Geschiedenis van Margarete Kühnapfel, Duits predikante die de hel overleefde

Lodewijk Born

Als het gaat over de Tweede Wereldoorlog zijn Dietrich Bonhoeffer en Martin Niëmoller bekend als helden van de Bekennende Kirche. Ook vele andere geestelijken kwamen vanwege hun overtuiging in een ware hel. Daarover gaat het getuigenis van Margarete Kühnapfel.

Het is een boek dat bij Royal Jongbloed bijna onopvallend is verschenen, maar een geschiedenis vertelt die niet onbelicht mag blijven. Legde ik mij neer in de hel, zie U bent daar, is de titel van het levensverhaal van Margarete Kühnapfel. Het boek gaat over de geschiedenis van de miljoenen Duitsers die verdreven werden of moesten vluchten uit de dorpen en steden waar ze woonden toen duidelijk werd dat Adolf Hitler de oorlog ging verliezen.

Vooral kinderen, vrouwen en bejaarden – omdat de meeste mannen onder de wapenen waren of al waren gesneuveld. ‘In het beste geval trokken ze een handkar achter zich aan, met de meest elementaire levensbehoeften als voedsel en warme kleding. Achterblijvers werden vermoord, uitgebuit of gedeporteerd naar een werkkamp’, zo schrijft Titia Lindeboom die het boek vertaalde en inleidt. Naar schatting twee miljoen van deze Vertriebenen overleefden het niet, vanwege ontberingen en het extreme geweld waarmee de ‘volksverhuizing’ gepaard ging (zie kader).

Oost-Pruisen

Het boek gaat over Margarete Ella Hedwig Riemann, geboren op 22 november 1913 in Metgethen, een voorstadje van Königsberg in Oost-Pruisen. Haar man was predikant Siegfried Kühnapfel en samen sloten ze zich uit overtuiging aan bij de Bekennende Kirche. Toen de oorlog uitbrak moest ook hij vechten aan het front. Op Palmpasen 1941 werd Siegfried door mannen van de SA uit de kerk gehaald. ,,Met de handen op de rug voerden ze hem weg, alsof hij een misdadiger was. Zijn vrouw viel flauw”, tekende Lindeboom op uit de mond van een ooggetuige (94) die ze belde en die nu in Solingen woont.

Het was de tweede keer dat Siegfried onder de wapenen werd geroepen. Hij raakte vermist bij de Slag bij Stalingrad (1942/1943). En is vermoedelijk in 1943 in het strafkamp Jelabuga gestorven.

In de Tweede Wereldoorlog moesten veel meer predikanten naar het front. Hierdoor ontstond een groot tekort aan zielzorgers in Duitsland. Het landelijk bestuur van de Evangelische Kirche in Deutschland besloot daarom ook vrouwen toe te laten tot het ambt, mits zij theologie hadden gestudeerd. Opmerkelijk is dat die toestemming later weer werd ingetrokken – tot in de jaren zestig van de vorige eeuw.

Tot die vrouwelijke pfarrer, behoorde ook Margarete Kühnapfel. Inmiddels weduwe en moeder van twee kleine kinderen. Ze wordt predikante in Oost-Pruisen. In 1944 trekt het leger van de Sovjet-Unie dat gebied binnen, waarbij Nemmersdorf de geschiedenisboeken in gaat. Daar vindt een vreselijk bloedbad plaats waar de Russen moordend, plunderend en verkrachtend huishouden. De plek waar Kühnapfel leeft, Metgethen (een wijk van Kaliningrad), maakt een soortgelijke waanzin mee in de nacht van 29 op 30 januari. Zelfs kinderen van nog geen tien jaar zijn niet veilig…

Ontberingen

Als de Duitse fronten van Oost-Pruisen tot Silezië ineenstorten komt er een ongekende exodus opgang. Miljoenen Duitsers trekken in de strenge winterperiode uit hun geboortestreek weg. Ook Margarete Kühnapfel moet vluchten – haar beide kinderen (een tweeling) zijn dan al door de dood weggenomen.

Het boek vertelt het door haar zelf opgetekende levensverhaal van die ontberingen. Hoe ze honger leed, de verschrikkelijke omstandigheden in de Russische kolchoz, ziekte en de verkrachtingen door de overheersers voor wie gevangenen werkelijk niks waard waren.

‘Ik schrijf dit verslag niet omdat ik mij inbeeld iets buitengewoons beleefd en geleden te hebben. Duizenden Duitse zusters hebben iets dergelijks meegemaakt. Ik wil geen medelijden wekken. Ook kan ik mij er niet op beroemen dat ik, wat ik meemaakte, bijzonder dapper en een christen waardig hebt doorstaan’, schrijft Kühapfel in het voorwoord opgetekend in 1952. ‘God de alwetende, menig medeslachtoffer uit die tijd en ikzelf weten dat ik dikwijls heb gefaald. Het gaat om herinneringen waarbij het schaamrood mij nu nog op de kaken staat; om vele donkere uren, waarvoor ik Gods barmhartigheid en vergeving heel hard nodig heb.’

Ze schreef haar verhaal niet op om de ‘nood en slechtheid van ons mensen aan te tonen’. Het boek is eigenlijk een getuigenis van Gods trouw. ‘In alle nood die ik beschrijf, wil ik verwijzen naar de Helper die mij in het duistere dal gezegend heeft. Zo mag ik doorgeven wat ik ontvangen heb: genade op genade.’

Satanische macht

Kühnapfel draait er totaal niet omheen in haar beschrijving wat voor hel het was. Bijvoorbeeld als het ging om de honger. ‘De honger was een satanische macht geworden. En als ik terugkijk naar die donkere jaren, moet ik weer met ontzetting aan dat woord denken: eerst komt het vreten, dan de moraal.’

Er werd gegeten wat de natuur gaf: brandnetels, paarden, ooie-vaars, mussen, katten en kikkers, zelfs muizen. ‘We doorzochten de verder gelegen boerderijen en we dorsten de gevonden schoven met dorsvlegels of stokken, die daar lagen. De haver in de stallen doorzochten we op korrels.’ De meeste mensen stierven door honger of uitputting. Anderen stierven een zelfgekozen dood, vanwege de ontberingen.

Heilig Avondmaal

Ze is predikante en wonderwel oefent ze dat ambt ook nog – vaak stiekem – uit. ‘In de kolchoz had ik nog houvast aan mijn ambt. Het was mij weliswaar niet toegewezen door een instantie en niemand betaalde mij ervoor, maar sinds de deportatie oefende ik het als vanzelfsprekend uit.’ Ze begraaft doden, leidt kerkdiensten op kerkelijke feestdagen, en viert met medegevangenen het Heilig Avondmaal.

Vooral haar beschrijving hoe dat op Goede Vrijdag gebeurde, bezorgt je rillingen. ‘Allemaal kwamen ze voor zover het lukte, in hun lompen vol ongedierte. (….) De uiterlijke tekenen van het avondmaal waren thee en minuscule, harde stukjes brood. Een vrouw die pas een paar dagen eerder bij ons gebracht werd, had ze op wonderbaarlijke wijze nog in haar bezit gehad en ‘opgeofferd’ voor ons allemaal. Nooit eerder hebben wij zo diep ervaren dat de Heer ons in ellende nabijkwam in lichaam en ziel. Hij gaf Zichzelf aan ons in armzalige tekenen, onder de belofte van Zijn Woord dat wij in dit machtsbereik van satan geen honger en dorst zouden lijden en niet zouden bezwijken’.

Kühnapfel komt eind 1946 doodziek in het ziekenhuis terecht. Nou ja, een plek waar zieken alleen maar liggen en zelf in leven moeten zien te blijven. De enige arts die er is, is alleen bezig om kapotte bedden te repareren en spijkers in muren te slaan, waar die ontbreken. Na haar herstel besluit ze de kolchoz te ontvluchten. Een zeer gevaarlijke tocht. Ze belandt in Kaliningrad (ook bekend als Königsberg), wat ze beschrijft als ‘een poort waarnaar ik zo verlangde’.

Heimkehrer

Dat blijkt echter in de praktijk niet zo te zijn. Ze kan zichzelf weliswaar vrijer bewegen, maar leert hier ook de mens in al zijn slechtheid kennen. Onder meer door de enorme handel op de zwarte markt waar alleen het recht van de sluwste gold – en waar ze zelf ook in mee wordt gezogen. ‘Mijn geloof in de mensen was bijna gebroken en mijn geloof in God verloor zijn lichtende en zoutende kracht. Christus was niet meer de Broeder die altijd nabij was, die meeliep over de ‘straat van ellende’. Zelf het Bijbellezen verzaakte ze. ‘Pas veel later heb ik ingezien dat Hij mij ook heeft geleid door de nacht van mijn jaar in Königsberg.’

Kühnapfel komt als door een wonder op een transportlijst terecht, wordt in een veewagen gezet en weer op transport gezet: ze is een Heimkehrer. Haar eerste plek van thuiskomst: een kamp in de deelstaat Thuringen. Murw en zonder wensen nog. ‘Er zijn geen garanties, we hebben geen vast bestaan op aarde. Er is niets wat blijvend is: huis noch hof, bezit nog eer, geliefde mensen noch dierbare vrienden. Een echte thuiskeer is alleen mogelijk naar Hem.’ Ze krijgt een verblijfsvergunning en kan in West-Duitsland gaan wonen. Eerst sterkt ze in Locarno aan als mens, op uitnodiging van de Wereldraad van Kerken. In 1949 pakt ze haar werk als predikante weer op. Margarete Kühnapfel verhuist naar Wilhelmshaven en later naar de stad Mölln waar ze het laatste decennium van haar leven woont in een woon-zorgcomplex. Ze is zich tot haar dood, op 3 februari 2001, blijven inzetten voor ontheemden uit Oost-Pruisen.

Legde ik mij neer in de hel, zie, U bent daar. Margarete Kuhnapfel. (Inleiding en vertaald door Titia Lindeboom). Uitg. Groen, 14,95 euro