Onderzoeksterreinen van het Oude en Nieuwe Testament bepalen de uitkomst

Wie de Bijbel leest, verdwaalt soms in de teksten. Wat staat er eigenlijk en waar is de vertaling op gebaseerd? In een drieluik gaat prof. dr. Eep Talstra in op de bronteksten van de Bijbel. Deze keer: deel 2.

In het vorige artikel ging ik uitgebreid in op de vraag of sommige dingen die je leest of zingt, zoals een verwijzing naar het kruishout in Psalm 96 wel te rechtvaardigen zijn. Dat brengt me nu op een ander punt, dat ook in het themanummer van Met andere woorden over Bijbelvertalen naar voren kwam.

Er werd in het inleidende artikel vastgesteld dat Bijbelwetenschap wel een heel specialistisch vak is geworden, maar dat van de resultaten van het vak en de vragen over de Bijbel die daardoor ontstaan, bij Bijbellezers nauwelijks iets bekend is. Dat komt mede doordat Bijbelvertalers vaak niet de moeite nemen om uit te leggen welke brontekst ze hebben gebruikt en op welk manier. Die relatieve stilte rond het gebruik van de brontekst en de verantwoording ervan speelde ook bij de Herziene Statenvertaling en De Nieuwe Bijbelvertaling, zo wordt vastgesteld. Het themanummer van Met Andere Woorden wilde er aan bijdragen om dat tekort verhelpen.

Confessionele achtergrond

De tweede opmerking betrof de verhouding van onderzoek en christelijk geloof. Bijbelvertalingen worden doorgaans gemaakt vanuit een bepaalde theologische achtergrond, die analytischer of traditioneler kan zijn. De vraag is niet of dat goed of slecht is, de vraag is of een specifieke confessionele achtergrond wel ruimte wil geven aan de gegevens en resultaten van het huidige onderzoek naar de bronteksten. Hier kom je op vragen van Bijbel en geloof.
Vooral de onderzoekers van de tekst van het Nieuwe Testament zijn nogal uitgesproken in hun oordeel over de rol van theologie en confessie in hun vak: dan neem je het onderzoek niet serieus. Hun kritiek richt zich vooral tegen de keuzes gemaakt in de productie van de Herziene Statenvertaling.

Voor de discussie over traditie en onderzoek is het wel belangrijk om te beseffen, dat er een behoorlijk verschil is tussen de onderzoeksterreinen van Oude en Nieuwe Testament. Vanaf de reformatie heeft de protestantse theologie gebruik gemaakt van de Hebreeuwse tekst die door de joodse traditie was gevormd. We hebben die tekst alleen in middeleeuwse handschriften, maar zij gold toch eeuwenlang als de oorspronkelijkste tekst van het Oude Testament. Er was vrijwel geen ander materiaal.

De vernieuwing in het onderzoek van het Oude Testament is op gang gekomen doordat tekstvondsten sinds de negentiende eeuw veel meer kennis van oud-oosterse godsdiensten hebben gebracht, ook die van Israël. Een voorbeeld is een grafschrift uit Khirbet El Qom, uit de achtste eeuw voor Christus, met de tekst:

‘Uriah, de rijke, heeft het geschreven
Gezegend uriah door Jhwh
En van zijn vijanden heeft hij hem gered door Asjera’

Heel anders dan in het Oude Testament wordt hier de Godsnaam in direct verband gebracht met de godin of goddelijke kracht Asjera. Bijbel en antieke godsdienst in Israël vallen duidelijk niet samen.

Ontstaan en verspreiding

Pas vanaf de vondst van fragmenten en rollen bij de Dode Zee (1947) is er ook meer kennis gekomen over de processen van ontstaan en verspreiding van teksten. Daarin zie je onder meer veranderingen in de teksten met een theologische motivatie. Een bekend voorbeeld is Deuteronomium 32:8. ‘Onze’ Bijbeltekst, uit de rabbijnse tradities, heeft daar staan:

‘De Allerhoogste heeft de gebieden van de volkeren bepaald naar het getal van de zonen van Israël.’

In fragmenten van de Dode Zee-rollen staat in die tekst iets anders: ‘zonen van El’ of ‘zonen van Elohim’: godenzonen. Dat is een herinnering aan de godenvergadering van het Kanaänitische pantheon. In manuscripten van de Griekse vertaling staat daar meestal: ‘engelen van God’. Zulke voorbeelden laten zien dat Bijbelteksten heel lang flexibel zijn gebleven totdat ze hun vorm kregen in de rabbijnse teksttraditie die wij nu kennen.

Verschillen

Overigens, ook binnen het Oude Testament zelf is dat heel goed te zien, bijvoorbeeld aan de verschillen tussen het boek Koningen en Kronieken of binnen het boek Jeremia. Kronieken vult teksten soms aan met elementen waarin het belang van de Tora en van Israël als volk van God worden onderstreept. II Kronieken 6:16 geeft de tekst van I Koningen 8:25 en voegt de term ‘Tora’ in. II Kronieken 7:14 geeft de tekst van I Koningen 9:3 weer en voegt onder meer in: het volk waarover ‘mijn Naam’ is uitgeroepen. In Koningen was de Naam verbonden met ‘de tempel’ en ‘de stad’. In Kronieken komt daar ook ‘het volk’ bij. Ook zo is Gods Naam aanwezig in de wereld. Dat is een thema in teksten na de verwoesting van Jeruzalem: Daniël 9:18-19. Nieuwe ervaringen, nieuwe formuleringen.

In Jeremia worden teksten soms letterlijk gerecycled: verzen die eerst tegen Sion zijn gericht, Jeremia. 6:22-23, keren later terug, maar nu gericht tegen de vijand, Babel, 50: 41-42.

Nu de recente tekstvondsten zichtbaar maken dat dezelfde processen van actualiseren ook aanwezig zijn in het veel oudere materiaal dat aan onze Bijbeltekst vooraf gaat, brengt dat onderzoekers terug bij de vraag: wat is dan de oorspronkelijke tekst van het Oude Testament? Er is nu voldoende materiaal om analyses te doen, maar te weinig materiaal om zelfs maar te denken een volledige reconstructie. Een collega uit Israël zei wel eens: ,,Als je het oudste Oude Testament wilt lezen, dan moet je de Dode Zee-rollen lezen.” Dat is waar, maar het zou het Oude Testament tot gatenkaas reduceren, met wel heel grote gaten.

Vakgebied

Voor het onderzoek van het Nieuwe Testament zijn er sinds de negentiende eeuw veel meer manuscripten en papyri beschikbaar. En dus is er in dat vakgebied ook veel meer mogelijkheid om te zoeken naar de best benaderbare oorspronkelijke tekst van het Nieuwe Testament die voorafging aan de teksten waarover men in de tijd van de reformatie kon beschikken. Onderzoekers kunnen vaststellen dat verschillende tekstgedeelten, zoals het slot van Marcus (na 16:8) of het verhaal in Johannes 7:53-8:11, of de klassieke tekst over de drie-eenheid 1 Johannes 5:7-8, niet tot de oudste handschriften behoren.

Voor de tekst van het Oude Testament worden zulke claims ook wel gemaakt, soms kan men die ook bevestigd vinden uit sommige Dode Zee-fragmenten, maar we hebben veel te weinig materiaal om zo stellig te zijn als de nieuwtestamentici dat kunnen. Wetenschappelijk gezien gaat het wel om hetzelfde type onderzoek: hoe kunnen wij uit het beschikbare materiaal de processen van ontstaan, bewerking en herschrijven van de Bijbelse teksten analyseren?

Daarmee zijn we bij de vraag die Bijbelvertalers bezig houdt: welke tekst gaan we nu vertalen? De nieuwtestamentici zijn opnieuw duidelijk. Henk Jan de Jonge, emeritus hoogleraar Nieuwe Testament in Leiden, spreekt over de ‘oudst achterhaalbare tekstvorm’. Cor Hoogerwerf, onderzoeker naar vroegchristelijke exegese aan de VU in Amsterdam, pleit voor een tekst ‘gezuiverd van eeuwenlange aanslibbing’.

De oudtestamentici spreken zich in het themanummer niet uit, of zijn voorzichtiger. Bénédicte Lemmelijn, college-hoogleraar Oude Testament in Leuven, vraagt zich af of de oudste tekstvorm die we kunnen vinden per definitie óók voor literaire analyse de beste is. Kan een latere tekstvorm niet een ‘meer ontwikkelde lezing zijn’? Dat brengt ons op het terrein van Bijbelonderzoek en theologie. Daar wil ik graag in slotbijdrage op ingaan.

Dit is deel 2 uit een korte serie over Bijbelvertalen door prof. dr. Eep Talstra, emeritus hoogleraar Oude Testament aan de VU in Amsterdam.