zich wel kunnen zien als slachtoffers van een racistisch systeem, maar niet als daders. De holocaust werpt zo een verblindende schaduw over het imperialistisch geweld waar Nederland zich schuldig aan heeft gemaakt, bijvoorbeeld tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog – denk aan ‘politionele actie’.

De laatste paradox zien we terug in de vijandigheid tegen niet-witte minderheden en migranten. Terwijl een op de zes Nederlanders voorouders heeft met een migratieachtergrond, kunnen witte Nederlanders makkelijker aanspraak maken op hun Nederlanderschap dan mensen van kleur. Een Turkse Nederlander die zich misdraagt moet ,,oprotten”, een witte Nederlander die hetzelfde uithaalt niet.

Deze paradoxen laten zien dat ondanks (of dankzij) het beeld van witte onschuld, ras wel degelijk een rol speelt in de Nederlandse maatschappij. Ze houden een flatterend zelfbeeld in stand dat ons ervan weerhoudt ons kritisch op te stellen naar de effecten van racisme in het verleden én het heden.

Toekomst

Hoe nu verder? Wekker stipt drie punten aan die aandacht verdienen wanneer we willen werken aan een rechtvaardige toekomst. Allereerst moet er in de dagelijkse omgang niet worden weggekeken van alledaags racisme. Een veelvoorkomende vorm van racisme in Nederland is door humor en ironie.

Wekker vertelt het verhaal van een zwarte student die tijdens zijn introductieweek door een witte student bij wijze van grap werd uitgemaakt voor aap. Hij wist zich geen raad en ook omstanders zwegen. Het is een test: lach je mee dan hoor je bij de groep, maar wanneer je protesteert dan val je erbuiten. Voor omstanders geldt hetzelfde. Wees niet onverschillig en durf in te grijpen, stelt Wekker, want ,,silence helps the tormentor, not the tormented.” (stilte helpt de kwelgeest, niet de gekwelde).

Daarnaast moeten we zoeken naar manieren om het koloniale verleden onderdeel te maken van ons collectieve bewustzijn, bijvoorbeeld door actief te herdenken. Hiermee geef je minderheden een stem. Bovendien worden de sporen die kolonialisme heeft achtergelaten in onze maatschappij, zo beter zichtbaar. Wekker benadrukt dat het daarbij niet gaat om het aanwakkeren van een schuldgevoel.

Onderwijs

Er ligt volgens Wekker ook een opdracht voor het onderwijs. De aandacht voor het koloniale verleden in de geschiedenislessen is beperkt en eenzijdig. Voor een completer beeld van de Nederlandse geschiedenis moet er meer ruimte komen voor het perspectief van de voormalige koloniën. De voormalig koloniën als gesprekspartner dus, niet als object. Alleen dan kan er wederzijds begrip ontstaan.

Wekker pleit voor een gemeenschappelijke taal waarmee we het koloniale verleden en haar doorwerking bespreekbaar kunnen maken. Een soort grammatica die zich losweekt van het huidige cultureel archief: waar zichtbaarheid, engagement en acceptatie tot gelijkwaardigheid leiden.

Dit is een artikel naar aanleiding van de lezing ‘Voorbij de witte onschuld’ die cultureel antropoloog en prof. dr. Gloria Wekker onlangs hield bij Studium Generale, podium voor kennis en reflectie van de Universiteit Utrecht.