Een kerk die ‘de leer’ wil bewaren moet de Bijbel niet willen bevriezen

Eep Talstra

Wie de Bijbel leest, verdwaalt soms in de teksten. Wat staat er eigenlijk en waar is de vertaling op gebaseerd? In een drieluik gaat prof.dr. Eep Talstra in op de bronteksten van de Bijbel. Dit is deel 3.

Onderzoek doen we om gegevens te analyseren en te begrijpen – of die gegevens nu welkom zijn of niet. Dat is voor de theologie niet anders dan voor andere wetenschappen.

Daarbij is het ook belangrijk om te beseffen dat (christelijke) theologie altijd input krijgt van twee kanten. Bijbelwetenschappen en geloofsleer zijn allebei actief op een terrein waarop twee verschillende interesses een rol spelen: de vraag naar kennis uit historisch, wetenschappelijk tekstonderzoek en de vraag naar kennis uit de traditie van interpretatie van de teksten van het christelijk geloof.

Tekstonderzoek laat zien dat de traditie in de theologie vaak nogal vrijmoedig en lang niet altijd historisch correct omging met de teksten van de Bijbel. Hoe kritisch je daar ook over wilt zijn, de producten ervan horen wel tot onze gegevens.

Doorvragen

Om te beginnen hebben Bijbelonderzoekers gelijk: deze gegevens dagen ons uit om te zoeken naar de ‘oudst achterhaalbare tekstvorm’. Maar dan moet je nog wel doorvragen.

Ik zet enkele vragen hieromtrent op een rij.

1. Is traditie een vorm van vertroebeling van het oorspronkelijk, door ‘eeuwenlange aanslibbing’ met nieuwe elementen? Is tekstonderzoek een zuiveringsinstallatie? Het probleem was toch alleen dat theo-logen soms de latere tekstvorm voor de oorspronkelijke uitgeven, omdat hun theologie dat verlangt?

2. Is traditie een vorm van rijping, een eindresultaat waar meer discussie en reflectie in is verwerkt dan in het oorspronkelijk? Een meer ontwikkelde lezing? Je kunt over deze verschillen strijd voeren, maar het helpt meer om eerst te kijken naar de soorten gegevens die we hebben.

2a. Er zijn klassieke lezers die veel verder gaan dan de tekst zelf. Kerkvader Augustinus van Hippo (354-430) verwijst in zijn De stad Gods een aantal malen naar Psalm 73. Maar hij doet dat alleen via de traditie van de Griekse vertaling, waarin de psalmtekst is veranderd. De woorden ‘bij het opstaan’ in vers 20 zijn daar weergegeven met ‘in de stad’ (verkeerd gelezen Hebreeuws) en aan vers 28 zijn de woorden toegevoegd: ‘in de poorten van de dochter van Sion’. Op die manier zijn die passages uit de Griekse vertaling een ‘meer ontwikkelde lezing’, omdat zij Sion een rol toekent in de psalm terwijl de Hebreeuwse tekst dat niet deed. Augustinus gaat nog weer een stap verder door te zeggen dat het hier niet gaat om Sion, maar om ‘de stad Gods’, de hemel, waarin God de scheiding van bozen en goeden zal voltrekken. In de Hebreeuwse tekst van Psalm 73 komt echter geen enkele passage over ‘de stad’ voor. Augustinus’ werk hoort bij de theologiegeschiedenis, maar misbruikt de Bijbeltekst.

2b. Vertalers uit de traditie hebben soms te veel behoefte aan een eenduidige Bijbel. De Hebreeuwse tekst van Jesaja 9:1 wordt vaak in de tegenwoordige tijd vertaald: ‘Het volk dat in donkerheid wandelt, ziet een groot licht’. De Statenvertaling (SV) en de Herziene Statenvertaling (HSV) vertalen met een toekomende tijd: ‘zal een groot licht zien’. Mattheüs 4:16 grijpt op Jesaja terug: ‘Het volk dat in duisternis leefde, zag een schitterend licht’. Dat is grammaticaal (Grieks) correct. Maar de SV en de HSV willen kennelijk in Jesaja 9:1 een profetie lezen die al naar Mattheüs vooruit wijst: ‘zal zien’. Grammaticaal kan dat niet. Het Hebreeuws van Jesaja 9:1 heeft een voltooide tijd: ‘het volk heeft gezien’. Ook in zulke gevallen moet het onderzoek de Hebreeuwse tekst recht doen en laten zien dat de opvatting van Jesaja 9:1 als aankondiging, zoals in Mattheüs, wel bij de geschiedenis van de uitleg hoort, maar de Hebreeuwse tekst verkeerd gebruikt.

2c. Bijbelschrijvers passen teksten vaak gemakkelijk aan. Paulus verwijst in Romeinen 11:8 naar de tekst van Deuteronomium 29:4. ‘God heeft jullie geen hart gegeven om te verstaan, ogen om te zien ..’ Maar hij verandert jullie in hen. Het gaat nu over de Joden als niet-christenen. Voor een onderzoeker blijven het drie verschillende ‘data’: een Hebreeuwse tekst, een Griekse tekst en de functie van het citaat.

In het wetenschappelijk onderzoek van de Bijbeltekst komt zo een interessante paradox aan het licht: professioneel tekstonderzoek vindt als uitkomst confessioneel aangestuurde processen. Maar dat lukt alleen goed als de methoden van onderzoek niet-confessioneel zijn. Alleen dan krijg je meer inzicht in de aard van de teksten als product van traditie en herschrijving.

Theologie en Bijbel

Wat betekenen de toename van onze wetenschappelijke kennis en de discussie over bronteksten voor de plaats van de Bijbel in kerk en geloof? Kort samengevat: een erkenning van de historische en menselijke gang van zaken in het ontstaan van de Bijbel. En de erkenning dat zoiets geen hindernis is voor het spreken van God en ook geen argument tegen het spreken van God. De theologie moet er niet aan beginnen om de Bijbel zuiver en consistent te willen hebben, of ze dat nu probeert door het uitzuiveren van latere onderdelen van de teksten, of door de claim dat de teksten die de traditie ons aanreikt de oudste en de beste zijn. Dat is hetzelfde misverstand.

Voor een Bijbelvertaling betekent dit dat het wetenschappelijke werk aan de reconstructie van een zo vroeg mogelijke Bijbeltekst belangrijk is, omdat we anders geen goed beeld krijgen van de latere processen van overlevering en bewerking. Eerbied voor de traditie is een stimulans voor onderzoek. Maar zij betekent ook dat reconstructie niet hetzelfde is als filteren en weglaten. Dat raak je de kennis van overlevering en bewerking juist weer kwijt. Teksten – ook in vertalingen – naar hun vermoedelijke status markeren als ‘toegevoegd’, lijkt de beste manier om geen gegevens kwijt te raken.

Mijn indruk is dat de nieuwtestamentici ook wel aan zoiets denken: de traditie zichtbaar houden als traditie, niet als oorsprong. De oudtestamentici, die immers een tekst uit de traditie als standaard gebruiken, zouden dan het omgekeerde kunnen doen: veel vaker dan gebruikelijk is, markeren hoe een tekst er in de oudere manuscripten van de Dode Zee uit ziet.

De basis is dat we uit het onderzoek accepteren dat de Bijbel zelf traditie is en op die manier tot ‘Bijbel’ is geworden. Woord van God, zeker. Maar dan moeten we wel concreet worden: spreekt God het meest helder in een gereconstrueerde tekst? Of alleen na rijping van de teksttraditie? Of pas echt in het hele rommelige proces van tekstproductie, aangestuurd door ervaringen en overtuiging?

Fundamentalisme

Het is een vraag om te overdenken in het jubileumjaar van de reformatie. Sola Scriptura (alleen door de Schrift) is niet een ander woord voor fundamentalisme. Het is een poging om vol te houden dat niet kerk en ambt Gods spreken vormgeven, maar andersom. Is dat onmogelijk nu de kennis over het ontstaan van de Bijbel laat zien dat de Bijbel uit traditiestromen, herzieningen en aanpassingen is ontstaan? Integendeel. Zeker, het materiaal van de Scriptura is anders dan wij wel dachten. Het is niet (ik benadruk het met hoofdletters): Bijbel én Traditie, maar Bijbel ís Traditie. Ze zijn beide weerspiegeling van processen van schrijven en lezen. De tegenstelling Bijbel en traditie gaat niet over verschil in materiaal. Maar het debat is actueel.

Als traditie in de theologie betekent: een theologisch eindproduct dat de kerk onder haar hoede heeft en een leeswijzer is bij de Bijbel, dan raakt de Bijbel zoek, zoals in de hymne van Venantius. Een kerk die ‘de leer’ wil bewaren, heeft tegelijkertijd de neiging om de Bijbel te bevriezen, dat weten protestanten ook. Maar juist het tekstonderzoek kan ons laten zien dat tekst en traditie iets van een biografie hebben, de levensloop van God en mensen. Gezag zit niet in het materiaal, gezag heeft de kronkelige route die is gegaan en waarvan we graag zo veel mogelijk willen begrijpen.

Dit is het laatste deel van een korte serie over Bijbelvertalen door prof.dr. Eep Talstra, emeritus hoogleraar Oude Testament aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Eerdere delen in deze serie stonden in de krant van maandag 27 maart en woensdag 29 maart.